Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AN8285

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-01-2004
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
C02/220HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AN8285
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

23 januari 2004 Eerste Kamer Nr. C02/220HR JMH/MD Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. J. Groen, t e g e n 1. [Verweerder 1], wonende te [woonplaats], 2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats], 3. [Verweerder 3], wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2004-01-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 25

Conclusie

C02/220HR

Mr. D.W.F. Verkade

Zitting 14 november 2003

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen:

[verweerder 1]

[verweerder 2]

[verweerder 2]

(niet verschenen)

1. Inleiding

1.1. Partijen, hierna: [eiser] onderscheidenlijk [verweerder 1](1) c.s., zijn ex-maten.

Na ontbinding van de maatschappen die tussen [eiser] en [verweerder] c.s. hebben bestaan, zijn tussen hen diverse geschillen gerezen.

1.2. Behoudens enkele meer onderschikte punten, gaat het in cassatie hoofdzakelijk nog om de vraag of [eiser] moet meedelen in de per ontbindingsdatum gekapitaliseerde oudedagsvoorziening jegens de zogeheten oudgedienden, alsmede of deze voorziening terecht op de slotbalans van de maatschap is opgenomen en, dientengevolge, terecht ten laste van de winst is gebracht.

1.3. Het hof heeft, evenals de rechtbank, die vragen positief beantwoord. In cassatie bestrijdt [eiser] dit oordeel met, overwegend, motiveringsklachten.

1.4. Rechtsvragen in de zin van art. 81 R.O. heb ik in de cassatieklachten niet kunnen ontwaren.

2. Feiten

2.1. [Eiser] en [verweerder] c.s. vormden een advocatenmaatschap en een kantoormaatschap. [Eiser] is per 1 september 1994 uit de advocatenmaatschap getreden en per 1 januari 1995 uit de kantoormaatschap getreden.

[Verweerder] c.s. hebben de beide maatschappen voortgezet.(2)

2.2. Op de advocatenmaatschap rustte de verplichting tot periodieke betalingen (die althans gedeeltelijk gerelateerd waren aan de in de onderneming behaalde omzet) bij wijze van oudedagsvoorziening jegens een bepaalde voormalige partner en jegens de weduwe van een andere bepaalde voormalig partner, de zogenoemde 'oudgedienden'. (3)

2.3. In 1995 is een lijfrentestichting (Stichting HMSB) opgericht die de desbetreffende verplichting per 1 januari 1995, met instemming van de oudgedienden, heeft overgenomen. [Verweerder] c.s. hebben aan deze stichting een kapitaal ter beschikking gesteld dat gelijk stond aan de contante waarde van de verschuldigde periodieke uitkeringen per 1 september 1994.

2.4. Hoewel de afstortingen in 1995 en 1996 zijn gedaan, is die contante waarde, tezamen met rente en oprichtingskosten, op de (concept)-slotbalans van de advocatenmaatschap over de periode 1 januari 1994 tot en met 31 augustus 1994 opgenomen, en wel onder de post overlopende passiva.(4)

2.5. Ter gelegenheid van de ontbinding van de maatschappen zijn tussen partijen een aantal geschillen gerezen.

In cassatie spelen thans nog: de hiervóór weergegeven afwikkeling van de verplichtingen jegens de oudgedienden, de waarde van de aan [eiser] toegescheiden fiscale bibliotheek alsmede de toescheiding van het kantoorpand.

3. Procesverloop

3.1. Bij exploit van 17 oktober 1995 heeft [eiser] [verweerder] c.s. gedagvaard voor de rechtbank Arnhem.

[Eiser] heeft onder meer gevorderd de beschrijving en de waardering maatschapboedel te gelasten alsmede voor recht te verklaren dat de verplichtingen jegens de oudgedienden per 1 september 1994 uitsluitend [verweerder] c.s. aangaan.(5)

3.2. [Verweerder 3] is niet verschenen. De andere twee maten, die ik met [verweerder] c.s. zal blijven aanduiden, hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3. Daarnaast hebben [verweerder] c.s. in reconventie gevorderd [eiser] te veroordelen tot medewerking aan de vaststelling van de maatschapjaarrekeningen over 1992, 1993 en 1994.

3.4. Bij tussenvonnis van 2 juli 1998 heeft de rechtbank onder meer een comparitie van partijen gelast.

3.5. Bij conclusie na comparitie (enz.) heeft [eiser] zijn eis aangevuld en gevraagd de waarde van de fiscale bibliotheek op f 3.060,70 te bepalen.

3.6. [Verweerder] c.s. hebben bij akte na comparitie (enz.) ook van hun kant hun eis aangevuld, en wel in die zin dat zij de rechtbank hebben gevraagd om [eiser] te veroordelen tot medewerking aan de overdracht en levering van zijn aandeel in het kantoorpand.

3.7. Bij eindvonnis van 5 oktober 2000 heeft de rechtbank de door [eiser] gevraagde de verklaring voor recht dat de verplichtingen jegens de oudgedienden hem niet aangaan, afgewezen (r.ovv. 5 en 6).

Verder heeft de rechtbank in reconventie [eiser] veroordeeld mee te werken aan de vaststelling van de maatschapjaarrekening over 1992, 1993 en 1994, alsmede aan de overdracht en levering van het kantoorpand.

Ook heeft de rechtbank, onder handhaving van haar oordeel in het tussenvonnis, overwogen dat de waarde van de fiscale bibliotheek op f 9.496,-- kan worden gesteld (rov. 13).

3.8. [Eiser] is van het tussenvonnis en van het eindvonnis in beroep gekomen bij het gerechtshof te Arnhem.

3.9. Ook in appel is [verweerder 3] niet verschenen. [Verweerder 1] en [verweerder 2], hierna weer [verweerder] c.s. hebben ook in appel gemotiveerd verweer gevoerd.

3.10. Bij arrest van 16 april 2002 heeft het hof de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. De in cassatie relevante overwegingen zijn:

'4.5. De tweede grief ziet op de problematiek van de pensioenrechten van de "oudgedienden". [Eiser] en [verweerder 1] zijn het er over eens dat de maatschap tijdens haar bestaan pensioenverplichtingen had jegens de "oudgedienden" en dat deze verplichtingen derhalve op 31 augustus 1994 bestonden. [Eiser] en [verweerder] c.s. zijn het er voorts over eens dat de maatschap per 1 september 1994 ontbonden is. [Eiser] en [verweerder] c.s. gaan er van uit dat door de ontbinding van de maatschap de pensioenverplichtingen jegens de "oudgedienden" niet geëindigd zijn. Onder deze omstandigheden zijn alle maten van de beëindigde maatschap in gelijke mate verantwoordelijk voor de pensioenverplichtingen jegens de "oudgedienden" van ná 31 augustus 1994.

