Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AN8586

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-01-2004
Datum publicatie
16-03-2004
Zaaknummer
01749/03 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AN8586
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voor de vraag of klaagster (moeder van overleden slachtoffer, namens wie is gesteld dat haar zoon het inbeslaggenomen geld in het uitgaansleven heeft verdiend) als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv kan gelden en dientengevolge in het beklag kan worden ontvangen is niet beslissend of zij als eigenaar kan worden aangemerkt, maar of zij heeft gesteld eigenaar te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 179
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01749/03 B

Mr Wortel

Zitting:18 november 2003

Conclusie inzake:

[verzoekster=klaagster]

1. Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoekster niet-ontvankelijk is verklaard in een beklag strekkende tot teruggave aan verzoekster van een geldbedrag, inbeslaggenomen in een strafzaak tegen zekere [verdachte].

2. Namens verzoekster heeft mr J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, twee cassatiemiddelen voorgesteld.

3. Het procesverloop is, voor zover hier van belang en uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken valt af te leiden, als volgt geweest.

[Verdachte] is vervolgd wegens het doden van [het slachtoffer]. Het feit is begaan op 5 maart 2000 in de woning van [verdachte] te Amsterdam. Aldaar heeft de politie een grote hoeveelheid Italiaanse bankbiljetten aangetroffen.

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is bewezenverklaard dat [verdachte] de tenlastegelegde doodslag heeft begaan, en vervolgens geoordeeld dat hij ter zake niet strafbaar is wegens handelen in noodweerexces.

Reeds voordat de zaak tegen [verdachte] in hoger beroep zou worden behandeld heeft mr W.E. Kupers, advocaat te Amsterdam, zich bij brief van 23 juli 2002 tot de voorzitter van de strafkamer gewend met het verzoek de overdracht van het inbeslaggenomen geld aan [klaagster] te gelasten.

Daartoe voerde mr Kupers aan dat uit het dossier, en met name afgelegde verklaringen, valt af te leiden dat het inbeslaggenomen geld door de overleden [slachtoffer] was meegenomen, zodat hij "als houder van de gelden moet worden beschouwd". Daarom zou als uitgangspunt moeten dienen dat [het slachtoffer] bij leven rechthebbende op het geld is geweest, en het geld vervolgens in diens nalatenschap is gevallen. Bij de brief zijn afschriften van Italiaanse notariële stukken gevoegd, waaruit blijkt dat (nu twee andere nabestaanden afstand van hun erfdeel hebben gedaan) [klaagster] enige rechthebbende op de nalatenschap is.

In het op 13 augustus 2002 gewezen arrest waarbij [verdachte] van alle rechtsvervolging werd ontslagen is de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden gelast van (onder meer) de inbeslaggenomen Italiaanse bankbiljetten omdat ten aanzien daarvan geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, waarbij het Hof overwoog dat

"in het bijzonder ten aanzien van het inbeslaggenomen geld moet worden geoordeeld dat noch de verdachte noch de erfgena(a)m(en) van het slachtoffer [het slachtoffer] redelijkerwijs als rechthebbende kunnen worden aangemerkt."

4. Vervolgens heeft mr Kupers namens [klaagster], hierna te noemen: verzoekster, een klaagschrift bij het Gerechtshof ingediend met dezelfde strekking als de bovengenoemde brief van 23 juli 2002. In het klaagschrift is voorts gesteld dat, nu het houderschap van [het slachtoffer], de overleden zoon van verzoekster, onweersproken is gebleven, op grond van art. 3: 109 BW aangenomen moet worden dat hij het geld voor zichzelf hield, en op grond van art. 3: 119, eerste lid, BW moet worden aangenomen dat [het slachtoffer] als houder en bezitter van het inbeslaggenomen geld de rechthebbende daarvan is geweest, zodat het geld bij zijn overlijden in diens nalatenschap is gevallen en verzoekster daarop thans (als enige) aanspraak kan maken.

