Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO1310

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-03-2004
Datum publicatie
19-03-2004
Zaaknummer
C03/085HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO1310
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

19 maart 2004 Eerste Kamer Nr. C03/085HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. M.L. Kleyn, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in voorgaande instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 154
JWB 2004/111
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C03/085HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 19 december 2003

Conclusie inzake:

[de man]

tegen

[de vrouw]

In deze alimentatiezaak, een vervolg op HR 20 november 1998, NJ 1999, 86, gaat het uitsluitend om motiveringsklachten m.b.t. de vaststelling van de draagkracht.

1. Het procesverloop in feitelijke instanties

1.1. Voor het procesverloop tot het arrest van de Hoge Raad van 20 november 1998 wordt verwezen naar dat arrest. Kort samengevat is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Het vonnis is op 25 september 1995 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw, ditmaal gedaagde in cassatie, vordert van de man een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, groot f 3.500,- per maand. De rechtbank te 's-Hertogenbosch had in haar vonnis van 12 mei 1995 de alimentatie bepaald op f 1.900,- per maand. Beide partijen zijn in hoger beroep gekomen. Het gerechtshof te 's Hertogenbosch heeft het vonnis vernietigd en de alimentatie bepaald op f 500,- per maand. De Hoge Raad heeft deze laatste beslissing bij arrest van 20 november 1998 op grond van een motiveringsgebrek vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof te Arnhem.

1.2. Het motiveringsgebrek had betrekking op de draagkracht van de man. De man heeft zich beroepen op een beperkte draagkracht in verband met zijn aflossings- en renteverplichtingen uit hoofde van een geldlening van BF 2.000.000,- bij de Kredietbank te Overpelt. De vrouw heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat de man deze lening niet had behoeven te sluiten en in elk geval eerder had kunnen aflossen. Na verwijzing heeft de man bewijsstukken overgelegd en een nadere toelichting gegeven. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij tussenarrest van 11 januari 2000 de zaak naar de rol verwezen opdat de vrouw zich zou kunnen uitspreken over deze bewijsstukken en stellingen.

1.3. In het daarop volgende tussenarrest van 19 september 2000 heeft het hof de achtergrond van de geldlening onderzocht. De man heeft in 1992 een horecabedrijf annex horecaopleidingscentrum gekocht en geëxploiteerd. De exploitatie is gestaakt omdat zij verliesgevend was. Het hof heeft de omvang van de exploitatieverliezen in 1992 en 1993 berekend op BF 368.068 resp. BF 376.539, zij het met een voorbehoud, in verband waarmee het hof de zaak naar de rol heeft verwezen. Anders dan de man had gesteld, achtte het hof de geleden exploitatieverliezen geen afdoende verklaring voor het aangaan van de geldlening. Het hof nam in aanmerking dat de geleden verliezen hadden kunnen worden afgelost uit de spaargelden die de man eind 1992 heeft opgenomen. Bovendien beschikte de man in 1993 over voldoende inkomsten om afbetalingen te kunnen doen op zijn schulden. Volgens de man is dit niet juist en is het opgenomen spaartegoed gebruikt om zijn in Hongarije wonende broer terug te betalen, die in 1989 f 30.000,- aan partijen had overhandigd met het verzoek dit bedrag ter belegging op een bank in het Westen te zetten ten behoeve van de studiekosten van een zoon van die broer. Het hof heeft aan de man opgedragen deze stelling te bewijzen.

1.4. In het tussenarrest van 27 november 2001 heeft het hof beslist dat de man het verlangde bewijs niet heeft geleverd. Vervolgens heeft het hof een draagkrachtberekening gemaakt, waarvan het resultaat was dat de man ingaande 25 september 1995 (datum echtscheiding) in beginsel in staat moet worden geacht f 1.160,- per maand bij te dragen aan het levensonderhoud van de vrouw. Het hof achtte zich evenwel niet in staat het fiscaal voordeel te berekenen en definitief de alimentatie vast te stellen, omdat niet duidelijk was welke bedragen de man tussen 1995 en 2000 feitelijk als alimentatie heeft betaald en als aftrekpost voor de inkomstenbelasting heeft gebruikt. Daartoe werd de zaak naar de rol verwezen.