4.6. Het hof begrijpt dat de bezwaren van [eiser] zich niet zozeer richten tegen het feit dat deze verplichtingen per 1 september 1994 in plaats van omzetafhankelijk op een vast bedrag zijn gefixeerd en evenmin tegen het feit dat de pensioenverplichtingen in een stichting zijn ondergebracht, maar wel tegen de hierna onder a tot en met c genoemde punten. Dit brengt met zich dat de contante waarde van de aldus gekapitaliseerde pensioenverplichting evenals de oprichtingskosten van de stichting als passiefpost op de eindbalans van de maatschap dienen te worden opgenomen. Verder betekent het dat deze post in het boekjaar 1 januari 1994 tot en met 31 augustus 1994 ten laste van de winst van de maatschap gebracht moet worden. Op deze wijze zijn de maten van de beëindigde maatschap immers in gelijke mate verantwoordelijk voor de kosten van de pensioenverplichtingen jegens de "oudgedienden".

Het hof begrijpt dat de bezwaren van [eiser] zich met name richten tegen:

a. het feit dat hij moet meebetalen aan de pensioenverplichtingen van ná 31 augustus 1994, terwijl voor zijn gevoel de overige maten de maatschap "voortzetten" en hij door [verweerder] c.s. uit de maatschap gezet is;

b. de zijns inziens onjuiste fiscale verwerking door [verweerder] c.s. van de pensioenverplichtingen in de winst en verliesrekening over het jaar 1994 en de eindbalans per 31 augustus 1994;

c. de omstandigheid dat hem in onvoldoende mate toestemming is gevraagd voor de oprichting van de stichting.

4.7. Met betrekking tot het punt onder a. overweegt het hof dat uit het bovenstaande in rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6 reeds volgt dat de maten van de ontbonden maatschap in gelijke mate moeten delen in de kosten van de pensioenvoorziening jegens de "oudgedienden" van ná 31 augustus 1994. Eventuele verwijtbaarheid bij de beëindiging is daarbij niet relevant, omdat het "eruit zetten" in dit geval juridisch slechts betekent dat de maatschap ontbonden is. Voor zover [eiser] stelt dat het feit dat hij mee moet betalen aan de pensioenverplichtingen van ná 31 augustus 1994 naar maatstaven van redelijkheid

en billijkheid onaanvaardbaar is, verwerpt het hof deze stelling, omdat [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen die die conclusie zouden kunnen dragen. Met betrekking tot het punt onder b. stelt het hof vast dat een maatschap fiscaalrechtelijk gezien niet bestaat: de maten moeten ieder voor zich de winst uit onderneming aangeven. In het licht van dat feit valt niet in te zien dat met de voornoemde opstelling van de jaarstukken fiscaalrechtelijk enige onjuistheid is begaan. Deze jaarstukken hebben immers in beginsel slechts belang voor de onderlinge verhouding tussen de maten van de beëindigde maatschap en doen niet af aan de individuele verantwoordelijkheid van de maten jegens de fiscus. Met andere woorden: wat de maten ieder voor zich in het kader van hun eigen belastingaangifte doen met deze jaarstukken, regardeert [eiser] niet.

Tot slot het derde bezwaar van [eiser]. Het hof oordeelt dat weliswaar juist is dat [eiser] niet expliciet heeft ingestemd met de omzetting van de pensioenen en de onderbrenging van de pensioenen in een stichting, maar dat doet er niet aan af dat [eiser] in deze procedure geen bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de omvang van de verplichting jegens de "oudgedienden", laat staan heeft gesteld dat deze op een lager bedrag bepaald moeten worden dan thans ten laste van de winst in het gebroken boekjaar 1994 is gebracht.

Uit het bovenstaande volgt dat het hof de bezwaren van [eiser] verwerpt.

4.8. Indien de verklaring voor recht zoals gevorderd onder 2 in de memorie van grieven louter grammaticaal uitgelegd zou worden, dan volgt uit het bovenstaande dat zij voor toewijzing gereed ligt. Gezien de toelichting op de grieven beoogt [eiser] kennelijk met deze vordering rechtens te laten vaststellen dat hij niet behoeft mee te delen in de kosten van de pensioenverplichtingen van de "oudgedienden" van ná 31 augustus 1994. Het hof begrijpt de vordering derhalve in die zin. Aldus uitgelegd dient de vordering afgewezen te worden. Nu het hof tot dezelfde conclusie komt als de rechtbank ten aanzien van de genoemde vordering van [eiser] faalt grief 2.

4.9. De derde grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in haar vonnis van 5 oktober 2000 dat [eiser] veroordeeld wordt om binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis samen met [verweerder] c.s. een accountant te benoemen ter concipiëring van de jaarrekeningen 1992, 1993 en 1994 van de kantoormaatschap(6), zulks met inachtneming van hetgeen de rechtbank te dien aanzien in het vonnis heeft overwogen.

4.10. In de toelichting op de grief schrijft [eiser] dat hij instemt met de benoeming van de accountant [betrokkene 4] en dat hij akkoord is met de door [betrokkene 4] opgestelde conceptjaarstukken over 1992, 1993 en 1994; voor dit laatste jaar tot en met de maand augustus. Hij verwijst voor dit laatste jaar naar zijn brief van 20 januari 2001 (prod. 7 mem. van grieven) waarin hij het volgende schrijft:

"De jaarrekening over de periode jan./aug. 1994 is overeenkomstig het vonnis van de rechtbank opgesteld, zodat ik (..) onder protest van gehoudenheid daarmee instem."

Verder voert [eiser] aan dat de bestreden veroordeling niet in stand kan blijven "nu deze aanleiding geeft tot een met het vonnis strijdige - en overigens onbegrijpelijke opstelling - van [verweerder] c.s. en de accountant [betrokkene 4]" (memorie van grieven blz. 16 onderaan). [eiser] gaat verder aldus: "De veroordeling gaat immers uit van het verlenen van medewerking van [eiser] met [verweerder] c.s. aan vaststelling van op het vonnis gebaseerde jaarstukken en niet aan uitsluitend door [eiser] geaccordeerde jaarstukken, terwijl [verweerder] c.s. in werkelijkheid andere jaarstukken over een onjuiste periode hanteren."