5. Blijkens het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in openbare raadkamer heeft Mr Kupers aldaar betoogd:

"Het beklag is toegespitst op de regeling in het Burgerlijk Wetboek. Mijn cliënt is rechthebbende omdat zij treedt in de rechten van haar overleden zoon. Hij was houder van het geld. Artikel 3:109 BW zegt dat de houder van een goed wordt vermoed dit voor zichzelf te houden en artikel 3: 119 BW zegt dat de bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn. De zoon van klaagster is met het geld naar Nederland gekomen; hij had dit geld verdiend in het uitgaansleven. Dit laatste heb ik getracht te onderbouwen, maar dat is niet mogelijk gebleken.

Uit het dossier blijkt niet dat er een maatschappelijk belang is, dat zich tegen teruggave van het geld zou verzetten."

6. In de bestreden beschikking is overwogen:

"Uit het dossier van de strafzaak en bij het onderzoek in raadkamer is genoegzaam gebleken dat op het moment waarop het slachtoffer [het slachtoffer] overleed, het inbeslaggenomen geld niet zijn eigendom was en dat [het slachtoffer] toen ook anderszins niet redelijkerwijs als rechthebbende kon worden aangemerkt. [Het slachtoffer] was slechts houder van het geld voor degenen die hem opdracht hebben gegeven tot het kopen van drugs en het betalen van een prijs, en als zodanig geen belanghebbende in de zin van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering.

De erfgena(a)m(en), onder wie verzoekster, tredend in de rechten van [het slachtoffer], kunnen om die reden evenmin als belanghebbende(n) worden aangemerkt.

Verzoekster kan derhalve niet worden ontvangen in het verzoek.

Overigens verdient nog vermelding dat in het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 augustus 2002 in de strafzaak tegen [verdachte] het volgende is overwogen:

Met betrekking tot de overige inbeslaggenomen voorwerpen genoemd in de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu ten aanzien van deze voorwerpen thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt en in het bijzonder ten aanzien van het inbeslaggenomen geld moet worden geoordeeld dat noch de verdachte noch de erfgena(a)m(en) van het slachtoffer [het slachtoffer] redelijkerwijs als rechthebbende kunnen worden aangemerkt."

7. Het eerste middel keert zich tegen het oordeel dat verzoekster niet als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv is aan te merken. Er wordt op gewezen dat in de rechtspraak is uitgemaakt (vgl HR DD 96.027, in de toelichting op het middel wordt ook HR NJ 1998, 575 genoemd, maar die beschikking betreft een andere kwestie) dat degene die stelt eigenaar van inbeslaggenomen voorwerpen te zijn reeds op grond van die stelling als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv moet worden beschouwd.

Voorts wordt betoogd dat hetgeen in het klaagschrift en tijdens de behandeling in raadkamer namens verzoekster naar voren is gebracht de stelling impliceert dat de om het leven gekomen zoon van verzoekster eigenaar van het inbeslaggenomen geld is geweest.

8. Het tweede middel is gericht tegen het oordeel dat het geld geen eigendom van [het slachtoffer] is geweest, en dat deze persoon ook anderszins niet redelijkerwijs als rechthebbende was aan te merken. Hiertegen wordt ten eerste aangevoerd dat het Hof niet heeft gereageerd op het namens verzoekster gevoerde verweer (bedoeld moet zijn: de namens verzoekster betrokken stelling) dat, nu [het slachtoffer] houder van het geld is geweest, hij moet worden vermoed dat geld voor zichzelf te hebben gehouden en hij krachtens art. 3: 119 BW moet worden vermoed rechthebbende te zijn geweest. Bovendien zou het Hof ten onrechte hebben verwezen naar het dossier en het onderzoek in raadkamer, omdat in ieder geval uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer niet blijkt dat het geld geen eigendom van [het slachtoffer] is geweest, en het dossier betreffende de strafzaak in deze beklagprocedure grotendeels aan de waarneming is onttrokken.