1.5. Bij tussenarrest van 7 mei 2002 heeft het hof melding gemaakt van de stelling van de man dat zijn draagkracht inmiddels op een aantal essentiële punten is gewijzigd; zo heeft de man in 1997 een huis gekocht en is hij in 1998 gehuwd met een nog studerende partner. Het hof heeft beslist dat het verzoek van de man om deze nieuwe omstandigheden in de beoordeling te betrekken dient te worden gehonoreerd. Het hof heeft de zaak wederom naar de rol verwezen en een comparitie gelast, teneinde over de financiële omstandigheden van partijen in de jaren 1997 e.v. te worden ingelicht.

1.6. In het eindarrest van 26 november 2002 heeft het hof de gewijzigde omstandigheden en de draagkracht van de man in de opeenvolgende jaren besproken. Tenslotte heeft het hof het vonnis in eerste aanleg d.d. 12 mei 1995 - voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen - bekrachtigd m.b.t. de vaststelling van alimentatie over de jaren 1995 en 1996 (op f 1.900,- per maand). Het hof heeft het vonnis vernietigd voor wat betreft de vaststelling van alimentatie over de periode vanaf 1 januari 1997 en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, de alimentatie over de opeenvolgende jaren vastgesteld. Voor de exacte bedragen moge ik verwijzen naar het dictum van het arrest.

1.7. Namens de man is tijdig(1) cassatieberoep ingesteld tegen alle door het hof na de verwijzing gewezen arresten. In cassatie is tegen de vrouw verstek verleend. Het cassatiemiddel is schriftelijk toegelicht.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Naar vaste rechtspraak kunnen geen hoge motiveringseisen worden gesteld aan een beslissing die uitsluitend betreft het vaststellen en wegen van de door beide partijen met het oog op de draagkracht van de onderhoudsplichtige of de behoefte van de onderhoudsgerechtigde naar voren gebrachte omstandigheden(2).

2.2. Onderdeel 1 wordt aan het slot geformuleerd als een rechts- en een motiveringsklacht. Inhoudelijk kan ik in dit onderdeel slechts motiveringsklachten lezen. Deze hebben betrekking op de reden van het aangaan van de geldlening bij de bank. De eerste klacht houdt in dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de man aanvankelijk niet de beschikking had over zijn gehele inkomen, omdat de vrouw toen nog gebruik maakte van de gemeenschappelijke bankrekening van partijen. Nergens in het middel wordt aangegeven waar deze omstandigheid door de man in feitelijke instanties zou zijn aangevoerd. Terugzoekend is te zien dat het onderwerp in de memorie van antwoord na verwijzing, alinea 12, door de man summier aan de orde is gesteld. Voor zover het middelonderdeel deze stelling bedoelt, heeft het hof aan het slot van rov. 2.7 van het arrest van 19 september 2000 genoegzaam aangegeven op welke grond het van oordeel was dat de man over voldoende draagkracht beschikte om de opgelegde alimentatie te kunnen voldoen. Verdergaande motiveringseisen worden blijkens het voorgaande niet gesteld.

2.3. Daarnaast bevat onderdeel 1 de klacht dat het hof uitsluitend rekening heeft gehouden met de exploitatieverliezen, maar ten onrechte niet met het werkkapitaal dat nodig was voor de aankoop van het bedrijf in België en de daarvoor noodzakelijke investeringen. Deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof in rov. 2.9 - 2.10 van het arrest van 19 september 2000 uitdrukkelijk hierop is ingegaan. Voor zover de man een nadere motivering van dit oordeel verwacht - in het middel worden geen concrete klachten geuit tegen de genoemde rechtsoverwegingen -, stuit de klacht af op het in alinea 2.1 besproken criterium.

2.4. Onderdeel 2 richt een motiveringsklacht tegen het oordeel dat de man niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd. Het onderdeel doelt kennelijk op rov. 2.3 van het arrest van 27 november 2001. Het hof heeft aangegeven, zelfs betrekkelijk uitvoerig, op welke gronden het tot zijn bewijsoordeel is gekomen. Onbegrijpelijk is deze redengeving niet. Het middelonderdeel - men zie de tekst ervan - verlangt in wezen een herwaardering van het bewijs die de cassatierechter nimmer kan geven.

