Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AN9906

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-02-2004
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
02104/02
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AN9906
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring is onvoldoende met bewijsmiddelen onderbouwd. HR vernietigt n.a.v. cassatiemiddel onder verwijzing naar onderdeel van de conclusie A-G. (Vgl. HR 24-02-2004, 02105/02; HR vernietigt ambtshalve in de zaak van de medeverdachte met dezelfde cassatieadvocaat)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 129
NJ 2004, 478
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02104/02

Mr. Vellinga

Zitting: 9 december 2003

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, 2. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, 6 subs., 9 subs., 10 subs., 11 subs., 12 subs. en 16 subs., telkens het medeplegen van opzetheling, 14. Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en valse sleutels, en 17. Diefstal door twee of meer verenigde personen veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf.

Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toegewezen voor een bedrag van € 11.344,--. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest vermeld. Ook de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft het Hof toegewezen en wel voor een bedrag van € 1350,--. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest vermeld. De benadeelde partijen [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

Daarnaast heeft het Hof ten aanzien van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen de onttrekking aan het verkeer bevolen, de teruggave gelast aan rechthebbenden of de bewaring bevolen ten behoeve van de rechthebbenden, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Er bestaat samenhang met de zaak onder nummer 02105/02. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. P.M. van Russen Groen, advocaat te 's-Gravenhage, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat het onder 6 subsidiair bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan voortvloeien. Blijkens de toelichting houden de gebezigde bewijsmiddelen in dat de verdachte zelf de auto heeft gestolen, welk misdrijf aan een veroordeling wegens misdrijf in de weg staat.

5. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 6 subsidiair bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 14 juli 2000 t/m 7 september 2000 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, voorhanden heeft gehad een personenauto (Porsche 911, [AA-00-AA]), terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voormeld goed wist dat dit door enig misdrijf was verkregen;"

6. De gebezigde bewijsmiddelen komen er op neer dat de verdachte de Porsche bij een ander in een garagebox heeft zien staan, toen de ingeving kreeg dat die auto wel eens gestolen zou kunnen zijn, in de Telegraaf een advertentie waarin tipgeld voor deze auto werd aangeboden heeft zien staan en vervolgens de auto, waarvan hij de sleutels aantrof op een band, op een parkeerplaats heeft achtergelaten.

7. Vooropgesteld dient te worden dat het wederrechtelijk wegnemen van een auto die door een ander is weggenomen, diefstal oplevert.(1) Daarbij acht de Hoge Raad het niet van belang of het goed zich ten tijde van het wegnemen in de beschikkingsmacht van de eigenaar of andere rechthebbende bevond dan wel daaraan reeds was onttrokken.

8. De aard van heling is het begunstigen van een misdrijf van een ander.(2) Volgens vaste rechtspraak staat de omstandigheid dat iemand die een helingshandeling in de zin van art. 416, eerste lid, Sr begaat ten aanzien van een voorwerp dat hij zelf door enig misdrijf heeft verkregen aan een veroordeling wegens heling in de weg.(3)

9. Nu de gebezigde bewijsmiddelen impliceren dat de verdachte de auto heeft weggenomen van een ander en dus zelf de auto door enig misdrijf heeft verkregen, kan de verdachte niet veroordeeld worden voor heling.

10. Het middel slaagt.

11. Het tweede middel klaagt dat het onder 10 subsidiair bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan voortvloeien, omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte de genoemde goederen voorhanden heeft gehad. Volgens de toelichting houden de bewijsmiddelen in dat de goederen zich op twee locaties bevonden, maar niet dat de verdachte die goederen gebruikte of feitelijke zeggenschap had over die goederen.

12. Ten laste van de verdachte is onder 10 subsidiair bewezen verklaard dat:

"hij in de periode van 11 september 2000 t/m 8 november 2000 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, voorhanden heeft gehad goederen die zich hebben bevonden in een bestelauto, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voormelde goederen wist dat deze door enig misdrijf waren verkregen;"

13. De gebezigde bewijsmiddelen komen er op neer dat rond 11 september 2000 te Almere een Mercedes Vito is gestolen met daarin diverse goederen, welke goederen later bij huiszoekingen op de adressen [a-straat 1] te [plaats] en de [b-straat] te [plaats] zijn aangetroffen en nadien door de rechthebbende zijn herkend. Tevens zijn tot het bewijs gebezigd verklaringen van de verdachte die inhouden dat hij wel eens met [medeverdachte 3] aan de [b-straat] is geweest (bewijsmiddel 13), dat de loods aan de [a-straat] in gebruik was bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], dat [medeverdachte 2] een sleutel van die loods had en dat hij daar meestal met [medeverdachte 2] naar toe ging (bewijsmiddel 17). Verder behelzen de bewijsmiddelen een aantal goederenlijsten van de bij huiszoekingen inbeslaggenomen goederen.

14. In de toelichting op het middel wordt terecht geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte de in de bewezenverklaring genoemde goederen voor handen had. Bovendien houden deze bewijsmiddelen niets in omtrent de wetenschap van de verdachte over de herkomst van de goederen ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan. Evenmin houden die bewijsmiddelen iets in over de wetenschap van de mededaders.

15. Het middel slaagt.

16. Het derde middel bevat de klacht dat het onder 11 subsidiair bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan voortvloeien. Volgens de toelichting houden de bewijsmiddelen niet in dat de verdachte feitelijke zeggenschap had over de bij een huiszoeking aangetroffen goederen.

