Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AN8288

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-2004
Datum publicatie
09-01-2004
Zaaknummer
R03/052HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AN8288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

9 januari 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/052HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. D. Rijpma, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink. 1. Het geding in feitelijke instanties ...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 4
JWB 2004/5
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr.: R03/052 HR

Mr. D.W.F. Verkade

Parket 11 november 2003

Conclusie inzake:

[de man] (de man)

tegen

[de vrouw] (de vrouw)

1. Inleiding

In de onderhavige zaak, waarin wijziging van een tussen partijen overeengekomen alimentatiebetaling wordt gevorderd, gaat het om de uitleg die het hof heeft gegeven aan een door partijen in 1997 gesloten echtscheidingsconvenant.

2. Feiten(1) en procesverloop

2.1. Verzoeker tot cassatie, de man, en de vrouw zijn in 1974 met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is op 18 april 1994 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 23 maart 1994 in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben op 1 februari 1994 een echtscheidingsconvenant gesloten. In de beschikking van de rechtbank is dit convenant opgenomen, medebrengend dat de man aan de vrouw een alimentatie van f. 4.000,-- per maand dient te betalen.

2.2. Op 10 januari 1996 heeft de man de rechtbank verzocht om die beschikking te wijzigen en de alimentatie met ingang van 10 januari 1996 vast te stellen op f. 1.810,-- per maand. De rechtbank heeft bij beschikking van 4 juni 1996 het verzoek afgewezen.

2.3. De man heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. In juli/augustus 1997 hebben partijen wederom een echtscheidingsconvenant gesloten. Bij beschikking van 24 oktober 1997 heeft het gerechtshof, overeenkomstig het convenant, de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie bepaald op f. 2.900,-- per maand, met ingang van 1 januari 1997.

2.4. Op 21 juni 2001 heeft de man de rechtbank te 's-Gravenhage verzocht - met wijziging van de beschikking van het gerechtshof van 24 oktober 1997 en uitvoerbaar bij voorraad - de aan de vrouw te betalen alimentatie ten laste van de man, met ingang van 1 januari 2000, vast te stellen op nihil.

De vrouw voerde verweer.

Bij beschikking van 15 januari 2002 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage het verzoek van de man afgewezen. De rechtbank bepaalde hierbij dat de echtgenoten de eigen proceskosten dragen.

2.5. De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend. Bij beschikking van 29 januari 2003 vernietigde het hof de beschikking van de rechtbank voorzover het de proceskosten betreft en veroordeelde de man in de kosten van beide instanties. Voor het overige bekrachtigde het hof de bestreden beschikking.

2.6. Tegen deze beschikking heeft de man, tijdig(2), beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend dat op 23 mei 2003 bij de Hoge Raad is ingekomen.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1. Het middel keert zich tegen r.ovv. 5 en 6. Hierin overwoog het hof:

'5. Het hof overweegt omtrent de behoefte van de vrouw als volgt. In respectievelijk 1994 en 1997 hebben partijen een echtscheidingsconvenant gesloten. In het echtscheidingsconvenant van 1997 zijn partijen overeengekomen dat tegenover de toedeling van het huis en de te betalen alimentatie van f. 2.900,--, per maand, die de oudedagsvoorziening van de vrouw vormen, de vrouw geen aanspraak kan maken op het door de man opgebouwde ouderdomspensioen. De vrouw ontvangt een vaste alimentatie tegenover het vervallen van haar pensioenaanspraken. Voor de vrouw is immers blijkens het laatstgenoemde convenant de voormalig echtelijke woning haar pensioenvoorziening. Naar het oordeel van het hof is het - tijdens het sluiten van het convenant - de bedoeling van partijen geweest een complete, vrijwel onaantastbare regeling te treffen. Onder punt D van het convenant uit 1997 staat dan ook specifiek aangegeven wanneer de alimentatieverplichting van de man zou komen te vervallen:

a. bij diens overlijden;

b. bij het overlijden van de vrouw;

c. zodra de vrouw hertrouwt of gaat samenwonen met een andere man, waarbij onder samenwonen wordt verstaan een periode van tenminste 3 maanden gedurende tenminste 4 dagen per week op hetzelfde adres woonachtig zijn.

Het hof is van oordeel dat [zich] ten opzichte van het convenant uit 1997 geen wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 BW heeft voorgedaan. Ten overvloede overweegt het hof dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij haar werkzaamheden zal uitbreiden, mede gelet op de leeftijd van de vrouw (56 jaar) en het feit dat de vrouw gedurende het huwelijk (20 jaar) niet in haar eigen levensonderhoud heeft voorzien. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de vrouw derhalve nog steeds behoefte heeft aan de tussen partijen overeengekomen alimentatie vermeerderd met de sedertdien van toepassing zijnde wettelijke indexering.

