Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AN9089

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2004
Datum publicatie
06-02-2004
Zaaknummer
C02/312HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AN9089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

6 februari 2004 Eerste Kamer Nr. C02/312HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. M.W. Scheltema, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 68
JWB 2004/50
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C02/312HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 28 nov. 2003

conclusie inzake

[de man]

tegen

[de vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. Inzet van dit cassatiegeding is de vraag of het Hof zich in zijn thans bestreden eindarrest terecht gebonden heeft geweten aan een in een tussenarrest gegeven, door het Hof als eindbeslissing aangemerkte beslissing.

2. Het gaat om het volgende. Tussen partijen, hierna: de man en de vrouw, is bij vonnis van 12 maart 1992 van de Rechtbank Leeuwarden de echtscheiding uitgesproken. In dit vonnis, dat op 15 mei 1992 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, is aan de man en de vrouw bevolen om over te gaan tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap met benoeming van een notaris om de scheiding en deling te bewerkstelligen. De man is tweemaal door de notaris opgeroepen voor een bespreking met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, doch de man heeft aan deze oproepen geen gehoor gegeven. Nadat de vrouw de man in kort geding had gedagvaard, heeft zij in oktober 1993 een bedrag van f 50.000,- van de man ontvangen.

3. Vervolgens heeft de vrouw bij dagvaarding van 16 december 1993 voor de Rechtbank Leeuwarden de onderhavige procedure tegen de man aanhangig gemaakt. Zij heeft gevorderd dat de Rechtbank de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap zal vaststellen en de wijze van verdeling daarvan zal bepalen en gelasten. Zij heeft daartoe gesteld dat scheiding en deling niet heeft plaatsgevonden en dat de man weigert daaraan mee te werken.

4. De man heeft de vordering van de vrouw bestreden. Hij heeft - voor zover thans in cassatie van belang - gesteld dat de verdeling reeds heeft plaatsgevonden op de wijze zoals weergegeven in een handgeschreven verklaring d.d. 11 maart 1992 door de man welke door de vrouw voor akkoord is getekend.

5. De vrouw heeft ontkend dat tussen partijen een overeenkomst van boedelscheiding tot stand is gekomen en heeft gesteld dat de verklaring d.d. 11 maart 1992 vals is. Voorts heeft de vrouw zich bij wege van vermeerdering van eis subsidiair, voor het geval mocht worden vastgesteld dat wel een overeenkomst van boedelscheiding tot stand is gekomen, op het standpunt gesteld dat zij heeft gedwaald omtrent de waarde van de te verdelen gemeenschap (in het bijzonder omtrent de waarde van de daartoe behorende assurantieportefeuille van de man) en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld bij de verdeling daarvan. Deswege heeft de vrouw subsidiair gevorderd dat de Rechtbank de overeenkomst van boedelscheiding zal vernietigen.

6. De man heeft tegen het subsidiaire standpunt van de vrouw (onder meer) aangevoerd dat tussen partijen overeenstemming bestond over de waarde van de vermogensbestanddelen van de gemeenschap en van de daartoe behorende assurantieportefeuille en dat de vrouw de verdeling heeft aanvaard, zodat haar, gelet op het bepaalde in art. 3:196 lid 4 BW, geen beroep op dwaling en vernietiging van de overeenkomst toekomt.

7. Nadat een bij tussenvonnis van 20 oktober 1994 door de Rechtbank gelaste comparitie van partijen had plaatsgevonden, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 17 mei 1995 de man toegelaten tot bewijs van (onder meer) zijn stelling dat de verdeling van de huwelijksgemeenschap tussen de man en de vrouw heeft plaatsgevonden.

8. De man is van het tussenvonnis van 17 mei 1995 in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden en had succes: bij arrest van 29 mei 1996 heeft het Hof het beroepen vonnis vernietigd en, opnieuw recht doende, de vrouw opgedragen te bewijzen dat de verklaring d.d. 10 maart 1992 vals is. Het Hof verwees de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar de Rechtbank.

9. Nadat getuigenverhoren hadden plaatsgevonden en een door de Rechtbank bij rolbeschikking van 25 september 1996 bevolen deskundigenbericht inzake de gestelde valsheid van de verklaring d.d. 10 maart 1992 was uitgebracht, heeft de Rechtbank

bij tussenvonnis van 19 november 1997 de vrouw geslaagd geacht in het haar opgedragen bewijs van de valsheid van de verklaring d.d. 10 maart 1992 en daaruit de conclusie getrokken dat het verweer van de man dat reeds een verdeling heeft plaatsgevonden, verworpen dient te worden. Alvorens verder te beslissen heeft de Rechtbank een deskundigenbericht gelast met betrekking tot de waarde van de gemeenschap en, meer concreet, de waarde van de daartoe behorende assurantieportefeuille van de man.

