Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AN9952

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-2004
Datum publicatie
27-01-2004
Zaaknummer
00895/03 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AN9952
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitleg art. 4, eerste lid, (oud) Varkensbesluit (Stb. 1994, 577). De woorden “de voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal” moeten worden uitgelegd als: de netto-ruimte voor de varkens. Hieronder wordt verstaan de ruimte waarin varkens zich vrij, dus zonder gehinderd te worden door enig obstakel, kunnen bewegen en niet de ruimte waar de varkens zich niet vrij kunnen bewegen maar slechts met een gedeelte van het lijf kunnen liggen.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 38, geldigheid: 2004-01-27
Varkensbesluit 4, geldigheid: 2004-01-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 54
Red. annotatie in JDW 2004/5

Conclusie

Nr. 00895/03 E

Mr. Vellinga

Zitting: 9 december 2003

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft, behoudens ten aanzien de opgelegde straf, bevestigd het vonnis van de Economische Politierechter te Breda waarbij verdachte wegens "overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens art. 38 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon" is veroordeeld, het vonnis ten aanzien van de opgelegde straf vernietigd, de bewijsmiddelen verbeterd en verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,-.

2. Namens verdachte heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over schending van (onder andere) art. 7 Varkensbesluit en/of verzuim van vormen nu het Hof de veroordeling heeft gemotiveerd door een verkeerd (wets)artikel uit te leggen. Blijkens de toelichting strekt het middel ten betoge dat het Hof onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op het verweer dat de ruimte onder (het schuine deel van)(1) de voerbakken dient te worden gerekend tot de voor varkens "beschikbare oppervlakte" als bedoeld in art. 4 (oud) Varkensbesluit en dat het Hof in plaats van de term "beschikbare oppervlakte" als bedoeld in art. 4 (oud) Varkensbesluit uit te leggen de term "vrije ruimte" als bedoeld in art. 7 Varkensbesluit heeft uitgelegd.

4. Het tweede middel klaagt over schending van (onder andere) art. 4 en 7 Varkensbesluit nu het Hof de termen "vrije ruimte" en "beschikbare oppervlakte" te strikt heeft uitgelegd.

5. De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op of omstreeks 16 september 1998 te Steenbergen, in strijd heeft gehandeld met de eisen voor de voor varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gebruiksvarkens, immers hadden toen aldaar 90 varkens met een gemiddeld gewicht tussen 50 en 85 kilogram een gemeten beschikbare oppervlakte van minder dan 0,60 m2 per varken en hadden toen aldaar 1071 varkens met een gemiddeld gewicht tussen 85 en 110 kilogram een gemeten beschikbare oppervlakte van minder dan 0,70 m2 per varken"

7. Het Hof heeft daartoe de volgende bewijsmiddelen gebruikt:

- een proces-verbaal, inhoudende als relaas van verbalisanten:

"op 16 september 1998 bevonden wij ons ter controle op de voorschriften van het Varkensbesluit, op de landbouwonderneming gevestigd aan de [a-straat 1] te [vestigingsplaats] in de gemeente Steenbergen. Op deze landbouwonderneming spraken wij een persoon aan die verklaarde [betrokkene 1] te heten en bedrijfsleider te zijn van genoemde onderneming.

Wij betraden de bedrijfsgebouwen van deze onderneming alwaar wij de controle op het Varkensbesluit, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van het Varkensbesluit van 1 september 1998, hebben uitgevoerd.

Wij zagen dat in de stallen op deze landbouwonderneming gebruiksvarkens waren gehuisvest.

Door ons werden in de stallen metingen verricht met een van dienstwege verstrekte meetlat. Ook hebben wij middels telling het aantal aanwezige varkens vastgesteld.

Uit de meting bleek ons dat de hokken de volgende afmetingen hadden:

lengte 3.00 meter, breedte 1.90 meter.

De oppervlakte van de hokken is : 5.70 m2.

Ingevolge artikel 4 lid 1 van het Varkensbesluit moeten de varkens met een gemiddeld gewicht van 50 kg tot 85 kg kunnen beschikken over 0,60m2 oppervlakte per varken.

