Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AN8069

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2004
Datum publicatie
06-02-2004
Zaaknummer
C02/178HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AN8069
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

6 februari 2004 Eerste Kamer Nr. C02/178HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. M. Ynzonides, t e g e n [Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 38
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 332
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 60
NJ 2004, 271
JWB 2004/47
JBPR 2004/34 met annotatie van mr. F.J.H. Hovens
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C02/178HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 14 november 2003

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

[verweerster]

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 In de periode tussen 22 juli 1993 en 1 augustus 1996 heeft verweerster in cassatie, [verweerster], ten behoeve van eiser tot cassatie, [eiser], voor een totaalbedrag van ƒ 5.395,45 aan premies ziektekostenverzekering betaald.

1.2 [Verweerster] heeft deze premies abusievelijk niet aanstonds aan [eiser] doorberekend. Zij heeft [eiser] daarover bij brief van 26 juni 1996 ingelicht en hem het voorstel gedaan de schuld af te betalen in tien maandelijkse termijnen van ƒ 500,-- zonder berekening van rente over andere kosten.

1.3 Op 30 juli 1996 hebben partijen over deze zaak een gesprek gevoerd, waarbij [eiser] heeft voorgesteld de schuld met ƒ 100,-- per maand af te betalen, welk voorstel door [verweerster] niet is aanvaard.

1.4 Bij brief van 28 augustus 1996 schrijft [verweerster] aan [eiser] onder meer:

"(...) Een en ander in ogenschouw genomen heeft de directie besloten niet akkoord te gaan met uw voorstel tot betaling van een maandbedrag van ƒ 100,-.

Besloten is de incasso uit handen te geven. U zult binnenkort benaderd worden door een gespecialiseerd bureau. (...)"

1.5 Op 30 augustus 1996 antwoordt [eiser] in een brief aan [verweerster] onder meer:

"(...) Daarentegen ben ik, zoals u weet, zeker WEL bereid de verschuldigde premie te betalen, maar kan echter op dit moment niet meer dan ƒ 250,- per maand betalen (dit wil zeggen ƒ 150,- premie en ƒ 100,- aflossing) gezien de financiële situatie waar ik in verkeer.

Ik heb u echter wel tijdens ons gesprek medegedeeld, dat indien de mogelijkheid bestaat, grotere bedragen te betalen dan de huidige ƒ 100,- per maand.

Dit om zo snel mogelijk deze acherstallige premie te voldoen. (...)"

1.6 Nadat [verweerster] haar vordering ter incasso uit handen had gegeven, heeft haar gemachtigde [eiser] voor het eerst bij brief van 3 september 1996 aangemaand.

Na een reactie op deze aanmaning van de advocaat-gemachtigde van [eiser] heeft de gemachtigde van [verweerster] aan deze advocaat-gemachtigde op 12 september 1996 geschreven dat zijn cliënte niet akkoord ging met de afbetalingsregeling van ƒ 100,-- per maand en dat hij bij niet-betaling zou overgaan tot het nemen van rechtsmaatregelen.

1.7 [Eiser] heeft de volgende afbetalingen gedaan:

- in de periode tussen 30 augustus 1996 en 26 november 1996: vijfmaal ƒ 100,-- en tweemaal ƒ 150,--;

- op 23 januari 1997: ƒ 500,--;

- in de periode tussen 26 januari 1997 en 26 november 1997: tienmaal ƒ 250,--;

- op 30 december 1997: ƒ 1.595,45.

Aldus heeft hij aan hoofdsom in totaal ƒ 5.395,45 afbetaald.

1.8 [Verweerster] heeft [eiser] bij inleidende dagvaarding van 30 maart 1998 gedagvaard voor de Kantonrechter te Amersfoort en gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 4.841,26 aan hoofdsom, daarin begrepen een bedrag van ƒ 995,81 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

1.9 Tegen [eiser] is verstek verleend. Vervolgens heeft de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 13 mei 1998 [eiser] veroordeeld om aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 4.796,40 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juli 1996 tot de dag der voldoening. Naar het oordeel van de kantonrechter behoort de vordering als niet onrechtmatig of ongegrond te worden toegewezen

"met dien verstande evenwel dat de buitengerechtelijke kosten bovenmatig voorkomen en derhalve worden beperkt tot een bedrag van ƒ 950,95, met veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten."