9. Het komt mij voor dat de middelen een samenhang vertonen die hen geschikt maakt voor gezamenlijke bespreking.

Deze zaak kent enkele eigenaardigheden. Het valt op dat in het klaagschrift niet is gesteld dat het inbeslaggenomen geld [het slachtoffer] toebehoorde. Nadrukkelijk is diens gerechtigdheid tot dat geld in het klaagschrift geconstrueerd langs de lijn van houderschap, in verband met het bepaalde in art. 3: 109 BW. De steller van het middel wil die in het klaagschrift gekozen formulering aldus verklaren dat de advocaat de termen 'houder' en 'bezitter' kennelijk uitsluitend heeft gebezigd ten betoge dat verzoekster rechthebbende is. In het bijzonder zou deze woordkeus aansluiten bij het criterium waarlangs bepaald moet worden of inbeslaggenomen voorwerpen aan een klager teruggegeven moeten worden, te weten de vraag of die teruggave (op het eerste gezicht) "redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is". Nu verzoekster niet het rechtstreekse bewijs kon leveren dat [het slachtoffer] eigenaar van het geld is geweest moet, aldus de toelichting op het middel, op grond van het houderschap en de gevolgen die het burgerlijk recht daaraan verbindt worden beoordeeld of de overledene, en thans zijn enige erfgenaam, rechthebbende is.

10. Hierin kan ik de steller van het middel niet volgen. Zo verzoekster en haar advocaat van mening waren dat [het slachtoffer] naar Nederland is gekomen met een aanzienljk bedrag aan geld dat hem in eigendom toebehoorde, zou verwacht mogen worden dat die eigendom ook met zoveel woorden was gesteld. Waarom de onmogelijkheid rechtstreeks bewijs bij te brengen er aan in de weg zou staan het klaagschrift te gronden op de stelling dat het geld [het slachtoffer] in eigendom toebehoorde, en er toe zou nopen de grondslag van het verzoek om teruggave te beperken tot de gevolgen van houderschap, vermag ik niet goed in te zien.

Het komt mij voor dat het Hof het klaagschrift op de meest voor de hand liggende wijze mocht uitleggen, en aldus verstaan dat het uitsluitend stoelde op de stelling dat de enkele omstandigheid dat [het slachtoffer] het geld onder zich had gehad, zodat hij als houder van het geld aangemerkt diende te worden, overeenkomstig art. 3: 109 BW het vermoeden oplevert dat hij het geld voor zichzelf hield.

11. Het valt niet te ontkennen dat verzoeksters advocaat bij zijn in raadkamer gegeven toelichting op het klaagschrift een opmerking heeft gemaakt die wèl duidelijk impliceert dat het geld [het slachtoffer] toebehoorde. Dat is de mededeling dat [het slachtoffer] het geld in het uitgaansleven had verdiend, welke stelling niet te onderbouwen bleek.

12. Mij komt het voor dat het in (onder meer) HR DD 96.027 neergelegde uitgangspunt dat degene die stelt eigenaar te zijn als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv aangemerkt dient te worden de rechter enige vrijheid laat om te bepalen dat de eigendomspretentie in die mate ongeloofwaardig is dat daaraan voorbijgegaan moet worden. Voorts meen ik dat het er voor gehouden kan worden dat het Hof de hier bedoelde mededeling op die grond heeft gepasseerd. Dat is naar mijn inzicht niet onbegrijpelijk. Als ik geen optelfouten heb gemaakt gaat het om een inbeslaggenomen bedrag van 156.733.700 Italiaanse Lires. Naar de destijds bestaande wisselkoers kwam dat neer op ruim 178.000 Nederlandse guldens. De stelling dat iemand een dergelijk bedrag 'in het uitgaansleven' heeft verdiend (en dat vervolgens bij een reis naar het buitenland in contanten bij zich houdt) behoeft ook naar mijn inzicht een wel zeer gedegen onderbouwing om geloofwaardig genoemd te kunnen worden.

13. Daarbij voegt zich dat het Hof de op het klaagschrift gegeven toelichting diende te bezien in het licht van hetgeen uit de stukken bekend kon zijn. Op grond daarvan heeft het Hof vastgesteld dat [het slachtoffer] het geld voor anderen onder zich had, teneinde in hun opdracht drugs te kopen en daarvoor te betalen. Die vaststelling maakt het des te begrijpelijker dat het Hof in de in raadkamer gegeven toelichting op het klaagschrift geen aanleiding heeft gezien verzoekster als belanghebbende aan te merken.

