Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO0901

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-02-2004
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
C00/185HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO0901
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

27 februari 2004 Eerste Kamer Nr. C00/185HR JMH/MD Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. E. Meijer, t e g e n de stichting WONINGSTICHTING HAAG WONEN, als rechtsopvolgster van WONINGSTICHTING "VERBETERING ZIJ ONS STREVEN", gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 109
NJ 2004, 285
JWB 2004/84
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: C00/185HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 28 november 2003

Conclusie inzake:

[Eiser]

eiser tot cassatie

tegen

de Stichting "Woningstichting Haag Wonen", als rechtsopvolgster van de Stichting "Woningbouwstichting Verbetering Zij Ons Streven"

verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop(1)

1) Op 5 januari 1996 heeft de President van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage uitspraak gedaan in een kort geding tussen de Katholieke Woningbouwvereniging "Verbetering Zij Ons Streven" als eiseres en "zij die verblijven aan de [a-straat 1,2 en 3] (of gedeelte daarvan)" als gedaagden.

Het op de aangegeven wijze anoniem dagvaarden van de gedaagden was ingegeven door het feit dat de panden aan de [a-straat 1,2 en 3] waren "gekraakt", en dat het onmogelijk was de identiteit van de personen vast te stellen die in die panden verbleven. Het kort geding strekte tot ontruiming van deze panden. De ontruiming werd door de President toegewezen. De gedaagden werden veroordeeld in de kosten van de procedure. De eiser tot cassatie, [eiser], is in deze procedure verschenen voor [a-straat 2].

Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel aangewend.

2) De Woningbouwstichting "Verbetering Zij Ons Streven", inmiddels: de verweerster in cassatie Woningstichting Haag Wonen (hierna: VZOS), is rechtsopvolgster van de eerder genoemde woningbouwvereniging. Zij heeft het in de vorige alinea aangeduide vonnis van de President -gedeeltelijk- tegen [eiser] ten uitvoer gelegd (namelijk voor zover het de proceskostenveroordeling betreft). [Eiser] heeft in een volgend kort geding schorsing van deze executie gevorderd, totdat in een bodemprocedure zou zijn vastgesteld of hij zich terecht beroept op het feit dat hij geen gedaagde is tegen wie het vonnis is gewezen. De vordering tot schorsing is (ook in hoger beroep) afgewezen(2).

3) In de thans in cassatie te beoordelen bodemprocedure, vordert [eiser] primair een verklaring voor recht dat hij geen gedaagde is geweest in het kort geding dat tot het vonnis van 5 januari 1996 heeft geleid, althans niet behoort tot degenen tegen wie de op 5 januari 1996 uitgesproken kostenveroordeling kan worden geëxecuteerd. Die vordering (andere vorderingen die in deze procedure werden betrokken zijn in cassatie niet meer aan de orde), werd in eerste aanleg afgewezen. In appel heeft het hof die beslissing bekrachtigd.

4) [Eiser] heeft tijdig(3) cassatieberoep ingesteld. Aan VZOS is verstek verleend. [Eiser] heeft zijn standpunt schriftelijk toegelicht.

Bespreking van het cassatiemiddel

Belang

5) Bij wege van opmerking vooraf stel ik de vraag aan de orde of [eiser] een te rechtvaardigen belang heeft bij wat hij in dit cassatieberoep nastreeft.

Die vraag lijkt mij om de volgende redenen legitiem:

- Zoals uit de in het kort beschreven feiten valt op te maken, gaat het in deze zaak uitsluitend om de vraag of VZOS het recht heeft, de in het eerste kort geding uitgesproken kostenveroordeling (mede) ten laste van [eiser] te brengen;

- Gesteld dat [eiser] overigens het gelijk aan zijn kant zou hebben (zijn argumenten strekken er, zoals hierna in meer detail te bespreken, toe dat iemand die ten onrechte als partij bij een uitspraak is aangemerkt, het recht heeft om ook zonder de betreffende uitspraak zelf aan te tasten, alsnog het standpunt in te nemen dat hij ten onrechte als partij is aangemerkt; en daarmee aan de werking van de desbetreffende uitspraak te ontkomen) - brengen de vaststaande feiten van deze zaak dan niet mee dat [eiser] de kostenveroordeling waar het allemaal om te doen is, net zo goed moet dragen, en dat het cassatieberoep hem dus materieel niets verder brengt?