1.10 [Eiser] heeft bij dagvaardingsexploit van 1 november 2000 verzet ingesteld tegen het verstekvonnis van de kantonrechter en gevorderd dat hij zal worden ontheven van de veroordeling met nietigverklaring van de inleidende dagvaarding, subsidiair niet-ontvankelijkheid van de vordering en meer subsidiair afwijzing van de vordering en ontheffing van de veroordeling in de verstekprocedure met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de verzetprocedure.

1.11 Aan zijn vordering in oppositie heeft [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover in cassatie van belang - ten grondslag gelegd dat hij geen enkel bedrag aan [verweerster] schuldig is. [Eiser] heeft gesteld dat het de schuld van [verweerster] was dat zij heeft verzuimd de door haar betaalde bedragen aan hem door te berekenen. Ondanks dat hij had erkend het bedrag van ƒ 5.395,45 aan [verweerster] schuldig te zijn en begonnen was deze af te betalen, heeft [verweerster] haar vordering uit handen gegeven, zodat zij, aldus [eiser], de incassokosten aan zichzelf te wijten heeft.

1.12 Nadat [verweerster] aanvankelijk ontkende dat [eiser] het totaal verschuldigde inmiddels zou hebben voldaan(2), heeft zij na wederom nakijken van haar afschriften bij een akte uitlating produktie van 18 april 2001 in eerste aanleg erkend dat de hoofdsom van ƒ 5.395,45 door [eiser] is voldaan (zie onder punt 8).

In deze akte stelde [verweerster] ten slotte dat [eiser] diende te worden veroordeeld tot "betaling van de rente, incassokosten en proceskosten" (zie onder punt 12).

1.13 Bij vonnis van 30 mei 2001 heeft de kantonrechter het verstekvonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van ƒ 950,95 met de wettelijke rente over ƒ 5.395,45 vanaf 7 september 1996 tot de respectieve data waarop door [eiser] deelbetalingen van dat bedrag zijn verricht, alsmede tot betaling van een deel van de proceskosten.

1.14 [Eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij de arrondissementsrechtbank te Utrecht, onder aanvoering van negen grieven.

1.15 [Verweerster] heeft de grieven inhoudelijk bestreden.

De rechtbank heeft [eiser] bij vonnis van 6 maart 2002 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

1.16 [Eiser] heeft tegen het vonnis van de rechtbank - tijdig(3) - beroep in cassatie ingesteld. [Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping ervan. Nadat de partijen hun standpunt schriftelijk hebben laten toelichten, heeft [eiser] nog gerepliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het middel richt zich tegen rechtsoverweging 2.2 van het vonnis, waarin de rechtbank als volgt heeft overwogen:

"De rechtbank begrijpt uit de laatste alinea van de in eerste aanleg genomen akte uitlating productie d.d. 18 april 2001 aan de zijde van [verweerster], dat [verweerster] daarin haar oorspronkelijke vordering aldus vermindert dat zij deze, nu de hoofdsom betaald is, beperkt tot veroordeling in rente en kosten en proceskosten.

De vatbaarheid voor hoger beroep moet worden beoordeeld aan de hand van de vordering waarover, na de vermindering van eis, door de Kantonrechter moest worden gevonnist. (NJ 1988, 133, NJ 1991, 441).