Uit vorenstaande blijkt dat er in de gewichtsklasse 50 kg tot 85 kg maximaal 9 varkens per hok gehuisvest mogen zijn. Uit het navolgend overzicht blijkt dat er in de afdelingen 8 en 10, in totaal 9 varkens teveel, in deze gewichtsklasse zijn gehuisvest.

Ingevolge artikel 4 lid 1 van het Varkensbesluit moeten varkens met een gemiddeld gewicht van 85 kg tot 110 kg kunnen beschikken over 0,70 m2 oppervlakte per varken.

Uit vorenstaanded blijkt dat er in de gewichtsklasse 85 kg tot 110 kg maximaal 8 varkens per hok gehuisvest mogen zijn. Uit het navolgende overzicht blijkt dat er in de afdelingen 2, 3, 4, 5, 6, 7, 16, 17, 18, 19 en 20, in totaal 119 varkens teveel, in deze gewichtsklasse, zijn gehuisvest.

De gewichten van de varkens zijn door ons vastgesteld, door middel van schatting en in overleg met de bedrijfsleider.

Later hebben wij de vastgestelde gewichten nagerekend aan de hand van de groeigegevens welke door de bedrijfsleider ons ter beschikking zijn gesteld; uit deze berekening bleek onze schatting van de gewichten overeen te komen.

Tijdens het tellen van de varkens zagen wij dat er in een aantal afdelingen teveel varkens per hok aanwezig waren, zie onderstaand overzicht.

Uit dat overzicht blijkt, doordat er in 128 hokken een varken teveel wordt gehouden en in totaal 1241 (het hof leest: 1161) varkens niet over voldoende beschikbare oppervlakte per varken beschikken, zoals bedoeld in artikel 4, lid 1 van het Varkensbesluit."

- een door deze verbalisanten opgemaakt overzicht met betrekking tot onder meer het totaal aantal gehuisveste varkens met onvoldoende beschikbare ruimte.

- een proces-verbaal, inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik ben bedrijfsleider op de landbouwonderneining te [vestigingsplaats], [a-straat 1].

Normaal leg ik biggen op met negen biggen per hok. Ik begin vooraan met opzetten met negen per hok. Aan het einde van de ronde houd ik er over. Dan doe ik er tien in een hok."

8. In zijn arrest heeft het Hof de volgende bijzondere bewijsoverweging opgenomen:

"De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

In hoger beroep is van de zijde van de verdachte nog aangevoerd dat de Algemene Inspectiedienst in haar berekening de ruimte, in de stal onder de voederbakken ten onrechte niet heeft meegerekend. Aangezien door de wijze, waarop die voederbakken waren geplaatst, de onderhavige zeugen konden gaan liggen tegen die bakken of met de kop onder die voederbakken, behoorde de evenbedoelde ruimte tot de vrije ruimte als bedoeld in artikel 7 van het Varkensbesluit. Op die wijze beschouwd had elk varken de beschikking over de in dat artikel voorgeschreven lengte, zodat de verdachte van dit feit behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent, dat naar algemeen spraakgebruik als "vrije ruimte" als bedoeld in evengemeld artikel het gedeelte vanaf de voederbak, derhalve het gedeelte dat geheel buiten de voederbak valt, in aanmerking moet worden genomen.

Het verweer wordt mitsdien verworpen."

9. Art. 38 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren bepaalt:

"Bij algemene maatregel van bestuur worden voor bij die maatregel aangewezen categorieën van houders van dieren van bij die maatregel aangewezen soorten of categorieën van dieren regelen gesteld omtrent de verzorging, voedering, drenking, behandeling en het africhten van dieren."

Op deze bepaling is het Varkenbesluit gebaseerd, dat in art. 4 minimumnormen bevat voor de beschikbare ruimte voor (gebruiks)varkens.

