Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO2296

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-04-2004
Datum publicatie
09-04-2004
Zaaknummer
C01/198HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO2296
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

9 april 2004 Eerste Kamer Nr. C01/198HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], België, VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 198
JWB 2004/144
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C01/198HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 23 jan. 2004

conclusie inzake

[eiser]

tegen

[verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de vraag of thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], is aan te merken als schuldeiser van thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], ter zake van aan deze in lening verstrekte fondsen.

2. De feiten waarvan in cassatie dient te worden uitgegaan, treft men aan in r.o. 1 a t/m d van het vonnis van de Rechtbank van 24 november 1999 (zie r.o. 3 van het bestreden arrest van het Hof). Zij komen op het volgende neer.

(i) Op 16 april 1994 hebben partijen een "overeenkomst tot deelname en samenwerking" gesloten. In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

"1. [Eiser] zal direct na ondertekening van deze overeenkomst overgaan tot de oprichting van zijn management B.V., hierna te noemen JAM, waarbij hij ernaar zal streven dat deze oprichting na uiterlijk 4 maanden voltooid zal zijn en de B.V. zal kunnen worden ingeschreven in de relevante kamer van koophandel.

2. [Verweerder] zal na ondertekening van deze overeenkomst aan [eiser] de fondsen voor het te storten kapitaal van voornoemde B.V. in lening verstrekken en tevens de oprichtingskosten van deze B.V. voorfinancieren.

[Eiser] verplicht zich de geleende fondsen zo spoedig mogelijk weer aan [verweerder] terug te betalen uiterlijk 120 dagen na de ter beschikking stelling daarvan door [verweerder].

Over de in dit artikel genoemde bedragen zal [eiser] geen rente e.d. aan [verweerder] verschuldigd zijn indien aan voornoemde termijn wordt voldaan."

(iii) Op 9 juli 1994 heeft [A] B.V. een bedrag van f 40.000,- overgemaakt aan [eiser].

(iv) [Eiser] heeft op 22 juli 1994 onder vermelding "terugbetaling lening" een bedrag van f 20.000,- aan [A] B.V. terugbetaald.

(v) Bij brief van 25 september 1997 heeft [verweerder] in zijn hoedanigheid van directeur van [A] B.V. [Eiser] bericht dat het totaal verschuldigde bedrag met betrekking tot de lening thans f 23.800,- bedraagt en dat de vordering op 30 september 1997 uit handen wordt gegeven.

(vi) Bij brief van 29 september 1998 heeft de raadsman van [verweerder] namens [verweerder] [eiser] in gebreke gesteld.

3. Bij exploit van 10 juli 1998 heeft [verweerder] [eiser] gedagvaard voor de Rechtbank Amsterdam en gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van - kort gezegd - het restant van het uitgeleende bedrag, vermeerderd met rente en kosten. Ten grondslag aan zijn vordering heeft [verweerder] gelegd dat [eiser] in gebreke is gebleven met de terugbetaling van de aan hem op grond van de overeenkomst tot deelname en samenwerking beschikbaar gestelde gelden.

4. [Eiser] heeft de vordering bestreden en tot zijn verweer aangevoerd

(a) dat hij niet tot betaling gehouden is omdat niet [verweerder], maar [A] B.V. hem de f 40.000,- ter beschikking heeft gesteld, en dat hij ook aan [A] B.V. f 20.000,- heeft terugbetaald, en

(b) dat hij zijn schuld mocht verrekenen met een hem toekomende management-fee.

5. Bij haar vonnis van 24 november 1999 heeft de Rechtbank beide verweren van [eiser] verworpen en de vordering van [verweerder] toegewezen. Het onder (a) bedoelde verweer verwierp de Rechtbank op grond van de overweging dat het op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst aan [verweerder] was om [eiser] de lening te verschaffen en dat het onder die omstandigheden [eiser] niet regardeert waar het over te maken bedrag vandaan komt, zodat [verweerder] als schuldeiser dient te worden aangemerkt (r.o. 3). Het onder (b) bedoelde verweer verwierp de Rechtbank op grond van de overweging dat [eiser] op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn schuld mocht verrekenen met de management-fee (r.o. 4).