17. Ten laste van de verdachte is onder 11 subsidiair bewezen verklaard:

"hij in de periode van 16 september 2000 t/m 8 november 2000 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, voorhanden heeft gehad goederen die zich hebben bevonden in een bestelauto, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voormelde goederen wist dat deze door enig misdrijf waren verkregen;"

18. De gebezigde bewijsmiddelen komen er op neer dat rond 15 september 2000 te Veenendaal een Mercedes Sprinter is gestolen met daarin diverse goederen, welke goederen later bij een huiszoeking op het adres [a-straat 1] te [plaats] zijn aangetroffen. Tevens zijn tot het bewijs gebezigd verklaringen van de verdachte die inhouden dat de loods aan de [a-straat] in gebruik was bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], dat [medeverdachte 2] een sleutel van die loods had en dat hij daar meestal met [medeverdachte 2] naar toe ging (bewijsmiddel 35). Verder behelzen de bewijsmiddelen een tweetal goederenlijsten, namelijk één lijst van de door de aangever opgegeven gestolen goederen en één van de bij de huiszoeking inbeslaggenomen goederen.

19. In de toelichting op het middel wordt terecht geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte de in de bewezenverklaring genoemde goederen voor handen had. Bovendien houden deze bewijsmiddelen niets in omtrent de wetenschap van de verdachte over de herkomst van de goederen ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan. Evenmin houden die bewijsmiddelen iets in over de wetenschap van de mededaders.

20. Het middel slaagt.

21. Het vierde middel bevat de klacht dat het onder 12 subsidiair bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Ook hier houden volgens de toelichting de bewijsmiddelen niet in dat de verdachte feitelijke zeggenschap had over de bij een huiszoeking aangetroffen goederen.

22. Ten laste van de verdachte is onder 12 subsidiair bewezen verklaard:

"hij in de periode van 17 september 2000 t/m 8 november 2000 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, voorhanden heeft gehad goederen die zich hebben bevonden in een bestelauto, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voormelde goederen wist dat deze door enig misdrijf waren verkregen;"

23. De gebezigde bewijsmiddelen komen er op neer dat in de nacht van 17 op 18 september 2000 een Mercedes 110 CDI is gestolen met daarin diverse goederen, welke goederen later bij een huiszoeking op het adres [a-straat 1] te [plaats] zijn aangetroffen. Tevens zijn tot het bewijs gebezigd verklaringen van de verdachte die inhouden dat de loods aan de [a-straat] in gebruik was bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], dat [medeverdachte 2] een sleutel van die loods had en dat hij daar meestal met [medeverdachte 2] naar toe ging (bewijsmiddel 35). Verder behelzen de bewijsmiddelen een tweetal goederenlijsten, namelijk één lijst van de door de aangever opgegeven gestolen goederen en één van de bij de huiszoeking inbeslaggenomen goederen.

24. In de toelichting op het middel wordt terecht geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte de in de bewezenverklaring genoemde goederen voor handen had. Bovendien houden deze bewijsmiddelen niets in omtrent de wetenschap van de verdachte over de herkomst van de goederen ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan. Evenmin houden die bewijsmiddelen iets in over de wetenschap van de mededaders.

25. Het middel slaagt.

26. Het vijfde middel klaagt eveneens over de bewijsvoering en wel die, welke ten grondslag ligt aan het onder 16 subsidiair bewezenverklaarde. Ook hier houden volgens de toelichting de bewijsmiddelen niet in dat de verdachte feitelijke zeggenschap had over de bij een huiszoeking aangetroffen goederen.

27. Ten laste van de verdachte is onder 16 subsidiair bewezen verklaard dat:

"hij in de periode van 27 oktober 2000 t/m 8 november 2000 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen voorhanden heeft gehad een personenauto (BMW 840 CI, [BB-00-BB]), terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voormeld goed wist dat dit door enig misdrijf was verkregen;"

28. De gebezigde bewijsmiddelen komen er op neer dat in de nacht van 27 op 28 oktober 2000 een BMW 840 is gestolen die later bij een huiszoeking op het adres [a-straat 1] te [plaats] is aangetroffen. Tevens zijn tot het bewijs gebezigd verklaringen van de verdachte die inhouden dat de loods aan de [a-straat] in gebruik was bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], dat [medeverdachte 2] een sleutel van die loods had en dat hij daar meestal met [medeverdachte 2] naar toe ging (bewijsmiddel 35).

29. In de toelichting op het middel wordt terecht geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte de in de bewezenverklaring genoemde goederen voor handen had. Bovendien houden deze bewijsmiddelen niets in omtrent de wetenschap van de verdachte over de herkomst van de goederen ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan Evenmin houden die bewijsmiddelen iets in over de wetenschap van de mededaders.

30. Het middel slaagt.

31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 9 juli 2002, NJ 2002, 499.

2 Smidt III, p. 154, Verslag van de Tweede Kamer: "Het misdrijf der ontvreemding is voltooid en de heler zelf maakt zich niet schuldig aan een directe inbreuk op het vermogensregt van een ander. De regtschennis die hij pleegt is eene indirecte maatschappelijke, niet eene regtstreeksch persoonlijke."

3 Recentelijk HR 30 oktober 2001, NJ 2002, 218. Eerder HR 7 februari 1978, NJ 1978, 661; HR 31 maart 1987, NJ 1987, 796 en HR 27 september 1994, NJ 1995, 65.