14. Met name het tweede middel raakt aan een ander opvallend aspect van deze zaak. Terecht wordt opgemerkt dat uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer niet blijkt dat aldaar aan de orde is geweest dat het inbeslaggenomen geld toebehoorde aan anderen dan [het slachtoffer], en dat deze het geld bij zich had om in opdracht van die anderen voor de aankoop van drugs te betalen. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken geven daaromtrent evenmin volledig uitsluitsel. Wèl bevindt zich daarbij het in de strafzaak tegen [verdachte] gewezen arrest, en in de daarin opgenomen overwegingen (uitmondend in het oordeel dat deze persoon in noodweer-exces heeft gehandeld) is in ieder geval vastgesteld dat tussen het slachtoffer [het slachtoffer] en [verdachte] ruzie is ontstaan nadat, naar laatstgenoemde in hoger beroep verklaarde, [het slachtoffer] was gekomen om een eerder geleverde partij verdovende middelen te betalen.

15. Ik meen de aan de Hoge Raad toegezonden stukken grondig doorgenomen te hebben, maar de enige andere relevante aanwijzingen trof ik in een verklaring die [verdachte] heeft afgelegd tijdens een op 12 september 2000 in eerste aanleg gehouden terechtzitting:

"Ik wil nog wel het volgende vertellen over de contacten met [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] en ik deden samen zaken. Hij zou bij mij iets kopen. Maar toen hij bij mij kwam had hij maar ongeveer Fl. 200.000,= in Italiaanse lires bij zich. Ik heb toen tegen hem gezegd dat we op die wijze geen zaken met elkaar doen. Hij antwoordde toen het volgende: "Wat denk je wel, ik kom helemaal uit Italië". Op dat moment pakte hij het wapen en richtte het op mij. Hij was in de veronderstelling dat ik alle spullen thuis had. Dat was niet zo. Als hij genoeg geld zou hebben, dan zou ik de spullen nog op gaan halen. De aflevering zou dan wel dezelfde avond plaatsvinden (...)"

en een verklaring van [verdachte], op 6 maart 2000 afgelegd in het opsporingsonderzoek:

"Het is een totaal uit de hand gelopen ruzie.

Het zou een transactie zijn tussen mij en [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] zou mij fl 300.000,= geven voor onze transactie. Waarover onze transactie ging wil ik u niet zeggen. (...) [Betrokkene 1] zei tegen mij dat hij maar ongeveer fl 220.000,= bij zich had. Wij begonnen het geld te tellen, op de bank. Tijdens het tellen kregen wij ruzie. Ik werd namelijk boos omdat [betrokkene 1] niet het hele bedrag bij zich had (...)"

16. Op grond van de door het Hof ingezonden stukken kan zodoende wel worden nagegaan dat op begrijpelijke wijze is vastgesteld dat het inbeslaggenomen geld bestemd was voor een betaling, en - mede gelet op de omvang van het bedrag - dat die betaling betrekking had op de levering van drugs, maar er kan niet volledig worden onderzocht of ook de vaststelling dat het geld aan anderen dan [het slachtoffer] toebehoorde begrijpelijk te noemen is.

Dat is een gebrek. Ik meen evenwel dat dit gebrek niet tot cassatie behoeft te leiden. Opmerking verdient dat twee van de leden van de kamer die de nu bestreden beschikking hebben gewezen ook het arrest in de strafzaak tegen [verdachte] hebben gewezen. Er kan derhalve vanuit gegaan worden dat het oordeel dat [het slachtoffer] het inbeslaggenomen geld niet voor zichzelf maar voor anderen hield berust op een gedegen inzicht in de stukken. Daarom kan ook worden aangenomen dat vernietiging en verwijzing er slechts in zou resulteren dat dezelfde beslissing opnieuw wordt genomen, maar dan met een toereikende vermelding van de gegevens waaruit kan blijken dat het inbeslaggenomen geld niet aan [het slachtoffer] toebehoorde.

17. Naar mijn inzicht kunnen de middelen derhalve niet tot cassatie leiden.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,