Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AN7828

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-01-2004
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
C02/277HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AN7828
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

23 januari 2004 Eerste Kamer Nr. C02/277HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. J. Schoneveld, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie), gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. G. Snijders. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 27
JWB 2004/23

Conclusie

Rolnr. C02/277HR

Mr. L. Strikwerda

Zt. 31 okt. 2003

conclusie inzake

[eiser]

tegen

De Staat der Nederlanden

(Ministerie van Justitie)

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de Staat wegens het verstrekken van onvolledige informatie aan de autoriteiten van Sri Lanka aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die eiser stelt te hebben geleden als gevolg van strafrechtelijk optreden tegen hem in Sri Lanka.

2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 1 en 2 van het bestreden arrest).

(i) Thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], is in 1985 op het vliegveld van Colombo, Sri Lanka, van waar hij naar Nederland zou reizen, aangehouden toen ontdekt werd dat hij vijf pakketjes met een poedervormige stof bij zich droeg.

(ii) Hij is in verzekering gesteld en in Sri Lanka strafrechtelijk vervolgd waarbij hem bezit en poging tot export van 482 gram heroïne ten laste is gelegd.

(iii) Naar aanleiding van een verzoek om inlichtingen van Interpol Colombo heeft Interpol 's-Gravenhage aan Interpol Colombo op 12 september 1986 een telefax gestuurd, waarin vermeld was dat [eiser] op 26 oktober 1983 door het Gerechtshof te Amsterdam tot vier jaar gevangenisstraf was veroordeeld wegens een drugsdelict.

(iv) Bij vonnis d.d. 16 oktober 1986 van de High Court te Negombo, Sri Lanka, werden voormelde feiten bewezen verklaard en werd [eiser] ter dood veroordeeld. [Eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan.

(v) Bij telegram d.d. 24/27 oktober 1986 berichtte de CRI/Interpol 's-Gravenhage aan Interpol Colombo onder meer dat de eerder verstrekte informatie onvolledig was, dat het eerdergenoemde arrest van het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest d.d. 24 april 1984 van de Hoge Raad is vernietigd, en dat [eiser] vervolgens, bij arrest d.d. 27 augustus 1984, door het Gerechtshof te 's-Gravenhage is vrijgesproken. Deze nadere informatie is bij brief van 13 november 1986 namens de Minister van Justitie nog eens bevestigd.

(vi) De voormelde, aan [eiser] in Sri Lanka ten laste gelegde feiten zijn in het door [eiser] ingestelde hoger beroep ook door de Court of Appeal van Sri Lanka bij arrest van 28 juni 1988 bewezen geoordeeld. De aan hem opgelegde doodstraf werd in hoger beroep wegens de leeftijd van [eiser] (geboren op [geboortedatum] 1930) echter omgezet in 15 jaar gevangenisstraf.

(vii) In 1991 is [eiser] om medische redenen in vrijheid gesteld, waarna hij naar Nederland is teruggekeerd.

3. Bij exploit van 22 december 1995 heeft [eiser] thans verweerder in cassatie, hierna: de Staat, gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd dat de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de door hem als gevolg van het strafrechtelijk optreden tegen hem in Sri Lanka geleden materiële en immateriële schade, op te maken bij staat. [Eiser] legde aan zijn vordering ten grondslag dat - kort gezegd - de Staat jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door via de voormelde fax d.d. 12 september 1986 opzettelijk foutieve en zeer belastende informatie te verstrekken aan de autoriteiten van Sri Lanka, dat deze informatie een rol heeft gespeeld bij de oordeelsvorming van de rechter in eerste aanleg, zowel wat de bewezenverklaring als wat de straftoemeting betreft, en dat zonder die informatie het niet tot een bewezenverklaring en tot een veroordeling tot de doodstraf zou (kunnen) zijn gekomen.

4. Nadat de Staat de vordering van [eiser] had bestreden, heeft de Rechtbank bij vonnis van 12 maart 1997 de vordering afgewezen. Zij verwierp de stelling van [eiser] dat zonder de bezwarende informatie uit Nederland een veroordeling onmogelijk zou zijn geweest (r.o. 3.3) en ging aan het bewijsaanbod van [eiser] op dit punt als te vaag voorbij (r.o. 3.4).