10. De man is van het tussenvonnis van 19 november 1997 in hoger beroep gegaan bij het Hof, doch tevergeefs: bij arrest van 20 januari 1999 heeft het Hof het beroepen vonnis bekrachtigd, zij het op andere dan door de Rechtbank gebezigde gronden, en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar de Rechtbank. Het Hof was - anders dan de Rechtbank - van oordeel dat de vrouw niet is geslaagd in het bewijs van de valsheid van de verklaring d.d. 10 maart 1992 en dat zij haar betwisting van de materiële inhoud daarvan onvoldoende heeft onderbouwd (r.o. 13). Het Hof heeft daarom geoordeeld dat de primaire vordering van de vrouw moet worden afgewezen (r.o. 16). Vervolgens heeft het Hof een onderzoek ingesteld naar de subsidiaire vordering van de vrouw (r.o. 17 e.v.). Dienaangaande overwoog het Hof onder meer:

"19. [De man] heeft tegen [de vrouw] subsidiaire standpunt op de eerste plaats aangevoerd dat tussen partijen overeenstemming bestond over de waarde van de vermogensbestanddelen van de gemeenschap en van de daartoe behorende assurantieportefeuille en dat de verdeling door [de vrouw] is aanvaard. Gelet op het bepaalde in art. 3:196 lid 4 komt [de vrouw] daarom volgens [de man] geen beroep op dwaling en vernietiging van de overeenkomst toe.

20. Het hof gaat aan dit verweer voorbij. [de man] heeft immers niet (gemotiveerd) gesteld dat [de vrouw] ten tijde van de overeenkomst reeds op de hoogte was van een eventueel hogere waarde van de assurantieportefeuille noch dat zij zich er van bewust was dat zij wellicht voor meer dan een vierde gedeelte werd benadeeld."

De stelling van de vrouw dat zij voor meer dan een vierde is benadeeld vindt volgens het Hof in de door de vrouw overgelegde vermogensopstelling per 31 december 1989 zodanige steun, dat een onderzoek door een deskundige naar de waarde van het gemeenschappelijk vermogen van partijen geboden is (r.o. 24), zodat de beslissing van de Rechtbank met betrekking tot het deskundigenbericht in stand dient te blijven (r.o. 26).

11. Nadat in mei 2000 een deskundigenbericht omtrent de waarde van het gemeenschappelijk vermogen van partijen was uitgebracht, heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 15 november 2000 het subsidiaire standpunt van de vrouw gegrond geoordeeld en deswege de boedelverdeling d.d. 10 maart 1992 vernietigd, de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen partijen vastgesteld, en vastgesteld dat de man terzake van overbedeling aan de vrouw per saldo nog een bedrag groot f 115.683,- verschuldigd is.

12. De man is van het eindvonnis van de Rechtbank in hoger beroep gegaan bij het Hof, doch tevergeefs: bij arrest van 28 augustus 2002 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd. Met betrekking tot de door de man aangevoerde grieven, die naar 's Hofs oordeel in de kern strekken ten betoge dat de vrouw bij de verdeling van de gemeenschap niet heeft gedwaald over de waarde van die gemeenschap, overwoog het Hof:

"3. In het op het hoger beroep van [de man] gewezen arrest van 20 januari 1999 heeft het hof reeds geoordeeld dat [de man] niet (gemotiveerd) heeft gesteld dat [de vrouw] ten tijde van de overeenkomst tussen partijen op de hoogte was van een eventueel hogere waarde van de assurantieportefeuille noch dat [de vrouw] er zich van bewust was dat zij wellicht voor meer dan een vierde gedeelte werd benadeeld. In verband daarmee heeft het hof het verweer van [de man] verworpen dat [de vrouw] op grond van het bepaalde in art. 3:196, lid 2 BW (bedoeld is kennelijk: art. 3:196 lid 4 BW, A-G) geen beroep op dwaling en vernietiging van de overeenkomst toekomt.

4. Nu tegen dat arrest niet in cassatie is opgekomen, is er sprake van een bindende eindbeslissing waaraan het hof gebonden is. Het hof tekent daarbij aan dat onder omstandigheden weliswaar een uitzondering geboden is op de leer van de bindende eindbeslissing (zie HR 5 januari 1996, NJ 1996, 597), doch zodanige omstandigheden zijn in casu niet gesteld of gebleken."

13. De man is tegen het eindarrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. De vrouw is in cassatie niet verschenen.