Ten slotte stelt [eiser] dat de jaarstukken over 1994 onjuist zijn ingericht doordat de in het kader van grief 2 genoemde pensioenrechten ten onrechte of op onjuiste wijze op de balans gekomen zijn. Met deze stellingen onderbouwt [eiser], naar het oordeel van het hof, zijn grief op een wijze die niet tot de conclusie kan leiden dat zij slaagt. Het hof merkt daarbij op dat de laatste stelling in wezen een herhaling is van hetgeen bij grief 2 gesteld is. Het hof verwerpt deze stelling op de hierboven genoemde gronden.

De grief faalt derhalve.

4.11. De vierde grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in haar vonnis van 5 oktober 2000 waarin, kort gezegd, de vordering tot meewerken aan de overdracht van het kantoorpand wordt toegewezen. Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [eiser] uitdrukkelijk aangegeven dat thans voor hem de enige reden om deze te weigeren, is, dat de weergave van de feiten, zoals neergelegd in de conceptakte van 11 oktober 1999 niet overeenkomt met de werkelijke situatie en dat dat in zijn visie en op grond van zijn deskundigheid als fiscalist volgens hem tot gevolg heeft dat overdrachtsbelasting wordt ontdoken (fraus legis) met alle mogelijk negatieve consequenties voor hem in zijn praktijk als fiscalist. Een stelling die hij ook reeds bij memorie van grieven had aangevoerd. [Verweerder] c.s. betwist de stelling van [eiser]. Hij onderbouwt deze betwisting met het feit dat de weergave van de feiten in de akte van 11 oktober 1999 niet juist is en dat dat volgens een geraadpleegde notaris niet tot gevolg heeft dat er strijd is met het belastingrecht, dat deze notaris een en ander, op verzoek van [verweerder 1] en [verweerder 2] - mede naar aanleiding van de zienswijze van [eiser] -, heeft geverifieerd en dat de akte inmiddels is verleden ten overstaan van notaris [betrokkene 5], notaris te [plaats].

Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep antwoordde [eiser] op vragen van het hof dat hij zijn belastingrechtelijke bezwaren aan de notaris had medegedeeld, dat hij het antwoord van de notaris op zijn bezwaren niet meer kon herinneren, en dat [eiser] later aan de notaris meedeelde niet mee te willen werken aan de overdracht van het kantoorpand, omdat de constructie in de akte van levering te gekunsteld was. Verder gaf [eiser] op vragen van het hof als antwoord dat hij zijn belastingrechtelijke bezwaren niet heeft voorgelegd aan de inspecteur registratie en successie.

Bij deze stand van zaken rust op [eiser] het bewijs van zijn stelling dat de weergave van de feiten in de conceptakte van 11 oktober 1999 niet overeenkomt met de werkelijkheid en dat dat tot gevolg heeft dat sprake is van fraus legis. [Eiser] heeft op dit punt zijn stelling onvoldoende aannemelijk gemaakt, met name nu hij zijn visie op eenvoudige wijze aan de genoemde inspecteur had kunnen voorleggen, zodat er geen reden is te oordelen dat zijn stelling behoudens tegenbewijs bewezen is. Nu [eiser] geen concreet en gespecificeerd bewijsaanbod op dit punt heeft gedaan, zal het hof hem niet tot bewijs toelaten.

Het hof concludeert dat de juistheid van de stelling van [eiser] in rechte niet is komen vast te staan, zodat het hof de stelling verwerpt. Op grond van het bovenstaande komt het hof tot hetzelfde oordeel als de rechtbank, zodat de grief faalt.

4.12. De vijfde grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in haar vonnis van 5 oktober 2000 waarin, kort gezegd, [eiser] veroordeeld is tot betaling aan [verweerder 1] en [verweerder 2] van f. 1.602,66 per persoon, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 april 1996. [eiser] onderbouwt deze grief met de volgende drie geschilpunten:

a. de pensioenverplichtingen jegens de oudgedienden;

b. de waarde van de aan [eiser] toegescheiden fiscale bibliotheek;

c. de overlopende posten ter zake van deze fiscale bibliotheek.

Met betrekking tot a.

[Eiser] stelt dat deze verplichtingen niet op de afwikkeling van de maatschap dienen te drukken. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst hij naar hetgeen hij in het kader van grief 2 aan de orde heeft gesteld. Het hof verwerpt de stelling van [eiser] op de gronden als aangegeven bij de verwerping van grief 2.

Met betrekking tot b.

[Eiser] stelt bij memorie van grieven dat de aan hem toegescheiden fiscale bibliotheek gewaardeerd is op nieuwwaarde van f. 9.496,00, terwijl deze gewaardeerd moest worden met toepassing van hetzelfde afschrijvingspercentage op de nieuwwaarde als toegepast is bij de inventaris, hetgeen zou resulteren in een waarde van f. 3.060,70.

[Verweerder] c.s. brengt daar bij memorie van antwoord tegenin dat de fiscale bibliotheek goeddeels bijgewerkte losbladige edities betrof die als geheel de staat van nieuw benaderen, hetgeen tot gevolg moet hebben dat op deze bibliotheek niet dezelfde afschrijving dient toegepast te worden als op de totale inventaris. Gezien deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van [eiser] gelegen zijn stelling, bijvoorbeeld bij pleidooi, nader te onderbouwen, met name op het punt of de bibliotheek als geheel de staat van nieuw benaderde. Dit klemt eens te meer nu als gesteld en niet gemotiveerd betwist vast staat dat de fiscale bibliotheek up to date was. Nu [eiser] deze nadere onderbouwing heeft nagelaten, heeft hij zijn stelling niet voldoende onderbouwd, zodat de juistheid daarvan niet is komen vast te staan. Het hof verwerpt derhalve zijn stelling.

[...]

Nu het hof de stellingen onder a tot en met c verworpen heeft, faalt de grief.'

3.12. [Eiser] heeft tegen dit arrest tijdig beroep in cassatie ingesteld(7) en de zaak schriftelijk toegelicht.

[Verweerder] c.s. zijn niet verschenen.

4. Bespreking van de cassatiemiddelen

Middel I

4.1.1. Onderdeel 1.1 richt zich tegen de verwerping van grief II.

Het oordeel van de rechtbank waartegen deze grief zich richt is, aldus het onderdeel, kort gezegd, dat de pensioenverplichting voor een vierde deel op [eiser] rust, dat de fiscale bezwaren dit geding te buiten gaan, dat de benadeling van [eiser] door de regeling van de afkoop die [verweerder] c.s. met de inspecteur hebben getroffen onvoldoende is gebleken, en dat de passivering van de gekapitaliseerde pensioenverplichtingen per 31 augustus 1994, niet juist is.