6. De vrouw heeft in haar verweerschrift verzocht de man te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en de onderhavige beroepsprocedure. De man heeft geen relevante feiten en omstandigheden aangegeven die afwijken van hetgeen partijen naar lang onderhandelen met elkaar zijn overeengekomen ten aanzien van de alimentatie. Derhalve acht het hof het redelijk en billijk om de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, welke procedure naar het oordeel van het hof nodeloos is ingesteld. Het hof leest in punt 12 van het verweerschrift in hoger beroep van de vrouw een door de vrouw opgeworpen incidentele grief tegen de kostenveroordeling in eerste aanleg. Op grond van het vorenoverwogene met betrekking tot de kostenveroordeling in hoger beroep is het hof eveneens van oordeel dat ook de kosten in eerste aanleg ten laste van de man dienen te komen.'

3.2. De eerste en de tweede klacht lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De eerste klacht keert zich tegen het in rov. 5 gegeven oordeel van het hof, dat de vrouw een vaste alimentatie ontvangt tegenover het vervallen van haar pensioenaanspraken en partijen hebben beoogd een complete, vrijwel onaantastbare regeling te treffen. De klacht betoogt dat het hof hiermee heeft miskend dat het onderhavige echtscheidingsconvenant geen 'niet-wijzigingsbeding' in de zin van art. 1:159 jo. 158 BW bevat, voor welk beding art. 1:159 lid 1 BW de schriftelijke vorm voorschrijft.

De tweede klacht houdt, zakelijk weergegeven, in, dat het hof ten onrechte, voor de beantwoording van de vraag of een echtscheidingsconvenant een beding van niet-wijziging bevat, de Haviltex-maatstaf heeft gehanteerd. In dat geval heeft het hof tenminste miskend dat zo'n beding uitdrukkelijk en eensluidend door partijen moet zijn overeengekomen (verklaard), althans heeft het hof zijn oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd, aldus de klacht.

3.3. De klachten moeten worden beoordeeld tegen de volgende achtergrond. Partijen kunnen bij overeenkomst regelen of, en zo ja tot welk bedrag, de ene partij jegens de andere partij tot alimentatie zal zijn gehouden (art. 1:158 BW). Voor deze overeenkomst gelden geen vormvereisten.(3) Het betreft een gewone overeenkomst, waarop het algemene overeenkomstenrecht van toepassing is.(4) De uitleg van het echtscheidingsconvenant is voorbehouden aan de feitenrechter, welke uitleg in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst.(5) Indien een alimentatieovereenkomst is vastgelegd in een rechterlijke uitspraak, moet in beginsel worden aangenomen dat die veroordeling geen verdere strekking heeft dan om de partij ten behoeve van wie de veroordeling is uitgesproken een executoriale titel te verschaffen teneinde zonodig de nakoming in zoverre van de overeenkomst in rechte af te dwingen.(6)

3.4. Een overeenkomst als bedoeld in art. 1:158 BW kan bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd, wanneer:

a) zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven (draagkracht en behoefte) te voldoen (art. 1:401 lid 1 BW). Deze wijzigingsmogelijkheid geldt niet voor een overeengekomen termijn, tenzij partijen de mogelijkheid van wijziging van de termijn schriftelijk zijn overeengekomen (art. 1:401 lid 1 jo. lid 3 BW);

b) wanneer op grond van zo ingrijpende wijziging van omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de ongewijzigde handhaving van een overeengekomen termijn niet van de verzoeker kan worden gevergd. Deze wijziging van de termijn vereist een verzoek van een der echtgenoten (art. 1:401 lid 2 BW);

c) de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (1:401 lid 5 BW).

De voor de vaststelling van een uitkering voor levensonderhoud geldende maatstaven (behoefte en draagkracht) zijn neergelegd in art. 1:397 BW. Ook niet-financiële factoren kunnen bij die vaststelling een rol spelen.(7)

3.5. Partijen kunnen overeenkomen dat de in art. 1:158 BW bedoelde overeenkomst niet bij rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd wegens wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:401 lid 1 BW. Voor zo'n beding eist art. 1:159 lid 1 BW de schriftelijke vorm. Zulke bedingen vormen een logisch complement op bij alimentatieovereenkomst gemaakte afspraken die een definitieve regeling beogen. Met zulke afspraken laat zich een wijzing wegens gewijzigde omstandigheden niet goed verenigen.(8)

Niettegenstaande het beding, blijft mogelijk dat de rechter op verzoek van een der partijen de overeenkomst wijzigt op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan het beding kan worden gehouden (1:159 lid 3 BW).