10. Hoewel het feit volgens de tenlastelegging en de bewezenverklaring is begaan op of omstreeks 16 september 1998 is de onderhavige tenlastelegging - gezien de gehanteerde oppervlaktematen - kennelijk toegespitst op het bepaalde in art. 4 Varkensbesluit(2) zoals dit - voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang - luidde tot 1 september 1998:

"1. De voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten of zeugen bedraagt tenminste per varken met een gemiddeld gewicht:

a. tot 30 kg; 0,30 m2;

b. van 30 tot 50 kg: 0,50 m2;

c. van 50 tot 85 kg: 0,60 m2;

d. van 85 tot 110 kg: 0,70 m2;

e. van meer dan 110 kg: 1,00 m2.

2. (...)"

11. Sinds 1 september 1998 luidt art. 4 Varkensbesluit(3):

"1. De beschikbare oppervlakte van een stal bedraagt voor gelten of zeugen zonder biggen, die in een groep worden gehouden, tenminste per gelt of zeug 2,25 m².

2. De voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in een groep gehouden gelten of zeugen bedraagt tenminste per varken met een gemiddeld gewicht:

a. tot 30 kg: 0,4 m²;

b. van 30 tot 50 kg: 0,6 m²;

c. van 50 tot 85 kg: 0,8 m²;

d. van 85 kg tot en met 110 kg: 1,0 m²;

e. van meer dan 110 kg: 1,3 m²."

In deze bepaling is de oppervlakte-eis ten opzichte van het oorspronkelijke art. 4 Varkensbesluit uit overwegingen van dierenwelzijn(4) aangescherpt. Teneinde bestaande bedrijven te ontzien is in art. 19 Varkensbesluit een overgangsregeling opgenomen, die - voor zover hier van belang - luidde (van 1 september 1998 tot 1 april 1999(5)):

"3. De artikelen 4 en 5, tweede lid, zijn tot 1 januari 2008 niet van toepassing mits de gebruiker van de stal kan aantonen dat de stal vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in gebruik is genomen, dat de stal vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit voldoet aan de artikelen 4, eerste lid, en 5, tweede lid, van het Varkensbesluit zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit en dat die stal of de vloer van de stal na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit niet is verbouwd of herbouwd."

12. Het valt op dat de verbaliserende ambtenaren in de onderhavige zaak nog de oude normen - de normen geldend vóór 1 september 1998 - hebben gehanteerd en dat ook de steller van de tenlastelegging kennelijk is uitgegaan van de oude normen. Kennelijk en in het licht van de stukken niet onbegrijpelijk is een en ander gebaseerd op het hiervoor aangehaalde art. 19, derde lid, van het Varkensbesluit. Ik zal er hierna vanuit gaan dat art. 4 (oud) Varkensbesluit op de onderhavige varkenshouderij van toepassing is.

13. Ter terechtzitting van het Hof heeft verdachtes raadsman het volgende verweer gevoerd:

"Cliënt's varkens staan niet in te kleine hokken. Er wordt aan mijn cliënt ook slechts een klein stukje ruimtegebrek in de hokken verweten, hetgeen ook de reden is dat wij een en ander hebben laten nameten.

In de onderhavige zaak gaat het om artikel 4 tot en met 6 van het Varkensbesluit en niet om artikel 7, waarin het solitair liggen van varkens wordt geregeld.

Ik ben van mening dat de ruimte, die zich onder de voederbakken bevindt, dient te worden meegerekend bij de vrije ruimte, want het gaat om de ligruimte. Indien die ruimte wordt meegerekend dient cliënt te worden vrijgesproken."