Het hof verwerpt, aldus onderdeel 1, deze grief op gronden die haar niet kunnen dragen, met voorbijgaan aan essentiële stellingen.

4.1.2. De (in de toelichting vervatte) eigenlijke klacht is dat het hof als juist oordeelt dat [eiser] ter uitvoering van het eindvonnis op verlangen van de door [verweerder] c.s. geïnstrueerde accountant, genoodzaakt is mee te werken aan:

enerzijds het vaststellen van jaarstukken over het gehele jaar 1994, welke jaarstukken opgemaakt zijn ten behoeve van de aangiften inkomstenbelasting van [verweerder] c.s., en waarin de voorziening stichting HMSB c.a. van de winst van het jaar 1994 wordt gebracht en op de balans per 31 december 1994 onder de overlopende passiva wordt gepassiveerd, en aan

anderzijds het vaststellen van uitsluitend voor [eiser] opgemaakte jaarstukken over januari t/m augustus 1994, waarin de voorziening stichting HMSB c.a. ten laste van de winst over deze periode van 1 januari t/m 31 augustus 1994 wordt gebracht en op de balans per 31 augustus 1994 onder de overlopende passiva wordt gepassiveerd,

zulks ofschoon - verkort weergegeven:

(a) de rechtbank heeft vastgesteld dat de maatschap per 31 augustus 1994 is ontbonden

(b) de stichting de verplichtingen pas per 1 september 1994 overneemt en deze vanaf die datum niet meer omzet-gerelateerd zijn

(c) [eiser] geen partij is bij de overeenkomst tussen [verweerder] c.s. en de oudgedienden

(d) de desbetreffende verplichtingen geen betrekking hebben op de periode vóór 1 september 1994

(e) onduidelijk is in welke jaarstukken de voorziening is getroffen

(f) de jaarstukken 1994 laten zien dat de verplichtingen omzetafhankelijk zijn

(g) [verweerder] c.s. met de fiscus de afspraak hebben gemaakt dat zij de in 1995 en 1996 in de stichting gestorte bedragen in 1995 en 1996 ten laste van hun persoonlijke winst brengen

(h) [eiser] bij de afspraak met de fiscus geen partij is

(i) [verweerder] c.s. de verplichtingen twee maal (in 1994 in de jaarstukken van de maatschap en om 1995/96 via hun buiten maatschappelijk vermogen) ten laste van hun winst brengen

(j) onduidelijk is of het hof er van uitgaat dat [verweerder] c.s. in 1994 alleen commercieel een voorziening treffen en fiscaal niet

(k) de vaststelling van de jaarstukken over de periode 1 januari t/m 31 augustus 1994 geen andere betekenis heeft dan onredelijke en ongerechtvaardigde belasting van [eiser] met een voorziening waarmee hij niet van doen heeft noch kan hebben.

4.1.3. De klacht geeft blijk van een te ruime lezing van 's hofs oordeel over de verplichting tot meewerken aan het opstellen van de jaarstukken 1994.

Voor zover het de jaarstukken 1994 betreft, heeft het hof namelijk slechts geoordeeld:

-dat de contante waarde c.a. in het boekjaar 1 januari 1994 tot en met 31 augustus 1994 ten laste van de winst moet worden gebracht,

- dat deze post als passiefpost op de eindbalans moet worden opgenomen,(8)

- dat de maten zich voor het overige rekenschap moeten geven van het feit dat een maatschap fiscaalrechtelijk niet bestaat,

- dat de maten ieder voor zich de winst uit onderneming moeten opgeven en

- dat de jaarstukken in beginsel slechts belang hebben voor de onderlinge verhouding tussen de maten.(9)

4.1.4. Ik beschouw het onderdeel als gericht tegen dit oordeel.

De klacht is dan híerin gelegen dat dit oordeel vanwege de punten a tot met k, niet begrijpelijk is. Ik laat deze punten de revue passeren.

4.1.5. De punten a, b en d zijn mede dragend voor het oordeel dat de contante waarde ten laste van de winst per 31 augustus 1994 moet worden gebracht; zij doen derhalve aan de begrijpelijkheid niets af.

Punt c miskent dat het niet gaat om de vraag of [eiser] moet meedelen in de verplichtingen over de periode ná 31 augustus 1994; deze vraag is reeds positief beantwoord; hiér gaat het slechts om de vraag of, uitgaande van dat positief antwoord, 's hofs oordeel over de inrichting van de desbetreffende jaarstukken, begrijpelijk is.

Punt e berust op een verkeerde lezing: het hof heeft onmiskenbaar de jaarstukken over de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 augustus 1994 bedoeld.

Punt f, dat overigens ook in tegenspraak is met [eiser]'s stelling onder punt b, berust eveneens op een verkeerde lezing: de beweerdelijke omzetafhankelijkheid in de periode ná 31 augustus 1994 - want om díe periode gaat het hier - blijkt uit de genoemde stukken niet.

De punten g tot en met j stuiten reeds af op 's hofs uitdrukkelijke overweging dat de maatschapsjaarstukken in beginsel slechts van belang zijn voor de onderlinge verhouding tussen de maten en dat zij niet af doen aan de individuele verantwoordelijkheid van de maten jegens de fiscus; wat de maten ieder voor zich in het kader van hun eigen belastingaangifte doen, regardeert [eiser], aldus het hof, niet.(10)

Punt k miskent het onderscheid tussen oorzaak en gevolg: aan de orde is slechts de vraag of, uitgaande van een verplichting ná 31 augustus 1994 van ook [eiser], het hof begrijpelijk heeft kunnen oordelen dat de contante waarde ten laste van de winst in het boekjaar 1 januari 1994 tot en met 31 augustus 1994 moet worden gebracht.(11)

4.1.6. Uit het voorgaande volgt dat van geen der punten kan worden gezegd dat zij niet met 's hofs oordeel over de inrichting van de jaarstukken sporen. Derhalve faalt de klacht.

4.1.7. Onderdeel 1.2 richt zich tegen overwegingen in de rovv. 4.1, 4.2 en 4.5 waarin het hof, kort gezegd, aangeeft dat:

- de maatschap ten tijde van het uittreden van [eiser] pensioenverplichtingen had,

- die maatschap per 1 september 1994 is ontbonden

- de resterende maten de activiteiten hebben voorgezet en

- de pensioenverplichtingen door de ontbinding per 1 september 1994 niet zijn geëindigd

- en aan de hand daarvan tot de slotsom komt dat onder deze omstandigheden alle maten in gelijke mate verantwoordelijk zijn voor de verplichtingen ná 31 augustus 1994.