3.6. Wanneer partijen bij de overeenkomst bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, geldt dat:

'de rechter slechts tot een wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud zal mogen overgaan, indien de verzoeker stelt en de rechter aannemelijk oordeelt dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de wederpartij, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Gezien de aan echtgenoten toekomende vrijheid de financiële gevolgen van hun echtscheiding zelf te regelen, zal de rechter zowel bij zijn oordeel of aan deze voorwaarde is voldaan als, zo dit het geval is, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot wijziging van de omtrent het levensonderhoud getroffen regeling, terughoudendheid moeten betrachten. Dit brengt mee dat hij bij een eventuele wijziging van de uitkering tot levensonderhoud zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij wat partijen bij hun overeenkomst voor ogen stond, waarbij hij mede zal dienen te letten op het verband dat kan zijn beoogd tussen de regeling betreffende het levensonderhoud en eventuele door partijen getroffen regelingen van andere aard.'(9)

In zo'n geval is een beding van niet-wijziging dan ook niet zinvol, omdat ook zonder zo'n beding wijziging op grond van art. 1:401 lid 1 BW onmogelijk is.(10)

3.7. Zowel de situatie waarin partijen schriftelijk een beding van niet-wijziging zijn overeengekomen, als de situatie waarin partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, wordt dus beoordeeld (in het tweede geval: naar analogie) aan de hand van de maatstaf van art. 1:159 lid 3 BW. Daardoor is in beide gevallen een wijziging door de rechter alleen mogelijk op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.

3.8. De vraag die in de onderhavige zaak eerst moet worden beantwoord, is welke van de twee situaties - een bewust afwijken van de wettelijke maatstaven, of een overeengekomen beding van niet-wijziging - het hof ten aanzien van het onderhavige convenant heeft vastgesteld.

Uit de overweging van het hof, dat de toedeling van het huis en de te betalen alimentatie van f. 2.900 per maand de oudedagsvoorziening van de vrouw vormen, waartegenover zij afstand heeft gedaan van haar pensioenaanspraken jegens de man, alsmede zijn overweging dat partijen uitdrukkelijk de beëindigingsgronden in de overeenkomst hebben opgenomen (rov. 5), volgt m.i. dat het hof heeft vastgesteld dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven.

Bij die vaststelling geldt voor wijziging dus nog slechts de maatstaf van art. 1:159 lid 3 BW en niet langer die van art. 1:401 lid 1 BW. Dat het hof in rov. 5 toch naar die laatste maatstaf verwijst, moet, gelet op de daaropvolgende (ten overvloede gegeven) overweging omtrent hetgeen van de vrouw kan worden gevergd, m.i. (eveneens) worden begrepen als een overweging ten overvloede. De man had immers een beroep gedaan op een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW, waarbij zijn stellingen in hoger beroep uitsluitend nog de behoefte van de vrouw betroffen.(11) In het, ten overvloede gegeven, oordeel van het hof dat deze stellingen geen wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW opleverden, ligt het oordeel besloten dat (al helemaal) geen sprake was van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in 1:159 lid 3 BW.

3.9. Tegen deze achtergrond missen de eerste twee klachten feitelijke grondslag, omdat het hof zijn oordeel dat de overeenkomst niet kan worden gewijzigd, niet heeft gebaseerd op de aanwezigheid van een beding van niet-wijziging, maar op de genoemde (feitelijke en niet onbegrijpelijke) vaststelling dat partijen bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.

3.10. De derde klacht acht onbegrijpelijk de overweging van het hof dat de vrouw een vaste alimentatie ontvangt tegenover het vervallen van haar pensioenaanspraken, alsmede 's hofs oordeel dat partijen hebben bedoeld een complete, vrijwel onaantastbare regeling te treffen. Volgens het onderdeel volstaat daartoe niet de overweging dat blijkens het convenant de voormalige echtelijke woning de pensioenvoorziening vormt. Evenmin voldoende is de verwijzing van het hof naar punt D van de overeenkomst, waarin het einde van de alimentatieplicht is geregeld en niets is bepaald omtrent de wijziging van die verplichting wegens gewijzigde omstandigheden.