2.5. Onderdeel 3 bevat de klacht dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de stellingen van de man met betrekking tot zijn woonlasten. Het middel vermeldt niet tegen welke rechtsoverweging deze klacht is gericht. Ik vermoed dat de klacht doelt op rov. 2.4 van het eindarrest. Het hof heeft enkele omstandigheden genoemd (de huurwoning die de man voordien reeds had; de hoogte van de aankoopprijs van de nieuwe woning; de kostbare verbouwing van de nieuwe woning waarvan de noodzaak het hof niet is gebleken), die het hof hebben gebracht tot zijn slotsom dat het niet redelijk is de totale woonlast ten laste van de draagkracht van de man te brengen. De klacht dat het hof "zonder nadere motivering" de woonlast van de man heeft bepaald op f 1.200 per maand mist dus feitelijke grondslag. In de laatste alinea van het middelonderdeel wordt aangevoerd dat het hypotheekbedrag hoger was dan de aankoopprijs van de woning omdat rekening moet worden gehouden met de kosten koper en de kosten van de verbouwing. Het bestreden arrest maakt voldoende duidelijk dat het hof dit niet over het hoofd heeft gezien. Voor zover het middelonderdeel klaagt dat de woning niet uitzonderlijk duur was en de verbouwingskosten niet een buitensporig hoog bedrag belopen, stuit de klacht af op de regel dat de waardering hiervan moet worden overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt.

2.6. De motiveringsklacht van onderdeel 4 is kennelijk gericht tegen rov. 2.5 van het eindarrest. De man is hertrouwd in 1998. Zijn nieuwe partner volgt een studie geneeskunde. Het hof heeft geconcludeerd dat de nieuwe partner gedurende een periode van zeven jaar geheel voor rekening van de man zal komen. Het hof vervolgt:

"Dit gevolg - en de lengte van deze periode - acht het hof ten opzichte van de vrouw niet redelijk. Daarom zal het hof rekenen met het gemiddelde tussen de norm voor een gezin en een alleenstaande en het gemiddelde van de daarbij behorende draagkrachtpercentages, derhalve met 52,5 %."

2.7. In HR 3 juli 1995, NJ 1996, 86 m.nt. JdB, is overwogen dat bij de beoordeling van de draagkracht van (in dat geval:) de man in beginsel rekening dient te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de man komen. Tot dergelijke uitgaven zullen in het algemeen ook moeten worden gerekend redelijke uitgaven van de man om te voorzien of bij te dragen in het levensonderhoud van een met hem samenwonende nieuwe partner. Anders dan in de toen in cassatie bestreden beschikking was aangenomen, kan volgens de Hoge Raad van dergelijke uitgaven niet worden gezegd dat zij in beginsel slechts onder - door de man te stellen - "bijzondere omstandigheden" redelijk zijn te achten.

2.8. In onderdeel 4 is niet de rechtsklacht te lezen, dat het hof de door de Hoge Raad onder woorden gebrachte regel heeft miskend. Het middelonderdeel beperkt zich tot de klacht dat 's hofs motivering onbegrijpelijk is omdat het de man vrijstaat een nieuwe relatie aan te gaan en de nieuwe partner niet verplicht kan worden om werk te gaan zoeken en af te zien van deze studie. Aldus geformuleerd kan de klacht m.i. niet tot cassatie leiden. Het hof heeft immers niet miskend dat het de man vrijstaat een nieuwe relatie aan te gaan noch miskend dat de nieuwe partner van de man niet verplicht is van haar opleiding geneeskunde af te zien. Het hof legt geen verplichting tot werken op de nieuwe partner van de man: hoe de man en zijn nieuwe partner in hun gezinsuitgaven moeten voorzien wanneer de man overeenkomstig de beslissing van het hof voor (relatief hogere) alimentatieverplichtingen wordt gesteld, staat in de gedachtegang van het hof ter keuze van de man en zijn nieuwe partner. Overigens duidt de aangevallen overweging, in het bijzonder de uitdrukkelijke vermelding dat de nieuwe partner van de man verwacht vanaf januari 2005 een inkomen van f 4.200,- per maand te verdienen, erop dat het hof deze studie ziet als een investering voor de toekomst, welke rechtvaardigt dat de man en zijn nieuwe partner gedurende deze investeringsperiode hun uitgavenpatroon tijdelijk naar beneden zullen moeten bijstellen om voortzetting van de alimentatie voor de vrouw mogelijk te maken. Dat oordeel is aan de feitenrechter voorbehouden en de motivering ervan is niet onbegrijpelijk. Om deze redenen faalt onderdeel 4.