4.1.8. Het onderdeel klaagt dat het bestaan van pensioenverplichtingen per 1 september 1994, zonder nadere motivering, niet met zich meebrengt dat deze ook voor [eiser] bestonden, en dat zulks evenmin met zich meebrengt dat alle maten in gelijke mate verantwoordelijk zijn voor de pensioenverplichtingen ná 31 augustus 1994.

[Eiser] kan, aldus het onderdeel, onmogelijk in gelijke mate verantwoordelijk worden gehouden voor de omzet van het kantoor, waarvan hij per 1 september 1994 niet langer deel uitmaakt.

Die omzet, zo besluit het onderdeel, vormt immers de grondslag van de desbetreffende verplichtingen.

4.1.9. Lees ik het goed, dan is de klacht dat 's hofs oordeel dat [eiser] ook ná 31 augustus 1994 in de verplichtingen moet meedelen, onbegrijpelijk is, en wel omdat de omzetafhankelijkheid voor die verplichtingen de basis is.

Van deze lezing uitgaande mist de klacht feitelijke grondslag: het hof heeft immers in rov. 4.5 in samenhang met rov. 4.6 feitelijk, en niet onbegrijpelijk, vastgesteld dat de pensioenverplichtingen na 31 augustus 1994 niet meer aan de omzet van het kantoor zijn gerelateerd.

4.1.10. Onderdeel 1.3 richt zich tegen overwegingen in rov. 4.6, waarin het hof aangeeft dat [eiser]'s bezwaren zich niet zozeer richten tegen het feit dat de pensioenverplichtingen per 1 september 1994 in plaats van omzetafhankelijk op een vast bedrag zijn gefixeerd en evenmin tegen het feit dat de pensioenverplichtingen in een stichting zijn ondergebracht, maar wel tegen

a. het feit dat hij moet meebetalen aan de pensioenverplichtingen van ná 31 augustus 1994, terwijl voor zijn gevoel de overige maten de maatschap 'voortzetten' en hij door [verweerder] c.s. uit de maatschap is gezet;

b. de zijns inziens onjuiste fiscale verwerking door [verweerder] c.s. van de pensioenverplichtingen in de winst- en verliesrekening 1994 en de eindbalans per 31 augustus 1994;

c. de omstandigheid dat hem in onvoldoende mate toestemming is gevraagd voor de oprichting van de stichting.

Ook overweegt het hof daarin, kort gezegd, dat de contante waarde van de gekapitaliseerde pensioenverplichting als passiefpost op de eindbalans moet worden opgenomen, dat die post over de periode 1 januari 1994 tot en met 31 augustus 1994 ten laste van de winst moet komen en dat op deze wijze de maten in gelijke mate verantwoordelijk voor de kosten zijn.

4.1.11. Subonderdeel 1.3a klaagt dat 's hofs interpretatie van [eiser]'s bezwaren onjuist, onvolledig en onbegrijpelijk is. Dit betreft, aldus het onderdeel, in het bijzonder de vaststelling dat de pensioenverplichtingen per 1 september 1994, in plaats van omzetafhankelijk, op een vast bedrag zijn gefixeerd. [Eiser], zo besluit het onderdeel, heeft zich namelijk steeds op het standpunt gesteld dat de pensioenverplichtingen ook na 31 augustus 1994 in beginsel omzetafhankelijk waren.

4.1.12. De klacht voldoet niet aan de door art. 407 lid 2 Rv. gestelde eisen, nu zij niet aangeeft waar [eiser] dit standpunt eerder naar voren heeft gebracht. Het onderdeel faalt ook overigens. Zoals hiervoor in § 4.1.9 is aangegeven, is de feitelijke vaststelling van het hof dat de pensioenverplichtingen sedert 1 september 1994 niet langer omzetafhankelijk zijn, volstrekt begrijpelijk.

4.1.13. Subonderdeel 1.3b klaagt dat 's hofs samenvatting van [eiser]'s bezwaren onder a tot en met c hiervóór, niet op begrijpelijke wijze de gevolgtrekking kan dragen dat de contante waarde c.a. op de balans van 31 augustus 1994 moet worden gepassiveerd en ten laste van de winst over de periode 1 januari 1994 tot en met 31 augustus 1994 moet worden gebracht, en wel met als redengeving dat op deze wijze de ex-maten in gelijke mate verantwoordelijk zijn voor de kosten van de pensioenverplichtingen, aangezien het een uit het ander niet volgt.

4.1.14. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing: de gevolgtrekking over de inhoud van de jaarstukken, welke gevolgtrekking is neergelegd in de tweede, derde en vierde volzin van rov. 4.6, heeft het hof gemaakt uit de passages die aan deze tweede, derde en vierde volzin voorafgaan; de gevolgtrekking is uitdrukkelijk niet gemaakt uit de opsomming onder a tot en met c.

4.1.15. Subonderdeel 1.3c klaagt dat het hof miskent dat het hier niet gaat om ten tijde van de ontbinding van de maatschap bestaande en ondanks die ontbinding niet eindigende periodieke schuldverplichtingen, die op de balans van 31 augustus 1994 als passiva moeten worden opgevoerd en gekapitaliseerd, maar om een in de jaarstukken getroffen voorziening voor toekomstige uitgaven die afhankelijk zijn van de omzet per 1 september 1994 en die niet kunnen worden toegerekend aan het boekjaar januari/augustus 1994.

4.1.16. Ook dit onderdeel faalt. Ik vermeld nogmaals dat het hof feitelijk heeft vastgesteld dat het hier gaat om een contant gemaakte verplichting die vanaf 1 september 1994 niet langer van de omzet afhankelijk is.

4.1.17. Onderdeel 1.4 richt zich tegen overwegingen in rov. 4.7, waarin het hof overweegt dat op grond van de r.ovv. 4.5 en 4.6 de maten van de ontbonden maatschap in gelijke mate moeten delen in de kosten van de pensioenvoorziening jegens de oudgedienden van ná 31 augustus 1994, waarbij eventuele verwijtbaarheid niet relevant is, en dat [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen ter onderbouwing van zijn stelling dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij mee moet betalen aan de pensioenverplichtingen van ná 31 augustus 1994.

4.1.18. De klacht is dat onbegrijpelijk is waarom [eiser]'s stelling dat [verweerder] c.s. het twee maanden na zijn oogoperatie terwijl hij nog volledig arbeidsongeschikt was en fusieonderhandelingen met een ander kantoor gaande waren, te verstaan hebben gegeven dat hij de maatschap diende te verlaten - een handelwijze die ten enenmale in strijd is met hetgeen behoorlijk handelende maten in een maatschap betaamt - en zij het kantoor met alle lusten en lasten aan zich getrokken hebben, niet relevant zou zijn en/of niet voldoende onderbouwd.