6. [Eiser] is van het vonnis van de Rechtbank in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te Amsterdam. Hij voerde grieven aan tegen zowel de verwerping door de Rechtbank van het onder (a) als de verwerping van het onder (b) bedoelde verweer.

7. In de toelichting op zijn grieven tegen de verwerping van het onder (a) bedoelde verweer (grief I en II) voerde [eiser] nader aan dat de overmaking van de f 40.000,- door [A] B.V. niet is geschied ter uitvoering van de overeenkomst van 16 april 1994 maar ter uitvoering van een overeenkomst van 30 maart 1994 met [A] B.V., waarbij hij verwees naar een brief van 30 maart 1994 van [verweerder] aan [eiser] (overgelegd als productie 1 bij de memorie van grieven) en waarin gesproken wordt van een lening van "[A]".

8. Het Hof heeft de grieven I en II verworpen en overwoog daartoe onder meer (r.o. 4.3):

"[Eiser] heeft (...) onvoldoende toegelicht dat er (ook) een overeenkomst van geldlening zou zijn tot stand gekomen tussen [eiser] en bedoelde vennootschap. In dit verband is van belang dat de brief van 30 maart 1994 slechts een eenzijdige schets voor een mogelijke overeenkomst bevatte. De brief geeft blijkens de eerste alinea slechts de intentie weer van [verweerder] om met [eiser] tot een samenwerking te komen, terwijl blijkens de laatste alinea aan de raadsman zou worden verzocht "een en ander in kontraktvorm te gieten". Uit niets blijkt dat die intentie heeft geleid tot iets anders dan de overeenkomst van 16 april 1994, gesloten tussen [eiser] en [verweerder]. [Eiser] heeft zijn stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd. Een en ander leidt tot de conclusie dat de overmaking van 9 juli 1994 is verricht ter uitvoering van de overeenkomst 16 april 1994, gesloten dus tussen de partijen in dit geding. Met andere woorden, [verweerder] is terecht door de rechtbank als schuldeiser aangemerkt."

9. Ook de door [eiser] tegen de verwerping door de Rechtbank van het onder (b) bedoelde verweer aangevoerde grief (grief III) heeft het Hof verworpen. Daartoe overwoog het Hof (r.o. 4.4):

"Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat [eiser] op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn schuld mocht verrekenen met een hem toekomende management-fee. In hoger beroep heeft [eiser] ter staving van deze stelling een management overeenkomst overgelegd. Deze overeenkomst kan [eiser] echter niet baten, aangezien bij die overeenkomst [B] BV en JAM Beheer BV partijen zijn en in die overeenkomst slechts te lezen valt dat Jam gerechtigd is tot het in rekening brengen van onkosten bij [B] of een van haar vennootschappen. Zonder toelichting welke niet gegeven is, valt niet te begrijpen waarom [eiser] recht had op een managementvergoeding van [verweerder]."

10. Bij gevolg heeft het Hof het beroepen vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

11. [Eiser] is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met twee middelen. [Verweerder] is in cassatie niet verschenen.

12. Middel I valt uiteen in vijf onderdelen en keert zich tegen hetgeen het Hof - in r.o. 4.3 - heeft overwogen en beslist met betrekking tot het onder (a) bedoelde verweer van [eiser].

13. Na onderdeel 1.1, dat geen klacht bevat, betoogt onderdeel 1.2 van het middel dat het oordeel van het Hof onjuist, althans onbegrijpelijk is, omdat - kort gezegd - [eiser] heeft gesteld dat hij geen gelden van [verweerder] in privé heeft geleend noch heeft ontvangen, doch de gelden van [A] B.V. heeft ontvangen en ook aan deze vennootschap het bedrag van f 20.000,- heeft terugbetaald, terwijl het ook deze vennootschap is geweest die [eiser] heeft gesommeerd het restantbedrag terug te betalen.