5. [Eiser] is van het vonnis van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Hij voerde twee grieven aan tegen het vonnis van de Rechtbank. De eerste grief richtte tegen de verwerping door de Rechtbank van de stelling van [eiser] dat zonder de bezwarende informatie uit Nederland een veroordeling onmogelijk zou zijn geweest, de tweede grief tegen het passeren door de Rechtbank van het bewijsaanbod van [eiser]. [Eiser] heeft voorts, onder handhaving van de in eerste aanleg aangevoerde stelling als primaire grondslag van zijn vordering, zijn eis vermeerderd met de subsidiaire stelling dat de bedoelde fax in elk geval (zo al niet bij de bewezenverklaring dan toch) bij de bepaling van de doodstraf een rol heeft gespeeld, alsmede met de meer subsidiaire stelling dat de wetenschap dat de Staat aan zijn veroordeling heeft willen bijdragen door onvolledige informatie te verstrekken tot op de dag van vandaag een zware psychische belasting voor hem oplevert, die hem belemmert normaal sociaal en psychisch te functioneren.

6. Het Hof heeft bij arrest van 20 juni 2002 het vonnis waarvan beroep bekrachtigd. Het Hof verwierp de aangevoerde grieven en was van oordeel dat de vordering van [eiser] op geen van de daaraan meegegeven grondslagen kan worden toegewezen. Daartoe overwoog het Hof - kort weergegeven - als volgt. Vooropgesteld wordt door het Hof dat het verstrekken van onvolledige informatie in antwoord op een verzoek om inlichtingen van de autoriteiten van Sri Lanka in het kader van een strafrechtelijk optreden tegen [eiser] in beginsel onzorgvuldig en jegens [eiser] onrechtmatig was (r.o. 6). Het door [eiser] gestelde causale verband tussen de bewezenverklaring en de onvolledige informatie in de fax is naar het oordeel van het Hof evenwel niet aannemelijk, nu in het vonnis van de High Court te Negombo op geen enkele wijze aan de fax of de daarin vervatte mededeling wordt gerefereerd en de motivering van de bewezenverklaring is gebaseerd of een groot aantal feiten en omstandigheden die geen van alle iets met de antecedenten en/of de persoon van [eiser] uitstaande hebben (r.o. 7). Van voor vergoeding in aanmerking komende immateriële schade als gevolg van het doodvonnis zou naar 's Hofs oordeel slechts sprake kunnen zijn, indien psychisch letsel is ontstaan welke zonder de veroordeling tot de doodstaf niet zou zijn ontstaan en die dus niet reeds het gevolg is van andere omstandigheden, zoals de strafvervolging, de bewezenverklaring, de langdurige gevangenisstraf en/of de gestelde wetenschap dat de Staat aan de veroordeling heeft willen bijdragen (r.o. 12). Dat de veroordeling tot de doodstraf op zichzelf heeft geleid tot zodanige immateriële schade, dan wel tot een vergroting van de immateriële schade, is naar 's Hofs oordeel niet voldoende concreet gesteld of aannemelijk gemaakt (r.o. 13). De stelling dat de wetenschap dat de Staat aan zijn veroordeling heeft willen bijdragen door onvolledige informatie te verstrekken tot psychisch letsel bij [eiser] heeft geleid, heeft het Hof verworpen op grond van de overweging dat het gestelde psychische letsel niet kan worden toegerekend aan de Staat, aangezien de veronderstelling dat de Staat aan zijn veroordeling heeft willen bijdragen in het licht van de gebleken omstandigheden ongegrond is (r.o. 16 en 17).

7. [Eiser] is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met twee middelen die door de Staat zijn bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

8. Middel 1 keert zich kennelijk tegen het oordeel van het Hof - in r.o. 7 - met betrekking tot de primaire grondslag van de vordering van [eiser]. Het middel betoogt dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat uit het feit dat in het in eerste aanleg door de rechter in Sri Lanka tegen [eiser] uitgesproken strafvonnis geen verwijzing staat naar de fax afgeleid kan worden dat die fax geen rol heeft gespeeld bij de oordeelsvorming van die rechter. Voorts klaagt het middel dat het Hof, indien het twijfelde aan de echtheid van de door [eiser] overgelegde schriftelijke verklaringen van de rechter die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan en van de advocaat die [eiser] bijstond, dezen als getuigen had moeten horen.