Wel diende de Kantonrechter zich in de verzetprocedure niet alleen te buigen over de oorspronkelijke vordering, maar ook over de vordering tot vernietiging van het verstekvonnis, dat een veroordeling inhield voor een bedrag van meer dan

ƒ 3.500,00 (€ 1588,24), zodat gesteld zou kunnen worden dat de vordering in oppositie meer beliep dan de toenmalige appelgrens van art. 38 RO. De rechtbank is echter van oordeel dat, nu de verzetprocedure moet gelden als voortzetting op tegenspraak van de oorspronkelijke procedure, voor de beoordeling van de vatbaarheid voor hoger beroep moet worden uitgegaan van de oorspronkelijke vordering, zoals die is verminderd. Nu dit (uiteindelijk) betreft een vordering van ƒ 995,81 (€ 451,88) aan buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente over ƒ 5.395,45 (€ 2448,36) of gedeelten daarvan vanaf 26 juli 1996 tot december 1997 of mei 1998 en aldus ruimschoots blijft onder de appelgrens van ƒ 3.500,-- (€ 1588,24), dient [eiser] niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep, met veroordeling van [eiser] in de kosten daarvan."

2.2 Het middel bevat één klacht (onderdelen 4 tot en met 7(4)) en een "terzijde" (onder 8). De onderdelen 1 tot en met 3 bevatten inleidende opmerkingen.

2.3 Het middel klaagt, samengevat, dat het oordeel van de rechtbank dat [verweerster] in eerste aanleg haar vordering heeft verminderd tot een bedrag dat ruimschoots onder de appelgrens als bedoeld in art. 38 RO oud blijft, onbegrijpelijk en onjuist is nu uit de processtukken geen eisvermindering kan worden afgeleid, partijen zelf in de verzet-procedure in eerste aanleg(5) en in appel(6) niet van een eisvermindering zijn uitgegaan maar van de vordering zoals deze bij dagvaarding van 30 maart 1998 door [verweerster] was ingesteld en dat ook de kantonrechter is uitgegaan van deze oorspronkelijke vordering (zie rov. 3).

De oorspronkelijke vordering bedroeg ruim meer dan ƒ 5.000,-- zodat de zaak volgens het middel gelet op het toenmalige art. 38 RO zonder meer appellabel was (onderdeel 7).

2.4 In onderdeel 8 wordt "terzijde" opgemerkt dat de rechtbank bij haar oordeel heeft miskend dat krachtens de overgangsbepaling van art. VI van de wijzigingswet (Stb. 1998, 605) de oude appelgrens van ƒ 2.500,- van toepassing bleef op zaken waarin de inleidende dagvaarding zoals hier vóór 1 januari 1999 is uitgebracht.

Hiervan is echter geen klacht gemaakt.

Algemene opmerkingen

2.5 De vraag naar de appellabiliteit is van openbare orde en dient de appelrechter, zo nodig, ambtshalve in zijn onderzoek te betrekken(7).

2.6 Volgens vaste rechtspraak is de maatstaf voor de beoordeling van appellabiliteit (de waarde van) de vordering waarover de eerste rechter, al dan niet na wijziging van eis, heeft geoordeeld(8) en dus niet het toegewezen bedrag.

Bij deze maatstaf tellen nevenvorderingen, zoals een wettelijke of contractuele rente dan wel dwangsommen, mee indien en voorzover deze ten tijde van de inleidende dagvaarding reeds verschuldigd of opeisbaar waren geworden(9).

2.7 De waarde van de vordering(en) waarover de rechter in eerste aanleg heeft gevonnist, behoeft niet gelijk te zijn aan de waarde van de vordering die aan de appelrechter wordt voorgelegd, omdat nog een vermeerdering of vermindering van eis kan plaatsvinden(10).

Het criterium voor de beoordeling van de hoofdzaak, te weten dat de appelrechter heeft te oordelen naar de toestand zoals die zich voordoet op het moment van zijn beslissing(11), geldt hier dus niet. Dat naar aanleiding van het bestreden vonnis inmiddels betalingen zijn verricht, doet dan ook voor de beoordeling van de appellabiliteit niet ter zake.

2.8 De hiervoor genoemde vaste rechtspraak is thans gecodificeerd in art. 332 lid 1 Rv. waarin tot uitdrukking is gebracht dat de appellabiliteit wordt bepaald door de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen.

2.9 Niet beslissend voor de appellabiliteit, maar wel voor de toewijsbaarheid van de vordering is de vraag of inmiddels door de gedaagde betalingen zijn gedaan.