14. Het Hof heeft een verweer van de raadsman over de uitleg van het in art. 4 Varkensbesluit vervatte begrip "beschikbare ruimte" opgevat als een verweer betreffende de uitleg van het begrip "vrije ruimte" als opgenomen in art. 7 Varkensbesluit. Het is aan het Hof om de inhoud van het verweer vast te stellen. Bij verschil tussen de inhoud van het verweer zoals het is beschreven in het arrest en in het proces-verbaal van de terechtzitting geeft de formulering van het verweer in het proces-verbaal van de terechtzitting de doorslag.(6) Zulks in aanmerking genomen is de vaststelling van de inhoud van het verweer in het arrest onbegrijpelijk. Ook anderszins is dat het geval. Zoals het Hof de inhoud van het verweer heeft vastgesteld gaat het geheel aan het bewezenverklaarde feit voorbij. De bewezenverklaring heeft immers niet van doen met een stal waarin gelten of zeugen aangebonden of in voederboxen worden gehouden waarvoor art. 7 Varkensbesluit een regeling voor de vrije ruimte behelst, maar heeft betrekking op de beschikbare ruimte voor (gebruiks)varkens, waarin art. 4 Varkensbesluit voorziet. Over de gevolgen van deze onbegrijpelijke vaststelling van het Hof kom ik verderop te spreken. Daarbij merk ik thans reeds op dat het Hof niet stilzwijgend aan het verweer kon voorbijgaan. Weliswaar betwist het verweer het bewijs van het tenlastegelegde, maar daar staat tegenover dat het verweer (mede) een rechtsvraag bevat, te weten wat dient te worden verstaan onder het begrip "beschikbare oppervlakte" als verwoord in art. 4 Varkensbesluit.(7)

15. Verdachte neemt in de onderhavige zaak de stelling in, dat bij de bepaling van de "beschikbare ruimte" in de zin van art. 4 Varkensbesluit de ruimte onder de voerbakken moet worden meegenomen. Ter terechtzitting van het Hof d.d. 21 november 2001 heeft verdachtes raadsman een tekening overgelegd van een voerbak. Daaruit begrijp ik dat de voerbak zich volgens verdachtes raadsman bevindt langs één zijde van het hok, en wel op een hoogte, gemeten tot de onderzijde van de bak, van 13 cm, en voorts dat de bak in dwarsdoorsnede niet rechthoekig is doch aan de zijde waar de varkens kunnen vreten een in de richting van de wand schuin naar beneden aflopende zijde heeft, en wel zo, dat de bak, die 15 cm hoog is, aan de bovenkant 50 cm breed is, aan de onderkant 25 cm. Het Hof heeft hieromtrent overigens niets vastgesteld omdat het Hof hier niet aan toe kwam.

16. De wetsgeschiedenis bevat geen aanwijzing voor de juistheid van de stelling van verdachtes raadsman dat onder "beschikbare ruimte" in de zin van art. 4 Varkensbesluit moet worden verstaan "beschikbare ligruimte". De Nota van toelichting op het oorspronkelijke varkensbesluit meldt alleen dat onder beschikbare ruimte wordt verstaan de netto-ruimte voor varkens.(8)

17. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 november 2002 heeft de Voorzitter van het Hof mondeling onder meer de inhoud medegedeeld van een naar aanleiding van 's Hofs terechtzitting in hoger beroep van 26 oktober 2001 door de Directie Juridische Zaken van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij naar het Ressortsparket gestuurde brief met bijlagen van 5 juli 2002. Deze brief houdt onder meer in:

"Ten behoeve van bovengenoemde zaak verzoekt u om nadere informatie aangaande de uitleg van artikel 4 van het Varkensbesluit. De verzochte informatie heeft specifiek betrekking op onderstaande vragen:

- Wat wordt bedoeld met de zinsnede "beschikbare oppervlakte" in artikel 4, eerste lid, van het Varkensbesluit? Welke ruimte mag worden aangemerkt als beschikbaar oppervlak?

(...)

Beschikbare oppervlakte - artikel 4 Varkensbesluit

In het Varkensbesluit worden verschillende termen gehanteerd, waar het gaat om de voorgeschreven ruimte voor varkens. Zo wordt in de artikelen 4 en 4a van het besluit de term beschikbare oppervlakte gebruikt, wordt in artikel 5 gesproken van de voor varkens beschikbare vloer en schrijft artikel 7 een vrije ruimte voor waarover elk varken moet kunnen beschikken.

In al deze artikelen wordt aan de voorgeschreven ruimte of oppervlakte verbonden dat deze voor de varkens beschikbaar dient te zijn. De term 'beschikbaar' impliceert dat varkens vrije toegang hebben tot de ruimte en dat zij zich in deze ruimte vrij kunnen bewegen. In de vrij beschikbare ruimte mogen derhalve geen obstakels aanwezig zijn die de vrije toegang tot de ruimte belemmeren of beperken.