- Bij de beoordeling daarvan is in aanmerking te nemen dat [eiser] volgens zijn eigen stellingen (zie alinea 9 hierna) in de kort geding-procedure van december 1995/januari 1996 is verschenen zonder machtiging van de "werkelijke" gedaagde partijen, en dat hij daar, blijkbaar uit eigen initiatief, (valselijk) kenbaar heeft gemaakt dat hij verscheen in hoedanigheid van gedaagde (namelijk: één van de anoniem gedagvaarde "krakers" dan wel bewoners zonder recht of titel). Aanvaarding van de juistheid van het in de vorige subalinea bedoelde betoog, veronderstelt dat [eiser] ook in zijn zojuist aangehaalde stellingen wordt gevolgd - dus dat die voor juist worden gehouden;

- Wie verschijnt voor, en verweer voert namens een partij die daartoe geen opdracht heeft gegeven (en die dat ook niet alsnog, "met terugwerkende kracht", doet), of zonder dat een voor rechtsgeldig optreden vereiste machtiging is verkregen, kan persoonlijk in de kosten worden veroordeeld (aangenomen dat de aan zijn zijde opkomende partijen als in het ongelijk gesteld moeten worden aangemerkt). Voor de rechtshulpverlener/gemachtigde of diens opdrachtgever blijkt dat - inmiddels - uit het nieuwe art. 245 Rv.; maar de daarin tot uitdrukking komende gedachte ligt, denk ik, ook al ten grondslag aan HR 12 december 1975, NJ 1976, 569 m.nt. WHH(4).

6) Ik denk daarom dat de kosten waarin [eiser] in zijn (volgens hem: valse) hoedanigheid van partij is veroordeeld, onverminderd te zijnen laste hadden behoren te worden gebracht, wanneer in enig stadium van dit geding zou zijn geaccepteerd dat hij zich zonder machtiging (en in een valselijk voorgewende hoedanigheid) in de oorspronkelijke kort geding-procedure heeft gemengd, en dat dat aan de kostenveroordeling als partij in de weg zou staan. Ik denk bovendien dat er geen nadere beoordeling van feitelijke aard nodig is om dit vast te kunnen stellen: de hoger aangestipte feiten zijn in cassatie niet betwist, en er is niets aangevoerd dat een andere uitkomst zou kunnen rechtvaardigen. Dat zo zijnde, is het lood om oud ijzer is of de kosten [eiser] in de ene dan wel de andere (non-)hoedanigheid in rekening worden gebracht; en ligt de slotsom voor de hand dat er géén te rechtvaardigen belang bij het onderhavige cassatieberoep bestaat. Ik denk daarom dat het middel al bij gebrek aan belang moet worden afgewezen.

7) Indachtig de mogelijkheid dat over het zojuist besprokene anders moet worden geoordeeld, zal ik nu de stellingen uit het middel bespreken.

De cassatiedagvaarding houdt één middel in. Dat richt een gecombineerde rechts- en motiveringsklacht tegen rov. 3 van het arrest van het hof. Die rechtsoverweging luidt:

"Het voorgaande komt er op neer, dat [eiser] in het onderhavige geding wil doen vaststellen dat de grondslag waarop het eerdere, onherroepelijk geworden, vonnis berustte in een bepaald opzicht onjuist is en dat daardoor aan dat vonnis de rechtskracht wordt ontnomen. Dit standpunt is onverenigbaar met het gesloten stelsel van in de wet geregelde rechtsmiddelen, dat meebrengt dat een rechterlijke uitspraak -afgezien van zich hier niet voordoende uitzonderingen- niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel kan worden aangetast."

8) Ik begrijp de beslissing van het hof zo, dat het hof tot uitgangspunt neemt dat het (in alinea 1 hiervóór genoemde) kort-geding vonnis van 5 januari 1996 (ook) tegen [eiser] als (mede)gedaagde is gewezen; en dat een vordering die ertoe strekt de werking van dit vonnis (in dit opzicht) ongedaan te maken, onverenigbaar is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

Verder begrijp ik het middel zo, dat het beoogt de beide "leden" van het zoëven geparafraseerde oordeel van het hof te bestrijden.

9) Wat betreft het eerste "lid" van het bedoelde oordeel - ik bedoel daarmee dan de (impliciete) vaststelling dat [eiser] in het vonnis van 5 januari 1996 als een van de gedaagden is aangemerkt -: dat oordeel berust op uitlegging, door het hof, van het desbetreffende kort-geding vonnis. Een dergelijk oordeel is aan de "feitenrechter" voorbehouden(5). Dat het hof zo heeft geoordeeld lijkt mij ook bij uitstek begrijpelijk, al omdat namens [eiser] in appel het volgende was aangevoerd:

"[Eiser] heeft ter zitting van 28 december 1995 het woord gevoerd. Om het woord te mogen voeren heeft hij zich voorgedaan als een van de krakers. Aangezien hij nimmer heeft verbleven aan de [a-straat 2] behoorde hij ook niet tot de (groep) gedaagden (gedagvaarden). Hij was derhalve geen materiële procespartij. Zonder dat hij hiertoe gemachtigd was, toestemming had gekregen of anderszins door de materiële procespartij te zijn verzocht verweer te voeren voelde [eiser] zich genoodzaakt te pleiten voor de krakersbeweging in het algemeen, althans voor de krakers van [a-straat 2].(6)"

In het licht van deze stelling van [eiser] zelf, kon het hof moeilijk anders oordelen dan dat de President in het kort gedingvonnis van 5 januari 1996 hem, [eiser], als een van de gedaagden had aangemerkt, en dat de beslissing dan ook aldus moest worden begrepen. Op zijn minst genomen is het - ik gaf dat al aan - zeer begrijpelijk dat het hof - kennelijk - aldus heeft geoordeeld.

10) Of de tweede stelling waarop het middel een beroep doet (en die ik samenvat als: alleen in een dagvaarding genoemde partijen kunnen in het daarop volgende vonnis worden veroordeeld) juist is, kan in het midden blijven - al lijkt mij aannemelijk dat bij spitsvondige analyse heel wat uitzonderingen op de voorgestelde regel kunnen worden bedacht(7).

Die stelling kan daarom in het midden blijven, omdat wanneer op een dagvaarding van anonieme personen één of meer personen verschijnen en verklaren dat zij tot de gedagvaarden behoren, die personen vervolgens mogen worden aangemerkt als (behorende tot) degenen die "in de dagvaarding genoemd zijn". Voor de gedachte die het middel lijkt voor te staan - die komt er zo ongeveer op neer dat anonieme gedaagden anoniem blijven, ook als zij zich bekend hebben gemaakt, en dat zij (daardoor) de vrijheid behouden om in een later stadium te betwisten dat wie zich als gedaagde bekend heeft gemaakt werkelijk die hoedanigheid bezat - zie ik werkelijk geen enkele steun(8).

11) In de schriftelijke toelichting heeft de raadsman van [eiser] deze stelling in die vorm verdedigd, dat men niet procespartij kan worden "enkel door zich van de valse hoedanigheid van procespartij te voorzien(9)". Men is geneigd te vragen: hoezo niet? Wie verschijnt op een aan anonieme gedaagden uitgebrachte dagvaarding en expliciet verklaart een van de anonieme betrokkenen te zijn, verkrijgt daardoor inderdaad de hoedanigheid van (proces)partij(10). Bovendien: wie vervolgens geen stappen aanwendt om een op die voet tegen zich gewezen vonnis aan te tasten(11), verliest, zoals iedere bij een rechterlijke uitspraak veroordeelde partij, de mogelijkheid om dat in een later stadium alsnog te doen. Het middel verdedigt ten aanzien van de eerste in deze alinea besproken stelling een opvatting die volgens mij behoort te worden verworpen; en het middel bevat bovendien geen expliciete klacht tegen de tweede, zelfstandige grond voor het door het hof gegeven oordeel (namelijk: de onaantastbaarheid van rechterlijke beslissingen waartegen niet tijdig een rechtsmiddel is aangewend(12)). Ten overvloede: voorzover het middel beoogt ook tegen dit oordeel te klagen, lijkt mij die klacht evenzeer onjuist. Ik zie geen enkele reden om "uitgerekend" voor dit geval af te wijken van de door de Hoge Raad geformuleerde (hoofd)regel(13).

12) Mij lijkt daarom dat het middel, op zijn merites beoordeeld, niet kan worden aanvaard.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 De feitenvaststelling berust op rov. 1.2 tot en met 2.2 van het bestreden arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 februari 2000.

2 Vonnis van de President van de rechtbank te '-Gravenhage van 4 juni 1996 en arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 november 1996. Cassatie werd niet tijdig ingesteld: zie de cassatiedagvaarding van 12 februari 1997. Al deze stukken zijn, blijkbaar "ad informandum", aan het dossier toegevoegd.

3 Art. 402 Rv.

4 Zie ook Cleveringa, "Spookpartijen" 1967, p. 38. Een andere weerslag van dezelfde gedachte blijkt uit art. 3:70 BW.

5 HR 3 mei 2002, NJ 2002, 348, rov. 3.2; HR 16 juni 2000, NJ 2000, 584 m.nt. CJHB, rov. 3.3.

6 Memorie van Grieven, alinea 10. In de schriftelijke toelichting, o.a. in alinea 1, wordt inhoudelijk hetzelfde aangevoerd.