2.9. De eerste alinea van onderdeel 5 is kennelijk gericht tegen de rov. 2.7 - 2.15 van het eindarrest. Het hof heeft bij de berekening van de draagkracht van de man rekening gehouden met de inkomsten die hij heeft genoten, zoals deze blijken uit de overgelegde jaaropgaven en aangiften voor de inkomstenbelasting (IB). Tegen dat uitgangspunt is geen klacht gericht. Het middelonderdeel noemt het onbegrijpelijk dat het hof rekening heeft gehouden met de aanslagen IB en dat het hof doet voorkomen dat de volledige teruggave IB aan de vrouw ten goede dient te komen, hoewel deze teruggave niet alleen voortvloeit uit de betaalde partneralimentatie. M.i. mist deze klacht feitelijke grondslag omdat het hof niet spreekt over bepaalde belastingteruggaven. Het hof heeft slechts aangegeven dat het rekening houdt met het fiscale voordeel voor de man, dat hierin gelegen is dat betaalde partneralimentatie wettelijk aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting. Over de wijze waarop het hof dit belastingvoordeel heeft berekend (in rov. 2.8 voor wat betreft de jaren 1995 en 1996; in rov. 2.9 voor wat betreft het jaar 1997; in rov. 2.14 voor wat betreft de jaren 1998 tot en met 2001) gaat de klacht niet.

2.10. In de tweede alinea van onderdeel 5 wordt in het algemeen geklaagd dat onbegrijpelijk is waarom de gerechten, die beslissingen hebben genomen over de door de man verschuldigde alimentatie, tot zulke uiteenlopende uitkomsten zijn gekomen. M.i. gaat de klacht niet op. De bedragen die in het kader van de voorlopige voorzieningen zijn bepaald zijn niet bindend voor de rechter die definitief de alimentatie vaststelt. Voor wat betreft de jaren 1995 en 1996 is er geen verschil tussen de uitkomst in eerste aanleg en die in hoger beroep. Voor wat betreft de jaren 1997 en volgende, heeft het hof in de rov. 2.7 - 2.14 van zijn eindarrest aangegeven met welke, door de man in de procedure na verwijzing aangevoerde wijzigingen in de financiële omstandigheden het hof rekening heeft gehouden. Naar vaste rechtspraak is de rechter niet gehouden de toegepaste rekenmethode in het vonnis uit te schrijven. Onderdeel 5 treft geen doel.

2.11. Het middel noopt m.i. niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Het geding is aangevangen bij dagvaarding, betekend op 21 oktober 1992, dus nog vóór de inwerkingtreding van de Wet herziening scheidingsprocesrecht op 1 januari 1993. De toepasselijke overgangsbepaling houdt in dat echtscheidingsprocedures waarin de inleidende dagvaarding is betekend voor het tijdstip van inwerkingtreden van deze wet worden beheerst door het recht dat vóór dat tijdstip gold: zie art. V van de wet van 1 juli 1992, Stb. 373; het tijdstip van inwerkingtreding is te kennen uit Stb. 1992, 530. De cassatietermijn bedraagt 3 maanden in echtscheidingszaken die vóór 1 januari 1993 bij dagvaarding aanhangig zijn gemaakt.

2 Nu collega Wesseling-van Gent kort geleden een goed overzicht heeft gegeven van de door de Hoge Raad gestelde motiveringseisen in alimentatiezaken (conclusie 14 november 2003 nr. R 03/043), acht ik mij ontslagen van een vermelding van de verdere vindplaatsen.