3.11. De klacht richt zich aldus met motiveringsbezwaren tegen de door het hof gegeven (feitelijke) uitleg van het convenant. Het hof overwoog:

'In het echtscheidingsconvenant van 1997 zijn partijen overeengekomen dat tegenover de toedeling van het huis en de te betalen alimentatie van f. 2.900,--, per maand, die de oudedagsvoorziening van de vrouw vormen, de vrouw geen aanspraak kan maken op het door de man opgebouwde ouderdomspensioen. De vrouw ontvangt een vaste alimentatie tegenover het vervallen van haar pensioenaanspraken. Voor de vrouw is immers blijkens het laatstgenoemde convenant de voormalig echtelijke woning haar pensioenvoorziening.'

3.12. Het echtscheidingsconvenant bepaalt onder B.4:

'De alimentatie blijft doorlopen tot 1 december 2009. Daarna stopt de alimentatie niet zonder meer; de hoogte zal echter opnieuw bezien moeten worden;'

en onder C:

'Tegenover de toedeling van het huis en de te betalen alimentatie van f. 2.900,-- per maand, die de oudedagsvoorziening van de vrouw vormen, maakt de vrouw geen aanspraak op het door de man opgebouwde ouderdomspensioen.'

En onder D:

'De alimentatieverplichting van de man vervalt:

a. bij diens overlijden;

b. bij het overlijden van de vrouw;

c. zodra de vrouw hertrouwt of gaat samenwonen met een andere man, waarbij onder samenwonen wordt verstaan een periode van tenminste 3 maanden gedurende tenminste 4 dagen per week op hetzelfde adres woonachtig zijn.'(12)

3.13. De klacht voert een tweetal omstandigheden aan - dat de woning de oudedagsvoorziening vormt, alsmede de onder D genoemde eindigingsgronden - die volgens de klacht, afzonderlijk genomen, onvoldoende motivering zijn voor de oordelen: dat de vrouw een vaste alimentatie ontvangt tegen het vervallen van haar pensioenaanspraken, en dat partijen een vrijwel onaantastbare regeling beoogden.

De klacht faalt aldus reeds bij gemis aan feitelijke grondslag, omdat het hof de twee in de klacht genoemde omstandigheden niet als zelfstandig dragende ('voldoende') motivering voor de bestreden oordelen heeft opgevoerd. Voorts noemt de klacht niet de door het hof wel in zijn oordeel betrokken omstandigheid dat het convenant zelf uitdrukkelijk bepaalt dat niet alleen de toedeling van het huis, maar ook de betaling van de alimentatie 'de oudedagsvoorziening van de vrouw vormen' (curs. A-G). Het hof heeft de bepalingen van het convenant in onderlinge samenhang beschouwd en is aldus, tot het feitelijk en - mede gelet op de in onderdeel A.3.4 neergelegde overeengekomen duur van de alimentatie - zeker niet onbegrijpelijk oordeel gekomen dat partijen een vrijwel onaantastbare regeling beoogden.

Voorzover de klacht betoogt dat de in het convenant onder D opgenomen eindigingsgronden geen aanwijzing kunnen vormen voor het gesloten karakter van de contractuele regeling, omdat het daarbij om de wettelijke eindigingsgronden gaat(13), moet deze falen, omdat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat partijen, door deze gronden uitdrukkelijk in de overeenkomst op te nemen, tot uitdrukking hebben willen brengen dat de alimentatieverplichting uitsluitend op die gronden zal eindigen.

3.14. De vierde klacht acht onbegrijpelijk dat het hof zonder nadere motivering heeft geoordeeld dat zich ten opzichte van het convenant van 1997 geen wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 BW heeft voorgedaan en de vrouw (derhalve) nog steeds behoefte aan de overeengekomen alimentatie heeft.

3.15. M.i. moet de bestreden overweging worden gelezen in samenhang met het in rov. 6 gegeven oordeel dat de man 'geen relevante feiten en omstandigheden [heeft] aangegeven die afwijken van hetgeen partijen naar lang onderhandelen met elkaar zijn overeengekomen ten aanzien van de alimentatie'. In de kern komen de stellingen (in hoger beroep(14)) van de man erop neer, dat het loon van de vrouw in de periode 1997-2001 substantieel is gestegen - hetgeen door de vrouw is betwist - alsmede dat de vrouw, door full-time te gaan werken in plaats van part-time, een zodanig inkomen zou kunnen verwerven dat aan haar zijde geen behoefte meer aan alimentatie bestaat.