7 In hoeverre een regel die veel uitzonderingen vertoont nog aanspraak kan maken op de naam "regel" is een interessante vraag op zich; zie bijvoorbeeld K. van het Reve, "Het geloof der kameraden" (in "mijn" uitgave, Van Oorschot-1979, op p. 30 - 37.)

8 Daarbij spreek ik geen oordeel uit over het wezenlijk andere probleem dat zich voordoet als iemand verklaart zich als, dan wel voor (een met name genoemde) gedaagde te stellen, maar in werkelijkheid niet degene is die hij beweert te zijn. Zie over (sommige) gevolgen van het optreden van een dergelijke "spookpartij" voor de verschijnende en voor degene die hij beweert te zijn, de in voetnoot 4 hiervóór genoemde rede van Cleveringa.

9 Schriftelijke toelichting, p. 6 - 7.

10 Complicaties in verband met dwaling, misverstand of andere "wilsgebreken" laat ik daar. Daarvan is in deze zaak geen gewag gemaakt.

11 Het lijkt mij overigens zeer de vraag in hoeverre een betoog in appel - het rechtsmiddel dat hier m.b.t. het kort geding-vonnis van 5 januari 1996 in de rede lag -, dat men in de eerste aanleg welbewust valselijk de hoedanigheid van gedaagde heeft voorgewend, kan worden gehonoreerd. Dat een bepaalde proceshouding door eerdere gedragingen "gedekt" is, moge slechts bij uitzondering zijn aan te nemen - maar ik kan mij heel goed voorstellen dat zich hier een van de uitzonderingen voordoet.

12 Ik verwijs voor die regel naar de "klassieke" beslissing HR 27 januari 1989, NJ 1989, 588 m.nt. WHH, rov. 3.2.

13 "Uitgerekend", ook omdat aanvaarding van een uitzondering in het onderhavige geval ruimte zou scheppen voor een rijtje onwenselijke gevolgen. Het in het middel verdedigde systeem leidt er toe dat men, zonder dat daar verder consequenties aan (kunnen) worden verbonden, namens een groep anonieme gedaagden verweer kan voeren door zich als één van de gedaagden voor te stellen, en dat men daarna weer kan "verdwijnen" door alsnog aan te voeren dat men niet werkelijk een van de bedoelde anonymi was. Dat zou dan tot gevolg hebben dat de bij HR 28 april 1995, NJ 1995, 729 m.nt. HER, rov. 3.4.3 geïnterpreteerde regel van art. 290 Rv. (oud, zie thans art. 255 lid 1 Rv.) gemakkelijk kan worden omzeild én dat de wederpartij, hoewel die genoodzaakt werd de kosten van het "afweren" van het verweer voor zijn rekening te nemen, voor die kosten geen verhaal kan nemen op degene die voor die gang van zaken verantwoordelijk is. (In het hier te beoordelen geval zou ook verhaal op de werkelijke gedaagden niet onverkort mogelijk zijn, omdat [eiser] het standpunt heeft betrokken dat hij zonder machtiging van dezen heeft gehandeld. Ik erken dat het praktische verschil in dit geval gering - zij het niet verwaarloosbaar - is, omdat een kostenveroordeling ten gunste van de eiser in kort geding dezelfde pleegt te zijn, ongeacht of er verweer is gevoerd of niet. Dat is echter anders in een procedure ten gronde, als daarin in persoon kan worden geprocedeerd (voor het andere geval biedt art. 245 Rv. (art. 58 Rv. (oud)) een oplossing). Het ligt in de rede dat het middel verdedigt dat ook dàn de zojuist besproken consequenties moeten worden aanvaard.) Tenslotte leidt de door het middel voorgestane weg er nog toe, dat anoniem gedagvaarde partijen effectief verweer kunnen (laten) voeren zonder hun anonimiteit prijs te geven (door het weer "verdwijnen" van de zich valselijk als gedaagde presenterende partij verkrijgt men immers dat effect). Dat dat geoorloofd zou zijn, pleegt niet te worden aanvaard (en ik deel die - negatieve - mening): Hof Amsterdam 8 juli 1993, KG 1993, 292; Pres. Rb. Zwolle 10 januari 1991, KG 1991, 97; Pres. Rb. Groningen, kenbaar uit NJB 1982, p. 79 e.v.; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl., oud), Asser, art. 5, aant. 6. Anders Hof Arnhem 4 oktober 1988, KG 1988, 397. (Bij deze beschouwingen is vanzelfsprekend uitgangspunt, dat de hiervóór in alinea's 5 en 6 verdedigde opvatting, die meebrengt dat de kosten hoe dan ook voor rekening van [eiser] (moeten) blijven, niet wordt gevolgd.)