Bij de beoordeling van de appellabiliteit gaat het, zoals gezegd, uitsluitend om de vordering waarover diende te worden gevonnist. Daarmee is de rechtszekerheid gediend. Zou men gedane betalingen in de beoordeling van de appellabiliteit betrekken, dan heeft een gedaagde het in de hand of een vonnis appellabel is of niet. Dit is in strijd met het systeem.

2.10 Hetzelfde geldt voor het door de gedaagde gevoerde verweer.

In zijn arrest van 19 april 2002, NJ 2002, 299 heeft de Hoge Raad zijn eerdere uitspraak van 5 januari 1996, NJ 1996, 333 bevestigd dat voor het antwoord op de vraag of tegen het vonnis van de kantonrechter hoger beroep openstond uitsluitend bepalend is de waarde van de vordering waarover de kantonrechter diende te oordelen, terwijl voor de bepaling van de bevoegdheid het verweer van de gedaagde mede in de beoordeling dient te worden betrokken(12).

Het bestreden vonnis

2.11 In hetgeen [verweerster] heeft gesteld in de akte uitlating produktie van 18 april 2001 heeft de rechtbank gelezen dat [verweerster] daarin haar oorspronkelijke vordering aldus verminderde dat zij deze, nu de hoofdsom was betaald, beperkte tot veroordeling van [eiser] in rente en kosten en proceskosten. [Verweerster] geeft onder 12 - de kennelijk door de rechtbank bedoelde "laatste alinea" - immers aan dat [eiser] gelet op het daar gestelde diende te worden "veroordeeld tot betaling van de rente, incassokosten en proceskosten", nadat zij onder 8 van die akte had erkend dat de hoofdsom inmiddels door [eiser] was voldaan.

Een eisvermindering is geheel vormvrij en zou derhalve - mits bedoeld - op deze wijze kunnen geschieden.

2.12 Echter, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is de appelrechter bij de beoordeling van de ontvankelijkheid in hoger beroep gebonden aan de feitelijke vaststellingen door de rechter in eerste aanleg, voor zover deze feitelijke vaststellingen niet door partijen in hoger beroep zijn bestreden(13). Dit geldt niet alleen voor de vaststelling van de feiten - inclusief de uitlegging van de inleidende dagvaarding(14) - maar ook voor de interpretatie van de vordering en de grondslag waarop deze berust.

2.13 De appelrechter heeft dus niet de vrijheid te beoordelen van welke waarde van de vordering de rechter in eerste aanleg in zijn vonnis had moeten uitgaan, indien niet wordt opgekomen tegen de vaststelling van die waarde door de rechter in eerste aanleg. Hij verkrijgt deze vrijheid ook niet via de regel dat de uitleg van de gedingstukken aan hem is voorbehouden.

2.14 In rechtsoverweging 3 van zijn vonnis heeft de kantonrechter vooropgesteld dat [verweerster] in de onderhavige procedure vordert "de veroordeling van [eiser] tot betaling van een bedrag van ƒ 4.841,26 aan hoofdsom, ƒ 995,81 aan buitengerechtelijke incassokosten, en voorts rente en kosten". Tegen deze feitelijke vaststelling heeft geen der partijen in hoger beroep een grief aangevoerd.

2.15 Vervolgens heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 5 overwogen als volgt:

"[Verweerster] heeft de inhoud van het door [eiser] overgelegde betalingsoverzicht niet weersproken. Dat betekent dat [eiser] ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog slechts ƒ 1.595,- aan hoofdsom verschuldigd was, welk bedrag kort na het uitbrengen van de dagvaarding is betaald. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij de hantering van het tarief voor de berekening van het gemachtigden-salaris, alsmede met de kostenveroordeling met betrekking tot het door [verweerster] betaalde griffierecht.

(...)."

2.16 Tegen deze rechtsoverweging heeft [eiser] als tweede grief aangevoerd dat onjuist is de vaststelling dat hij "bij het uitbrengen van de dagvaarding" nog slechts ƒ 1.595,-- aan [verweerster] schuldig was(15).