In de nota van toelichting bij het Varkensbesluit (Stb 1994, 577) wordt bij de toelichting op artikel 7 het volgende gezegd over de betekenis van "vrije ruimte": "Deze twee meter betreft de werkelijk vrije ruimte waarover het varken moet kunnen beschikken. Met deze lengte wordt verzekerd dat elk varken zonder problemen kan liggen, rusten en opstaan zoals hoofdstuk 1, punt 8, van de bijlage bij richtlijn 91/630/EEG voorschrijft." Een voorbeeld van een obstakel dat een belemmering kan vormen in de in artikel 7 van het besluit voorgeschreven vrije ruimte, is een voedertrog die boven de vloer uitsteekt of die in de vloer is verzonken. Een dergelijke voedertrog vormt immers een belemmering voor het varken bij het liggen, rusten en opstaan. Pas indien een trog is opgehangen op een hoogte die het een varken mogelijk maakt om de kop onder de trog te steken, mag de ruimte onder de trog worden meegerekend bij het bepalen van de beschikbare ruimte of oppervlakte. Dit geldt echter alleen in de situatie van solitaire huisvesting van geIten of zeugen zonder biggen, waar artikel 7 van het besluit op ziet. Bij solitaire huisvesting kan het varken maar op een manier staan en liggen en het zal dus ook automatisch de ruimte onder de voedertrog benutten voor de kop en voorpoten.

Dit is in een groepshuisvesting echter niet het geval. Artikel 4, eerste lid, van het besluit heeft betrekking op groepshuisvesting van varkens. In een dergelijke huisvesting kunnen varkens zich draaien en door het hok bewegen en zullen zij niet uit zichzelf met de kop en de voorpoten onder de voedertrog gaan Liggen. Indien de varkens anders liggen, is de ruimte onder de voedertrog niet beschikbaar voor de varkens, aangezien de varkens deze ruimte slechts kunnen benutten door er met de kop en voorpoten onder te gaan liggen.

Onder de beschikbare oppervlakte, bedoeld in de artikelen 4 en 4a, van het Varkensbesluit moet derhalve worden verstaan de ruimte die voor varkens beschikbaar is en waarop de varkens zich vrij kunnen bewegen en zonder problemen kunnen liggen, rusten en opstaan. Het voorschrift van artikel 4, eerste lid, van het besluit dient te garanderen dat geIten of zeugen zonder biggen in een groepshuisvesting over voldoende ruimte beschikken en dat zij hierbij niet worden gehinderd of belemmerd door obstakels die in de ruimte zijn aangebracht. Tot de beschikbare oppervlakte mag derhalve niet worden gerekend de ruimte onder de voederbak aangezien de varkens niet vrij over deze ruimte kunnen beschikken."

18. Verdachtes raadsman heeft kennelijk geen aanleiding gezien de inhoud van deze brief te betwisten, in het bijzonder niet ten aanzien van hetgeen wordt gezegd van gedrag van varkens in een groepshok.

19. Gelet op de tekst van Varkensbesluit (Stb. 1994, 577) en de daarbij behorende Nota van Toelichting moet het er voor worden gehouden dat de wetgever bij de totstandkoming van het Varkensbesluit een onderscheid heeft willen maken tussen het huisvestingsregime van enerzijds de solitair gehuisveste varkens als bedoeld in art. 7 van het Varkensbesluit en anderzijds de groepsgewijs gehuisveste (gebruiks)varkens als bedoeld in art. 4 van het Varkensbesluit. Ten aanzien van solitair gehuisveste varkens wordt immers in art. 7 Varkensbesluit gesproken van "vrije ruimte", ten aanzien van in groepen gehuisveste varkens van "beschikbare oppervlakte" (art. 4 Varkensbesluit).