4.1.19. Ook deze klacht faalt. Het beroep op de (derogerende werking van) de redelijkheid en de billijkheid, een beroep dat [eiser] eerst bij memorie van grieven (nr. 2.2.4) heeft gedaan, is slechts gestoeld op eenzijdige beëindiging door [verweerder] c.s. Na de gemotiveerde betwisting door [verweerder] c.s. bij memorie van antwoord (nr. 10) is [eiser] hierop niet (ook niet bij pleidooi) teruggekomen.

's Hofs oordeel dat daarmee dit beroep onvoldoende is onderbouwd, is derhalve niet onbegrijpelijk.

4.1.20. Onderdeel 1.5 richt zich tegen 's hofs oordeel in rov. 4.7 over [eiser]'s bezwaar weergegeven in rov. 4.6 sub b.

Daarin overweegt het hof, kort gezegd, dat niet valt in te zien dat met de opstelling van de jaarstukken fiscaalrechtelijk enige onjuistheid is begaan, omdat deze jaarstukken in beginsel slechts belang hebben voor de onderlinge verhouding tussen de maten van de beëindigde maatschap en dat zij niet af doen aan de individuele verantwoordelijkheid van de maten jegens de fiscus. Wat de maten ieder voor zich in het kader van hun eigen belastingaangifte met deze jaarstukken doen, regardeert volgens het hof [eiser] niet.

Het onderdeel acht de overweging onbegrijpelijk.

4.1.21. Subonderdeel 1.5a klaagt dat de jaarstukken als gebruikelijk voor alle maten mede in verband met hun aangiften inkomstenbelasting zijn opgesteld en mitsdien zowel commerciële als fiscale betekenis hebben.

4.1.22. Subonderdeel 1.5b klaagt dat 's hofs kennelijke gedachtegang, inhoudende dat het een maat vrij staat om in deze jaarstukken de voorziening Stichting HMSB met rente en kosten - indien deze al toelaatbaar zou zijn, quod non - wel commercieel doch niet fiscaal te hanteren, onjuist en onbegrijpelijk is.

4.1.23. Subonderdeel 1.5c klaagt dat het hof aldus buiten de rechtsstrijd van partijen treedt omdat [verweerder] c.s. niet hebben gesteld dat zij bedoelde voorziening c.a. in de commerciële jaarstukken 1994 wel opvoeren doch fiscaal niet.

4.1.24. Alle subonderdelen, die ik hier tezamen behandel, stuiten af op het ontbreken van feitelijke grondslag wegens onjuiste lezing van de aangevallen passages in het arrest.

Het hof heeft daarin niet willen aangeven dat de desbetreffende stukken in materieel opzicht geen fiscale betekenis (kunnen) hebben: het heeft slechts tot uitdrukking willen brengen dat ieder van de maten daaraan díe fiscale betekenis kan toekennen die hij daaraan persoonlijk wíl toekennen. Het is, met andere woorden, niet aan de maatschap als geheel, maar aan de individuele maten, om, onder overlegging van de maatschapsjaarrekeningen, in de individuele jaarrekeningen daar al dan niet bij aan te sluiten.

4.1.25. Onderdeel 1.6 richt zich tegen 's hofs oordeel in rov. 4.7 over [eiser]'s bezwaar weergegeven in rov. 4.6 sub c.

Daarin overweegt het hof dat weliswaar juist is dat [eiser] niet expliciet heeft ingestemd met de omzetting van de pensioenen en de onderbrenging van de pensioenen in de stichting, maar dat zulks er niet aan af doet dat [eiser] in deze procedure geen bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de omvang van de verplichting jegens de oudgedienden, laat staan dat hij heeft gesteld dat deze op een lager bedrag bepaald moeten worden dan thans ten laste van de winst in het gebroken boekjaar 1994 is gebracht.

Het onderdeel acht deze overwegingen onjuist en niet begrijpelijk gemotiveerd.

4.1.26. De motivering daartoe is dat het enkele feit dat [eiser] bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de omvang van de verplichting jegens de oudgedienden, hem nog geen partij vermag te maken bij de uitsluitend tussen [verweerder] c.s. en de oudgedienden gesloten overeenkomst aangaande de vaststelling en de overgang van de verplichtingen in de stichting, temeer nu [eiser] zich jegens [verweerder] c.s. uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat de verplichtingen hem na 31 augustus 1994 niet langer aangaan, evenmin als de overgang van die verplichtingen naar de stichting.

4.1.27. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing. Het hof heeft niet geoordeeld dat [eiser] partij is bij de desbetreffende overeenkomst. Het heeft zich in de aangevallen passage slechts over de hoogte van de contante waarde gedaan uitgesproken.

4.1.28. Onderdeel 1.7 richt zich tegen de overweging in rov. 4.8, waarin het hof aangeeft dat indien de verklaring voor recht zoals gevorderd in de memorie van grieven sub 2, louter grammaticaal zou worden uitgelegd, uit 's hofs eerdere overwegingen volgt dat zij voor toewijzing gereed ligt, doch dat het hof de vordering aldus begrijpt dat [eiser], gezien de toelichting op de grieven, kennelijk beoogt met deze vordering rechtens te laten vaststellen dat hij niet behoeft mee te delen in de kosten van de pensioenverplichtingen jegens de 'oudgedienden' van ná 31 augustus 1994, welke vordering aldús uitgelegd, dient te worden afgewezen, en dat grief 2 faalt nu het hof tot dezelfde conclusie komt als de rechtbank ten aanzien van deze vordering.

4.1.29. De klacht is dat die overweging onbegrijpelijk is nu [eiser] bij memorie van grieven heeft gevraagd om voor recht te verklaren dat de pensioenverplichtingen per 1 september 1994 uitsluitend [verweerder] c.s. aangaan en door hen gedragen dienen te worden zonder [eiser] op enigerlei wijze daarmee te belasten.

4.1.30. De klacht stuit af op gebrek aan belang. Immers, wat er van 's hofs strikt grammaticale uitleg zij, het hof en [eiser] vatten de gevraagde verklaring voor recht in gelijke zin op.