2.17 Uit rechtsoverweging 5 kan m.i. niet anders worden afgeleid dan dat de kantonrechter voor wat betreft de hantering van het tarief voor de berekening van het gemachtigden-salaris alsmede met het oog op de kostenveroordeling, uitgaat van het gegeven dat de [eiser] ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog slechts een bedrag van ƒ 1.595,-- aan hoofdsom verschuldigd was.

Aan deze passage kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat de kantonrechter in de stellingen van [verweerster] een eisvermindering heeft gelezen.

2.18 Nu in hoger beroep geen grief is gericht tegen de vaststelling door de kantonrechter dat [verweerster] in eerste aanleg vorderde [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 4.841,26 aan hoofdsom, ƒ 995,81 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met rente en kosten, diende de rechtbank bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van [eiser] in zijn hoger beroep hiervan uit te gaan. Door anders te beslissen en rekening te houden met de eisvermindering zoals geformuleerd in de akte uitlating produktie van 18 april 2001, heeft de rechtbank derhalve een onjuiste maatstaf aangelegd bij de beoordeling van de appellabiliteit.

De klacht treft in zoverre doel. Voor het overige behoeft deze geen behandeling.

2.19 Ten overvloede ga ik nog in op het "terzijde" van het middel.

2.20 Art. 38 RO oud luidde van 1992 tot 1 januari 1999 als volgt:

Behalve de werkzaamheden aan de kantonrechters bij de wet opgedragen, nemen zij kennis in burgerlijke zaken, zonder hoger beroep, indien de vordering niet meer beloopt dan ƒ 2.500 en behoudens hoger beroep, indien dezelve niet meer beloopt dan ƒ 5.000:

1°. (...).

2.21 Met ingang van 1 januari 1999 heeft de wetgever de appelgrens in art. 38 RO oud verhoogd tot ƒ 3.500,--(16). Dit artikel luidde tot 1 januari 2002 als volgt:

Behalve de werkzaamheden aan de kantonrechters bij de wet opgedragen, nemen zij kennis in burgerlijke zaken, zonder hoger beroep, indien de vordering niet meer beloopt dan ƒ 3.500 en behoudens hoger beroep, indien dezelve niet meer beloopt dan ƒ 10.000:

1°. (...).

2.22 Art. VI van deze wijzigingswet bevat een regel van overgangsrecht en bepaalt dat de bepalingen van die wet niet van toepassing zijn op zaken die door het uitbrengen van een inleidende dagvaarding zijn aangevangen vóór de dag waarop deze wet in werking treedt, ook als in die zaken na die dag hoger beroep wordt ingesteld.

Om de reeds in gang gezette procedures niet onnodig te compliceren, heeft de wetgever van 1999 gekozen voor eerbiedigende werking, in die zin dat op deze burgerlijke zaken het oude procesrecht van toepassing blijft zowel in eerste aanleg als in verdere instantie(17).

2.23 Zo overwoog ook de Hoge Raad in zijn arrest van 30 november 2001, NJ 2002, 56 als volgt:

"Art. 38 RO, zoals dat tot 1 januari 1999 luidde, bepaalde dat geen hoger beroep kon worden ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter als het totaal bedrag van de vordering minder bedroeg dan f 2500. Op 1 januari 1999 is art. 38 RO in dier voege gewijzigd, dat geen hoger beroep openstaat als de vordering niet meer beloopt dan f 3500. Uit artikel VI (...) volgt, dat de gewijzigde bepaling niet van toepassing is op zaken waarvan de inleidende dagvaarding is uitgebracht voor 1 januari 1999."

2.24 De dit geding inleidende dagvaarding van [verweerster] is uitgebracht op 30 maart 1998, zodat de vraag of tegen het vonnis van de kantonrechter hoger beroep openstond, ingevolge art. VI van de wijzigingswet moet worden beantwoord naar de vóór 1 januari 1999 geldende appelgrens van ƒ 2.500,--.

In het middel wordt terecht opgemerkt (zie de cassatiedagvaarding, p. 5 onder punt 8) dat hieraan niet afdoet dat de verzetdagvaarding van [eiser] is uitgebracht op 1 november 2002. Volgens de overgangsbepaling en de daarop gegeven toelichting blijft het oude procesrecht van toepassing "in eerste aanleg en verdere instantie" waarmee de wetgever van 1999 duidelijk het oog heeft gehad op de instanties na het aanwenden van de gewone rechtsmiddelen verzet, hoger beroep en cassatie.

