Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AO0624

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-01-2004
Datum publicatie
20-01-2004
Zaaknummer
02582/03 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO0624
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gekopieërde tankpassen voor vrachtwagens kunnen als betaalpassen of waardekaarten in de zin van art. 232 Sr worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 31
NJ 2004, 215
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02582/03 U

Mr Wortel

Zitting:16 december 2003

Conclusie inzake:

[verzoeker=de opgeëiste persoon]

1. Het cassatieberoep is gericht tegen een uitspraak van de Rechtbank te Utrecht waarbij de uitlevering van verzoeker aan de Bondsrepubliek Duitsland ter fine van vervolging wegens de feiten, omschreven in een op 9 mei 2003 door het Amtsgericht Bochum gegeven bevel tot inhechtenisneming, toelaatbaar is verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr. B.P.J. van Riel, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat de Rechtbank op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de feiten waarop het uitleveringsverzoek ziet ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren, aangezien de Rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat een tankpas bestemd is om een betaling te verrichten.

4. De jegens verzoeker bestaande verdenking is in het door het Amtsgericht Bochum gegeven bevel tot inhechtenisneming (Haftbefehl) aldus omschreven, samengevat, dat verzoeker zich heeft aangesloten bij personen die tankkaarten kopieerden op magneetkaarten, welke magneetkaarten tegen betaling ter beschikking van vrachtwagenchauffeurs werden gesteld die daarmee konden tanken. De tankkaarten waarvan de gegevens werden gekopieerd waren door diefstal verkregen, of afgegeven door chauffeurs in dienst van vervoersbedrijven. Verzoekers bijdrage aan deze feiten bestond er uit dat hij zich originele tankkaarten heeft verschaft en die gemanipuleerd.

5. Een namens verzoeker gevoerd verweer is in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:

"7.1. De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat fraude door middel van een tankpas, waarvan in het onderhavige geval sprake is, niet strafbaar is gesteld bij de Nederlandse strafwet, nu door tanken met een tankpas geen rechtstreekse betaling plaatsvindt.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Artikel 232 van het Wetboek van Strafrecht stelt strafbaar het afleveren, voorhanden hebben en gebruiken van vervalste betaalpassen en waardekaarten. Een tankpas - een voor het publiek beschikbare kaart - is bestemd om langs geautomatiseerde weg een betaling te verrichten voor door een pomphouder geleverde brandstof en is naar het oordeel van de rechtbank een pas als omschreven in het eerste lid van artikel 232 van het Wetboek van Strafrecht."

6. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat een tankpas geen betaalpas in de zin van art. 232 Sr kan zijn, omdat zij niet op naam van een bepaalde persoon is gesteld, en evenmin bestemd voor financiële transacties langs geautomatiseerde weg. De steller van het middel meent dat een tankpas slechts als tussenschakel de (elektronische) weg naar een rekening opent, waardoor achteraf een financiële transactie plaatsvindt, terwijl zij niet de identiteit van de drager prijsgeeft.

Een waardekaart als bedoeld in art. 232 Sr zou een tankpas evenmin zijn, aangezien met behulp van een tankpas toegang verkregen kan worden tot diensten waarvoor pas later betaald zal worden. In dat verband wordt verwezen naar de Memorie van Toelichting bij art. 232, p. 21. Kennelijk zoekt de steller aansluiting bij de opmerking dat onder waardekaart verstaan dient te worden: elk voorwerp waarvan langs geautomatiseerde weg een zeker geldsbedrag kan worden afgeschreven (Kamerstukken 1989-1990, 21 551, nr 3, p. 21)