14. De rechtsklacht faalt. Het Hof heeft de stelling van [eiser] dat hij geen gelden van [verweerder] in privé heeft geleend noch heeft ontvangen, doch de gelden van [A] B.V. heeft ontvangen, verworpen en geoordeeld dat de overmaking op 9 juli 1994 van de f 40.000,- naar een rekening van [eiser] is geschied ter uitvoering van de tussen [verweerder] en [eiser] gesloten overeenkomst van 16 april 1994. Daarmee heeft het Hof klaarblijkelijk tot uitdrukking willen brengen dat de overmaking door [A] BV van de f 40.000 op de rekening van [eiser] is geschied ter kwijting van de uit die overeenkomst voortvloeiende verbintenis van [verweerder] om aan [eiser] de fondsen voor het te storten kapitaal van de op te richten besloten vennootschap in lening te verstrekken. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Waar haar inhoud of strekking zich daartegen niet verzet, kon deze verbintenis door een ander dan [verweerder] worden nagekomen (art. 6:30 BW). De enkele omstandigheid dat [A] B.V. ter kwijting van [verweerder] de fondsen aan [eiser] heeft verstrekt, brengt dan ook niet mee dat [verweerder] zijn uit de overeenkomst voortvloeiende rechten, waaronder het recht op terugbetaling van de in lening verstrekte fondsen, niet meer tegen [eiser] zou kunnen uitoefenen.

15. Ook de motiveringsklacht faalt. 's Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk, nu [eiser] niet heeft betwist dat de overeenkomst van 16 april 1994 is gesloten tussen [verweerder] en [eiser] en nu uit de gedingstukken niet blijkt (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat [eiser] feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit zou kunnen volgen dat [verweerder] zijn rechten en verplichtingen uit die overeenkomst op de voet van art. 6:159 BW aan [A] B.V. heeft overgedragen.

16. Onderdeel 1.3 klaagt dat (het Hof heeft miskend dat) ook uit de eerder genoemde brief van 30 maart 1994 (overgelegd als productie 1 bij de memorie van grieven) blijkt van de bedoeling dat [A] B.V. de f 40.000,- aan [eiser] te leen zou verstrekken.

17. Ook dit onderdeel is m.i. tevergeefs voorgesteld. Het Hof heeft geoordeeld dat uit niets blijkt dat de in die brief uitgesproken intentie tot iets anders heeft geleid dan de overeenkomst van 16 april 1994, gesloten tussen [eiser] en [verweerder]. Hieruit volgt dat naar 's Hofs oordeel de brief van 30 maart 1994 als bron van rechten en verplichtingen zelfstandige betekenis mist naast de overeenkomst van 16 april 1994. Dit oordeel berust op een aan het Hof als rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden uitleg van de brief en van de overeenkomst en kan in cassatie op juistheid niet worden getoetst. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk, nu - zoals het Hof constateert - blijkens de laatste alinea van de brief aan de raadsman zou worden verzocht "een en ander in kontraktvorm te gieten".

18. Onderdeel 1.4 beticht het Hof van een denkfout en betoogt dat juist omdat de intentie vervat in de brief van 30 maart 1994 heeft geleid tot de overeenkomst van 16 april 1994, daarmee is gegeven dat [verweerder] heeft gehandeld "vanuit" [A] B.V., zodat deze schuldeiser werd.

19. Uit hetgeen is aangetekend bij onderdeel 1.3 volgt dat en waarom het onderdeel faalt. Het onderdeel ziet eraan voorbij dat naar 's Hofs feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel de brief van 30 maart 1994 als bron van rechten en verplichtingen zelfstandige betekenis mist naast de overeenkomst van 16 april 1994, zodat, ongeacht de inhoud van die brief, de overeenkomst slechts [verweerder] en niet [A] B.V. bindt.

20. Onderdeel 1.5 mist zelfstandige betekenis.

21. Middel II, dat zich keert tegen het oordeel van het Hof - in r.o. 4.4 - dat [eiser] op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn schuld mocht verrekenen met een hem toekomende management-fee, neemt tot uitgangspunt dat middel I gegrond is en dat (derhalve) moet worden aangenomen dat [eiser] heeft geleend van en een terugbetalingsverplichting heeft jegens [A] B.V. Aangezien middel I faalt, ontvalt aan middel II de grondslag, zodat ook dit middel niet tot cassatie van het bestreden arrest zal kunnen leiden.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,