4.1.31. Onderdeel 1.8 klaagt dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan [eiser]'s voorwaardelijk gedaan bewijsaanbod om nader te bewijzen, speciaal door getuigen, zijn stellingen dat de pensioenverplichtingen jegens de oudgedienden per 1 september 1994 uitsluitend [verweerder] c.s. aangingen, met name ook fiscaal, en dat het bedrag van de afstorting ad fl. 667.759,-- c.a., niet onder 'overige lasten' als 'voorziening pensioenstichting' ten laste gebracht behoren te worden van de winst- en verliesrekening van de maatschap over de periode van 1 januari tot 31 augustus 1994 en dezelfde bedragen niet onder 'overlopende passiva' behoren te worden gepassiveerd op de balans per 31 augustus 1994.

4.1.32. Het desbetreffende voorwaardelijke bewijsaanbod is opgenomen onder punt 4 op pagina 21 van de memorie van grieven. Het aanbod is gedaan naar aanleiding van punt 2.2.7 op pagina 10 onder grief II, waar [eiser] schreef:

'Het is om verschillende redenen ook onjuist om de afstortingen van de verplichtingen, die eind 1995 en - kennelijk - begin 1996 zijn gedaan, te laste te brengen van de maatschap HMSB door over de periode van 1 januari tot en met 31 augustus 1994 het bedrag van de afstorting ad f. 667.759,00 plus [...] onder "overige lasten" als "voorziening pensioenstichting" ten laste te brengen van de winst- en verliesrekening van de maatschap over de periode van 1 januari tot en met 31 augustus 1994 en dezelfde bedragen onder "overlopende passiva" te passiveren op de balans per 31 augustus 1994.'

Het citaat gelezen hebbende, strekt het bewijsaanbod kennelijk uitsluitend tot het in fiscalibus toestaan van de inrichting van de maatschapjaarstukken op de punten als in het citaat vermeld.

4.1.33. Ook dit onderdeel stuit af op gebrek aan belang, op overeenkomstige gronden als ik in § 4.1.24 aangaf.

Middel II

4.2.1. Middel II klaagt dat erover het hof in r.ovv. 4.9 en 4.10 oordeelt dat [eiser] zijn derde appelgrief met zijn in rov. 4.10 geciteerde respectievelijk weergegeven stellingen onderbouwt op een wijze die niet tot de conclusie kan leiden dat zij slaagt (zie rov. 4.10 in fine, A-G).

Het middel acht dit oordeel onjuist en niet begrijpelijk gemotiveerd.

4.2.2. De (in de toelichting op het onderdeel vervatte) klacht is:

'De met inachtneming van het vonnis te concipiëren jaarstukken 1994 kunnen uitsluitend de periode 1 januari tot en met 31 augustus 1994 betreffen, omdat de advocatenmaatschap per 1 september 1994 is ontbonden. Bij brief van 8 december 2000 heeft de accountant [eiser] evenwel verzocht mee te werken aan de vaststelling van de jaarstukken 1994, die de periode van 1 januari 1994 t/m 31 december 1994 betroffen. Uitsluitend voor [eiser] heeft de accountant de jaarrekening januari tot en met augustus 1994 voltooid.

Ingevolge het eindvonnis van de rechtbank zijn aldus jaarstukken 1994 vastgesteld, die niet met het vonnis in overeenstemming zijn, immers het gehele jaar 1994 betreffen met een ander bedrag aan "voorziening t.b.v. pensioenstichting" dan de uitsluitend ten behoeve van [eiser] opgestelde jaarstukken januari t/m augustus 1994.'

4.2.3. De derde appelgrief strekte ertoe dat de rechtbank haar veroordeling op dit punt te ruim heeft geformuleerd omdat, kort gezegd, de wederpartij in aanvang (curs. A-G) met jaarstukken over geheel 1994, in plaats van over de periode tot en met 31 augustus 1994, ter tafel kwam.

Gezien de strekking van deze derde appelgrief meen ik dat het middel afstuit op art. 407 lid 2 Rv., en wel omdat een werkelijke klacht ontbreekt.

De boodschap in de eerste volzin van de toelichting geeft namelijk aan dat de derde grief ten onrechte is opgeworpen, zodat deze boodschap niet is te beschouwen als (motivering van de) klacht.

Voor zover uit de tweede en derde volzin van de toelichting een klacht is af te leiden, is deze niet tegen 's hofs arrest maar tegen de accountant van [verweerder] c.s. gericht.

Middel III

4.3.1. Middel III richt zicht tegen 's hofs overwegingen in rov. 4.11, die inhouden

- dat [eiser] ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep uitdrukkelijk heeft aangegeven dat thans voor hem de enige reden om de medewerking tot overdracht van het kantoorpand te weigeren, is, dat de weergave van de feiten, zoals neergelegd in de conceptakte van 11 oktober 1999 niet overeenkomt met de werkelijke situatie en

- dat dit in zijn visie en op grond van zijn deskundigheid als fiscalist volgens hem tot gevolg heeft dat overdrachtsbelasting wordt ontdoken (fraus legis) met alle mogelijke negatieve consequenties voor hem in zijn praktijk als fiscalist, en

- dat [verweerder] c.s. deze stelling betwisten met het feit dat de weergave van de feiten in de akte van 11 oktober 1999 niet juist is, en

- dat dat volgens een geraadpleegde notaris niet tot gevolg heeft dat er strijd is met het belastingrecht,

- dat deze notaris een en ander, op verzoek van [verweerder 1] en [verweerder 2] - mede naar aanleiding van de zienswijze van [eiser] - , heeft geverifieerd, en

- dat de akte inmiddels is verleden ten overstaan van notaris [betrokkene 5], notaris te [plaats], en

- dat, nadat [eiser] zijn belastingrechtelijke bezwaren aan de notaris had meegedeeld, hij een antwoord van de notaris op zijn bezwaren niet meer kon herinneren,

- dat hij later aan de notaris meedeelde niet mee te willen werken aan de overdracht van het kantoorpand, omdat de constructie in de akte van levering te gekunsteld was, en

- dat, nu [eiser] zijn belastingrechtelijke bezwaren niet heeft voorgelegd aan de inspecteur registratie en successie, op hém het bewijs rust van zijn stelling dat de weergave in de conceptakte van 11 oktober 1999 niet overeenkomt met de werkelijkheid en dat dat het gevolg heeft dat er sprake is van fraus legis,

- dat [eiser] op dit punt zijn stelling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, met name nu hij zijn visie op eenvoudige wijze aan de genoemde inspecteur had kunnen voorleggen,

- zodat er geen reden is te oordelen dat zijn stelling behoudens tegenbewijs bewezen is, en

- dat, nu [eiser] geen concreet en gespecificeerd bewijsaanbod op dit punt gedaan heeft, het hof hem niet tot het bewijs zal toelaten.