3.16. De klacht faalt. Dat het hof in deze stellingen geen relevante wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 (kennelijk: lid 1) aanwezig heeft geoordeeld - in welk oordeel besloten ligt dat geen sprake is van een ingrijpende wijziging in de zin van art. 1:159 lid 3 BW - is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat partijen destijds de omstandigheid dat de vrouw in deeltijd werk verrichtte, in de overeenkomst hebben verdisconteerd, welk oordeel temeer begrijpelijk is in het licht van 's hofs vaststelling dat partijen een complete, vrijwel onaantastbare regeling beoogden te treffen, waaraan ten overvloede is toe te voegen de omstandigheid dat in de overeenkomst uitdrukkelijk is opgenomen dat de alimentatiehoogte pas in 2009 opnieuw zou worden beoordeeld(15). De man heeft in deze procedure ook geen omstandigheden aangevoerd die destijds aan voltijdwerk in de weg stonden en dat thans niet meer doen.

3.17. De vijfde klacht, die zich richt tegen de overwegingen van het hof omtrent de behoefte van de vrouw en hetgeen dienaangaande van de vrouw kan worden gevergd, komt op tegen een (nadrukkelijk als zodanig gegeven) overweging ten overvloede van het hof, en faalt derhalve reeds bij gebrek aan belang.

3.18. De zesde klacht houdt in dat bij gegrondbevinding van een der voorgaande klachten, de in rov. 6 gegeven proceskostenveroordeling niet in stand kan blijven. Ervan uitgaande dat de voorwaarde waaronder de klacht is aangevoerd niet is vervuld, moet deze klacht het lot van de overige klachten delen. Er is geen zelfstandige klacht tegen de kostenveroordeling aangevoerd.

3.19. De vrouw heeft niet uitdrukkelijk verzocht om kostenveroordeling van de man in de cassatieprocedure, maar wel impliciet, door te stellen dat de overweging [en beslissing] van het hof navolging verdient.

Indien Uw Raad het beroep van de man verwerpt en de kostenveroordeling in de feitelijke instanties in stand laat, lijkt het voor de hand te liggen om in deze zaak een veroordeling van de man in de kosten van cassatieberoep in overweging te nemen.

4. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Zie voor de feiten nader pp. 1-2 van de bestreden beschikking en pp. 1-2 van de beschikking van de rechtbank van 15 januari 2002. Ik heb daaraan alleen ontleend wat mij voor de procedure in cassatie relevant voorkwam.

2 Het verzoekschrift tot cassatie is op 29 april 2003 bij de Hoge Raad ingekomen.

3 Asser-De Boer (2002), nr. 638.

4 Zie M.J.A. Van Mourik/L.C.A. Verstappen, Handboek voor het Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding, Deventer 1997, p. 46; A.L.G.A. Stille, In der minne gescheiden, oratie Utrecht 1997, p. 5.

5 Zie HR 6 oktober 2000, NJ 2001, 147 en conclusie A-G Wesseling-van Gent voor dit arrest, onder 2.12.

6 Zie HR 19 november 1982, NJ 1983, 494 m.nt. EAAL; Asser-De Boer (2002), nr. 1046.

7 Asser-De Boer (2002), nrs. 620 en 628.

8 J.A.M.P. Keijser, Handleiding bij scheiding, Deventer 2003, p. 152.

9 HR 23 oktober 1987, NJ 1988, 438 en recentelijk: HR 12 september 2003, R02/084 (niet gepubliceerd), rov. 3.3.4. Zie over eerstvermeld arrest bijv. H. Lenters, De alimentatie-overeenkomst, Advocatenblad 1994, p. 542 e.v.

10 Noot JdB onder HR 29 maart 1996, NJ 1997, 101.

11 De man heeft zich op art. 1:401 lid 1 BW gebaseerd, zie inleidend verzoekschrift, nr. 12, en dit blijkt voorts op zijn in beide instanties op de wettelijke maatstaven gebaseerd betoog). Het beroep op draagkrachtvermindering aan zijn zijde, heeft de man in hoger beroep prijsgegeven, zie de pleitaantekeningen d.d. 6 december 2002, nr. 1.

12 Prod. 1 bij inleidend verzoekschrift van 19 juni 2001.

13 Het overlijden van de man en/of de vrouw, alsmede het hernieuwd trouwen van de alimentatiegerechtigde, vormen steeds een grond voor eindiging van de alimentatieplicht, zie Keijser, a.w., pp. 149-150; Van Mourik/Verstappen, a.w., p. 502 e.v.

14 De in de procedure voor de rechtbank aangevoerde stellingen omtrent de draagkrachtvermindering aan zijn zijde, vanwege het door zijn tweede vrouw genomen ontslag, heeft de man in hoger beroep prijsgegeven, zie pleitaantekeningen d.d. 6 december 2002, nr. 1.

15 Onderdeel B.4 van het convenant, prod. 1 bij inleidend verzoekschrift van 19 juni 2001.