9. De eerste klacht van het middel faalt. Het gewraakte oordeel van het Hof is feitelijk van aard en kan in cassatie op juistheid niet worden getoetst. Voor zover het middel wil betogen dat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is of anderszins onvoldoende gemotiveerd, kan het evenmin doel treffen. In aanmerking genomen dat het gewraakte oordeel van het Hof - blijkens de aanhef van r.o. 7 - betrekking heeft op de vraag of de fax een rol heeft gespeeld bij de bewezenverklaring door de rechter in eerste aanleg, is niet onbegrijpelijk dat het Hof deze vraag in ontkennende zin heeft beantwoord op grond van de - in cassatie niet bestreden - vaststelling dat in het vonnis van de rechter in eerste aanleg op geen enkele wijze aan de fax of de daarin vervatte mededeling wordt gerefereerd en dat de motivering van de bewezenverklaring is gebaseerd of een groot aantal feiten en omstandigheden die geen van alle iets met de antecedenten en/of de persoon van [eiser] uitstaande hebben.

10. Ook de tweede klacht van het middel is naar mijn oordeel tevergeefs voorgesteld. Het Hof heeft het aanbod van [eiser] om de rechter en de advocaat onder ede te doen bevestigen wat zij schriftelijk hebben verklaard als te vaag en niet ter zake dienend afgewezen. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. De schriftelijke verklaring van de advocaat d.d. 11 oktober 1991 (overgelegd als productie 5 bij de conclusie van repliek) houdt niets in met betrekking tot de vraag of de fax een rol heeft gespeeld bij de bewezenverklaring, terwijl de schriftelijke verklaring van de rechter d.d. 20 februari 1998 (overgelegd als productie bij de memorie van grieven) weliswaar inhoudt dat deze thans kennelijk twijfelt aan de juistheid van de bewezenverklaring, maar zulks niet op grond van het feit dat hij ten onrechte is afgegaan op de inhoud van de fax, doch op grond van het feit dat "(o)nly now, for the first time it has brought to my notice that the packets seized from the possession of the accused allegedly containing Heroin in fact did not contain Heroin but Bicarbonate of Soda according to the Report of the Government Analyst".

11. Middel 2 heeft kennelijk betrekking op het oordeel van het Hof - in r.o. 16 en 17 - met betrekking tot de meer subsidiaire stelling die [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. Het middel klaagt in de eerste plaats dat het Hof die stelling ten onrechte heeft afgewezen en in de tweede plaats dat het Hof ten onrechte het aanbod van [eiser] om door middel van een psychiatrische rapportage te bewijzen dat hij psychische schade heeft geleden heeft verworpen.

12. Wat de eerste klacht betreft, voert het middel aan dat het Hof heeft miskend dat het goed mogelijk is, hetgeen [eiser] ook heeft gesteld, dat het enkele feit dat [eiser] op enig moment, door toedoen van de Staat, in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat zijn eigen overheid bereid was bij te dragen aan de totstandkoming van een doodvonnis, blijvend psychisch leed bij hem heeft veroorzaakt.

13. De eerste klacht van het middel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het Hof zou hebben miskend dat [eiser] mogelijk blijvend psychisch leed ondervindt van de bij hem levende veronderstelling dat de Staat aan zijn veroordeling heeft willen bijdragen. Het Hof heeft slechts geoordeeld dat dit leed niet kan worden toegerekend aan de Staat omdat [eiser], gelet op de door het Hof in r.o. 16 gereleveerde omstandigheden, geen reden had om aan te nemen dat de Staat aan zijn veroordeling heeft willen bijdragen.

14. Hierin ligt tevens besloten dat en waarom ook de tweede klacht van het middel geen doel kan treffen. Waar het Hof heeft geoordeeld dat het psychische leed dat [eiser] stelt te ondervinden als gevolg van de bij hem levende veronderstelling dat de Staat aan zijn veroordeling heeft willen bijdragen niet kan worden toegeschreven aan het gewraakte handelen van de Staat, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk 's Hofs oordeel dat het aanbod tot bewijslevering van het gestelde psychische leed door een psychiatrische rapportage als niet ter zake dienend moet worden gepasseerd.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,