2.25 Het vonnis van de rechtbank kan mitsdien niet in stand blijven.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het vonnis van de kantonrechter te Amersfoort van 30 mei 2000 onder 2.1 t/m 2.6. De rechtbank heeft geen feiten vastgesteld.

2 Zie CvA in oppositie onder punt 4.

3 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 31 mei 2002.

4 Er zijn twee nummers 5 en 6.

5 Verwezen wordt naar de CvA in oppositie, onder punt 4 en de CvR in oppositie, onder punt 10 en 11 (zie onderdeel 5).

6 Verwezen wordt naar MvG, p. 2 midden en grief 8 ("dat [verweerster] in de verzetprocedure een deel van de hoofdsom vordert") en MvA, p. 5 onder punt 9 midden ("en [verweerster] in verzet haar eis noch heeft verminderd noch vermeerderd heeft").

7 Zie o.m. HR 22 mei 1987, NJ 1988, 291 m.nt. WHH en HR 24 mei 1996, NJ 1996, 538.

8 Zie o.m. HR 24 april 1987, NJ 1988, 133 m.nt. WH; HR 26 april 1991, NJ 1991, 441; HR 5 januari 1996, NJ 1996, 333 en Hof Amsterdam 28 januari 1988, NJ 1988, 1045. Zie ook mijn conclusies vóór HR 30 november 2001, NJ 2002, 56 en vóór HR 19 april 2002, NJ 2002, 299 en W.H. Heemskerk in zijn noot onder NJ 1988, 133 met oudere rechtspraak. Zie voorts Hugenholtz/Heemskerk (1998), nrs. 21 en 25; Snijders/Ynzonides/Meijer (1997), nr. 84; Snijders/Wendels, Civiel appel (1999), nr. 52 en (2003), nr. 37; Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Gerretsen, art. 39 RO, aant. 3

9 Zie o.m. HR 16 oktober 1987, NJ 1988, 1014 m.nt. CJHB; HR 25 maart 1994, NJ 1994, 392; HR 16 december 1994, NJ 1995, 198 en de conclusie van A-G Asser voor dat arrest (onder 2.4 e.v.); HR 19 april 2002, NJ 2002, 299. Zie ook Snijders/Wendels, Civiel appel, 1999, p. 27-29; Snijders/Ynzonides/Meijer (1997), nr. 84; Hugenholtz/Heemskerk (1998), nr. 26.

10 Zie hierover Ras, Het tussenvonnis in het burgerlijk procesrecht, diss. Amsterdam UvA, 1966, p. 43-44.

11 HR 23 februari 1996, NJ 1996, 395; zie voor andere voorbeelden de conclusie van A-G Vranken vóór dit arrest.

12 Anders Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 37, p. 64.

13 Zie o.m. HR 25 maart 1966, NJ 1966, 228; HR 24 april 1981, NJ 1981, 494 m.nt. WHH; HR 15 maart 1985, NJ 1986, 36 m.nt. WHH; HR 1 februari 1991, NJ 1991, 598 en HR 28 februari 1992, NJ 1992, 355. Zie ook Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2001, nrs. 24, 48 en 57 met verdere gegevens.

14 Zie A-G Bloembergen in zijn conclusie vóór HR 27 februari 1987, NJ 1987, 584.

15 Voor het overige zijn de grieven gericht tegen de wijze waarop de kantonrechter de buitengerechtelijke incassokosten, rente en kosten heeft toegewezen.

16 Wet van 19 oktober 1998, Stb. 605 tot verhoging van de grens van de bevoegdheid van de kantonrechters en van de appellabiliteit van vonnissen van deze rechters in burgerlijke zaken. Zie ook het Besluit van 9 november 1998, Stb. 624. Zie thans art. 332 lid 1 Rv.

17 Zie de MvT, TK 1997-1998, 25 881, nr. 3, p. 5.