7. Aangenomen kan worden dat in de door het Amtsgericht Bochum gegeven omschrijving van de feiten wordt gedoeld op tankpassen die zodanige elektronisch vastgelegde gegevens bevatten dat bij het gebruik van de tankkaart vastgesteld kon worden aan welke (rechts)persoon zij door de uitgevende brandstofleverancier was uitgereikt. Dat kan niet anders, aangezien de brandstofleverancier zonder die gegevens niet zou kunnen achterhalen aan wie de geleverde brandstof in rekening gebracht moet worden. Daarom zijn die tankkaarten te beschouwen als een voorwerp dat op naam van een bepaalde persoon is gesteld. De stelling dat zo een tankkaart niet bestemd is om te worden gebruikt voor financiële transacties langs geautomatiseerde weg, omdat zij slechts toegang geeft tot de rekening die gedebiteerd moet worden, komt mij vergezocht voor. Het langs elektronische weg identificeren van de te debiteren rekening is gericht op het totstandbrengen van een financiële transactie.

8. Het middel faalt

9. In het tweede middel wordt er over geklaagd dat de uitlevering ten onrechte mede toelaatbaar is verklaard ter zake van een feit dat naar Nederlands recht strafbaar is gesteld in art. 140 Sr.

Betoogd wordt dat de Rechtbank onvoldoende heeft onderzocht of de in het uitleveringsverzoek bedoelde feiten, zoals naar Duits recht vastgesteld, voldoen aan de bestanddelen van art. 140 Sr, zoals die in de rechtspraak worden uitgelegd. Daarbij wordt verwezen naar de in de rechtspraak gestelde eis van een duurzaam samenwerkingsverband.

10. De eis van dubbele strafbaarheid brengt mee dat het materiële feit dient te vallen binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling. Daarbij is voldoende dat de buitenlandse en de Nederlandse strafbaarstellingen in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermen. Niet verlangd wordt dat de bestanddelen van de buitenlandse strafbaarstelling overeenstemmen met de bestanddelen in de Nederlandse strafbaarstelling, vgl HR 4 februari 2003, griffienr 01679/02 U, LJN AF0451.

11. In de overgelegde stukken is de tekst te vinden van paragraaf 152a van het Duitse Strafgesetzbuch, handelend over het vervalsen van betalingskaarten en het gebruik van vervalste betalingskaarten ter misleiding in het rechtsverkeer. Het tweede lid van deze strafbaarstelling luidt in Nederlandse vertaling:

"Handelt de dader bedrijfsmatig of als lid van een bende, die zich heeft verbonden tot het voortgezet plegen van strafbare feiten als bedoeld in lid 1, dan is de vrijheidsstraf niet onder twee jaren."

12. De omschrijving van de feiten in het Haftbefehl houdt, zoals hierboven reeds werd opgemerkt, in dat verzoeker zich heeft aangesloten bij een groep van personen die zich er op toegelegde gegevens van gestolen of wederrechtelijk afgegeven tankkaarten te kopiëren, en magneetkaarten met de gekopieerde gegevens tegen betaling ter beschikking te stellen zodat daarmee op bedrieglijke wijze kon worden getankt.

Als nadere omschrijving van verzoekers bijdrage aan deze feiten is vermeld dat hij in de maand november 2002 twee maal een kopie van een tankkaart aan zijn mededaders heeft geleverd, welke kopieën vele malen zijn gebruikt om te tanken.

13. Ofschoon het tweede lid van par. 152a StgB een strafverzwarende omstandigheid omschrijft, kon de Rechtbank naar mijn inzicht aannemen dat die strafverzwarende omstandigheid, voor zover bestaande uit het handelen als lid van een groepering die zich heeft verbonden tot het voortgezet begaan van de in het eerste lid van par. 152a StgB strafbaar gestelde feiten, zich in de kern beschouwd keert tegen dezelfde inbreuk op de rechtsorde die door art. 140, eerst lid, Sr wordt bestreken.

Gelet op de wijze waarop verzoekers gedragingen in het Haftbefehl zijn omschreven komt het oordeel dat die gedragingen naar Nederlands recht zouden zijn aan te merken als deelneming aan een criminele organisatie mij niet onbegrijpelijk voor.

14. Daarom kan het tweede middel naar mijn inzicht geen doel treffen.

15. De middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,