Ten slotte concludeerde het hof dat de juistheid van de stelling van [eiser] in rechte niet is komen vast te staan, zodat het hof de stelling verwerpt en de grief ongegrond acht.

Het middel acht 's hofs overwegingen en conclusie op dit punt onjuist en onbegrijpelijk gemotiveerd.

4.3.2. Onderdeel IIIa klaagt dat 's hofs weergave van de stellingen onjuist en onbegrijpelijk is.

4.3.3. Dit onderdeel stuit reeds af op art. 407 lid 2 Rv, nu iedere motivering ten deze ontbreekt.

4.3.4. Onderdeel IIIb klaagt dat het hof miskent dat hier niet bewijslevering aan de orde is, doch dat [eiser]'s stelling van fraus legis een daad van rechtsvinding van de rechter vraagt op basis van vergelijking van beide akten en de daarin vervatte rechtshandelingen. Het is, zo vervolgt het subonderdeel, niet aan een partij om rechtsvinding te bewijzen.

4.3.5. Het onderdeel berust op onjuiste lezing, en ook op een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft, kennelijk en begrijpelijk, slechts tot uitdrukking willen brengen dat [eiser] zijn stelling dat de weergave van de feiten in de conceptakte van 11 oktober 1999 niet overeenkomt met de werkelijkheid, waardoor er sprake is van 'fraus legis', tegen de gemotiveerde weerspreking door [verweerder] c.s. onvoldoende heeft onderbouwd. Onder deze omstandigheden was het niet aan het hof als civiele rechter om ten aanzien van [eiser]'s, van het standpunt van [verweerder] c.s. en de door hem geraadpleegde personen afwijkende fiscale visie, een fiscaalrechtelijk oordeel te geven, mede gelet op de beoordeling door de belastigingrechter indien een eventueel geschil met de fiscus daartoe alsnog aanleiding zou geven, en gelet op de omstandigheid dat belastingplichtigheid van [eiser] niet aan de orde was.

4.3.6. Onderdeel IIIc klaagt dat het hof miskent dat het niet op de weg van [eiser] lag om de inspecteur registratie en successie om diens mening te vragen, doch op die van [verweerder] c.s. - als de belastingplichtigen immers de meest gerede partijen - om een verklaring over te leggen van de inspecteur dat de omzetting van de akte van 20 augustus 1999 in die van 11 oktober 1999 geen gekunstelde constructie vormt en een legitiem ontgaan inhoudt van de overdrachtsbelasting welke op grond van de eerste akte verschuldigd zou zijn geweest.

4.3.7. Ook dit onderdeel faalt: het behoeft, dunkt mij, geen betoog dat het in eerste instantie aan de steller is om hetgeen hij stelt, na gemotiveerde betwisting, te onderbouwen.

Middel IV

4.4.1. Middel IV, dat een aantal overwegingen uit rov. 4.12 memoreert, is de facto gericht tegen 's hofs overwegingen over de waardering van de fiscale bibliotheek.

Het hof overweegt daarover onder meer, samengevat, dat het op de weg van [eiser] had gelegen zijn stelling dat de aan hem toe gescheiden fiscale bibliotheek niet gewaardeerd moest worden op nieuwwaarde van f 9.496,00, maar - met toepassing van hetzelfde afschrijvingspercentage op de nieuwwaarde als toegepast is bij de inventaris - op f 3.060,70, nader te onderbouwen: met name op het punt of de bibliotheek als geheel de staat van nieuw benaderde, nu volgens [verweerder] c.s. de fiscale bibliotheek goeddeels bijgewerkte losbladige edities betrof die als geheel de staat van nieuw benaderen, hetgeen tot gevolg moet hebben dat op deze bibliotheek niet dezelfde afschrijving dient toegepast te worden als op de totale inventaris en de fiscale bibliotheek up to date was, zodat de juistheid van [eiser]'s stelling niet is komen vast te staan.

Het middel acht deze overwegingen onjuist en niet begrijpelijk gemotiveerd.

4.4.2. De motivering van de klacht is dat in het licht van de overeenstemming tussen partijen over de grondslag van de waardering van inventaris en bibliotheek en het gegeven dat het door [betrokkene 3] opgegeven bedrag de nieuwwaarde vertegenwoordigt, 's hofs overwegingen de rechtsstrijd te buiten gaat en onbegrijpelijk zijn, temeer omdat met dit bedrag als uitgangspunt in het geheel geen afschrijving zou geschieden. Voorts is het, zo klaagt het middel, van algemene bekendheid, en moet een ervaringsgegeven worden geacht dat een advocatenbibliotheek als die van partijen, meerdere, juist ook niet fiscale losbladige uitgaven omvat, die uiteraard up to date worden gehouden - zoals ook het geval was met de bibliotheek van partijen - zonder dat daaraan een (blijvende) nieuwwaarde kan worden toegekend.

4.4.3. Het middel berust op een onjuiste lezing. Het gaat er aan voorbij dat [eiser] bij het hof een nadere onderbouwing achterwege heeft gelaten tegen de visie van [verweerder] c.s., dat de waardering van de fiscale bibliotheek nu juist wel het onderwerp van de rechtsstrijd is, en dat, eveneens in de visie van [verweerder] c.s., die bibliotheek nu juist wel in hoofdzaak goeddeels bijgewerkte losbladige uitgaven bevatte, en de staat van nieuw benaderde.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 In de stukken wordt de naam aanvankelijk geschreven als [verweerder 1], maar later als [verweerder 1].

2 Zie rov. 1.1 van het vonnis van 2 juli 1998 van de rechtbank.

3 Zie rov. 6.5 van het vonnis van 2 juli 1998.

4 Zie rov. 6.5 van het vonnis van 2 juli 1998, en rov. 6 van het eindvonnis van 5 oktober 2000.

5 Inleidende dagvaarding, petita 2 en 4.

6 Mijns inziens bedoelt het hof de advocatenmaatschap (A-G).

7 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 15 juli 2002.

8 Rov. 4.6, p. 5 bovenaan.

9 Rov. 4.7, eerste alinea.

10 Ik constateer nog dat [eiser] bij Conclusie van repliek, punt 10, deed opmerken: 'Fiscaal bestaat een maatschap als belastingplichtige alleen voor de omzetbelasting, niet voor de inkomstenbelasting'.

11 Niet de jaarstukken, maar de verantwoordelijkheid van alle ex-maten jegens de oudgedienden, belasten (ook) [eiser] met de desbetreffende voorziening.