14. Het middel bevat twee klachten. De eerste klacht is gericht tegen het oordeel van het Hof - in r.o. 4 van het bestreden arrest - dat de in r.o. 20 van het tussenarrest van 20 januari 1999 door het Hof gegeven beslissing op het verweer van de man dat vrouw op grond van het bepaalde in art. 3:196 lid 4 BW geen beroep op dwaling en vernietiging van de overeenkomst toekomt, een bindende eindbeslissing is waaraan het Hof is gebonden. Het middel acht dit oordeel rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, omdat het Hof in r.o. 20 van het tussenarrest van 20 januari 1999 niet (uitdrukkelijk en zonder voorbehoud) aan enig geschilpunt tussen partijen een einde heeft gemaakt. De bedoelde r.o. 20 kan, zo betoogt het middel, immers niet anders worden begrepen dan dat het Hof slechts heeft geoordeeld dat de man onvoldoende heeft gesteld om het Hof de mogelijkheid te bieden over het verweer van de man een beslissing te geven. Nu de man in zijn memorie van grieven in het hoger beroep dat heeft geleid tot het eindarrest van 28 augustus 2002 zijn stelling alsnog heeft onderbouwd had het Hof daarom inhoudelijk dienen te beslissen op de stelling van de man, dan wel de man dienen toe te laten tot bewijs van die stelling, aldus het middel.

15. Voor zover de klacht strekt ten betoge dat het oordeel van het Hof - in r.o. 4 van het eindarrest - dat de beslissing van het Hof op het verweer van de man in r.o. 20 van het tussenarrest van 20 januari 1999 een eindbeslissing is, dat wil zeggen een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing, onjuist, althans onbegrijpelijk is, faalt het. Waar het oordeel van het Hof berust op uitleg van zijn tussenarrest, kan dat oordeel, feitelijk als het is, in cassatie op juistheid niet worden onderzocht. Zie bijv. HR 9 februari 1968, NJ 1968, 141 en HR 20 maart 1992, NJ 1992, 725 nt. PAS. Zie voorts Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 65, blz. 88. Dat oordeel is m.i. ook niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft in de bedoelde rechtsoverweging van het tussenarrest overwogen dat aan het op art. 3:196 lid 4 BW gebaseerde verweer van de man voorbij moet worden gegaan, omdat de man niet (gemotiveerd) heeft gesteld dat de vrouw ten tijde van de overeenkomst reeds op de hoogte was van een eventueel hogere waarde van de assurantieportefeuille noch dat zij zich er van bewust was dat zij wellicht voor meer dan een vierde gedeelte werd benadeeld. Dat het Hof deze overweging aldus heeft uitgelegd dat het verweer van de man uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is verworpen, valt ook zonder nadere motivering goed te begrijpen; voorbijgaan aan een verweer betekent in het in rechterlijke uitspraken gebruikelijke jargon dat het verweer wordt verworpen. De door het middel verdedigde uitleg - het Hof heeft geoordeeld dat de man onvoldoende heeft gesteld om thans reeds over het verweer te kunnen beslissen - ligt veel minder voor de hand. In ieder geval kan niet worden gezegd dat partijen de beslissing redelijkerwijze niet anders hebben kunnen begrijpen dan in de door het middel voorgestane zin.

16. Voor zover het middel wil betogen dat de in een tussenarrest opgenomen verwerping van een verweer op de grond dat onvoldoende is gesteld niet als een eindbeslissing kan worden aangemerkt omdat, indien in het processuele debat na het tussenarrest alsnog feiten en omstandigheden ter ondersteuning van het verweer worden gesteld, de rechter gehouden is deze alsnog aangevoerde feiten en omstandigheden te onderzoeken, faalt het evenzeer. Het middel verliest uit het oog dat de ratio van de regel dat de rechter is gebonden aan zijn eerdere eindbeslissingen in dezelfde instantie, nu juist de beperking van het processuele debat is. Vgl. HR 4 mei 1984, NJ 1985, 3 nt. WHH. De rechter is derhalve gehouden noch bevoegd om van zijn eerdere, in dezelfde instantie gegeven eindbeslissing terug te komen, ook niet indien de partijen (of één van hen) het debat over het desbetreffende geschilpunt in een latere fase van dezelfde instantie heropenen. Een uitzondering kan slechts in bijzondere gevallen worden aanvaard, zoals in het geval waarin sprake is van een evidente misslag van de rechter of in het geval waarin sprake blijkt te zijn van een onjuiste feitelijke grondslag zonder dat deze fout aan de belanghebbende partij kan worden toegerekend. Vgl. Snijders/Wendels, a.w., nrs. 69 en 70 en de aldaar vermelde rechtspraakgegevens. Dat een zodanig geval zich thans heeft voorgedaan, wordt door het middel niet gesteld en is ook niet aannemelijk.

17. De eerste klacht van het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

18. De tweede klacht van het middel is gericht tegen r.o. 6 van het bestreden arrest. De klacht bouwt voort op de eerste klacht en zal het lot daarvan moeten delen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,