20. Reeds in 1994 werden in het Varkensbesluit hogere eisen gesteld aan de voor varkens beschikbare oppervlakte dan opgenomen in Richtlijn 630/91 EEG. Deze hogere eisen waren ingegeven door de behoefte het welzijn van de varkens te bevorderen.(9) Op die grond zijn de eisen per 1 september 1998 nog eens verscherpt.(10) Een en ander wijst er op dat de opvatting van de wetgever niet tendeert naar een uitleg van "beschikbare oppervlakte" waarbij ook oppervlakte die beperkt beschikbaar is, dus bijvoorbeeld alleen voor varkens wanneer deze liggen, onder "beschikbare oppervlakte" wordt begrepen.

21. Al het voorgaande in aanmerking nemende meen ik dat de uitleg die het Hof kennelijk heeft gegeven aan het begrip "beschikbare oppervlakte" als bedoeld in art. 4 Varkensbesluit, in welke betekenis dit begrip ook is opgenomen in de tenlastelegging, te weten dat de ruimte onder de voerbak niet tot de "beschikbare oppervlakte" moet worden gerekend en wel - zo begrijp ik het Hof - omdat onder "beschikbare oppervlakte" niet moet worden verstaan "beperkt beschikbare oppervlakte" geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

22. Gelet op het voorgaande heeft het Hof het verweer terecht verworpen, wat er verder ook zij van 's Hofs overwegingen terzake.

23. Hoewel, zoals ik hiervoor heb aangegeven, het Hof het verweer van verdachtes raadsman uitdrukkelijk en gemotiveerd had moeten verwerpen, vergt verdachtes belang te vernemen waarom dat verweer niet opgaat, na het voorgaande niet dat de zaak wordt vernietigd. De redenen waarom het verweer niet opgaat zijn immers hiervoor gegeven.

24. De middelen falen.

25. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte betoogd dat de ruimte onder de voerbakken tot de "beschikbare oppervlakte dient te worden gerekend, in het middel wordt geklaagd dat het Hof ten onrechte de oppervlakte onder het schuine deel van de voerbak niet tot de "beschikbare oppervlakte" heeft gerekend.

2 Deze bepaling is mede gericht op het voldoen aan de Richtlijn van 19 november 1991, 91/630 EEG, Publikatieblad nr. L 340/33. Zie blz. 10 en 11 van de Nota van toelichting op het Varkensbesluit (Besluit van 7 juli 1994, Stb. 577).

3 Besluit van 15 november 1997, Stb. 1998, 213. Richtlijnen tot wijziging van Richtlijn 91/630 EEG- Richtlijn van 23 oktober 2001, 2001/88/EG en Richtlijn van 9 november 2001, 2001/93/EG hebben niet geleid tot wijziging van de vereiste beschikbare ruimte per (gebruiks)varken.

4 Nota van toelichting, blz. 1, bij het besluit van 15 november 1997, Stb. 1998, 213.

5 Per 1 april 1999 is deze regeling nog verder versoepeld in die zin dat als peildatum wordt genomen 1 november 1998.

6 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, vierde druk, 1998, p. 79.

7 Zie o.a. HR 23 november 1999, NJ 2000, 587, m.nt. DHdJ en HR 6 maart 2001, NJ 2001, 295.

8 Nota van toelichting, blz. 9, bij het Besluit van 7 juli 1994, Stb 577.

9 Zie o.a. Kamerstukken II, 1996-1997, 25 448, nr. 1 en het Bulletin dierenwelzijn 2, onder 5, september 1997 (uitgave van het Ministerie van LNV, te kennen via www.minlnv.nl/dierenwelzijn ).

10 Reeds eerder al (brief van 10 juli 1997 aan de Tweede Kamer) kondigde de Minister van - toen nog - Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan dat aan het gedoogbeleid ten aanzien van naleving van het Varkensbesluit, gebaseerd op een Plan van Aanpak Varkensbesluit, de grondslag was komen te ontvallen en strikte handhaving van het Varkensbesluit zou worden hervat. De praktijk had namelijk geleerd dat het bedrijfsleven geen substantiële voortgang had geboekt bij het in genoemd Plan van Aanpak vervatte streven naar betere naleving van het Varkensbesluit. Zie over de handhaving van het Varkensbesluit ook de in het NJB (2003, blz. 1887) aangekondigde, bekroonde scriptie van Claartje van Drumpt 'De handhaving en de handhaafbaarheid van het varkensbesluit.'