Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AN7327

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-01-2004
Datum publicatie
30-01-2004
Zaaknummer
C02/218HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AN7327
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

30 januari 2004 Eerste Kamer Nr. C02/218HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer, t e g e n WONINGSTICHTING BINNENHOF, gevestigd te Heemstede, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 353, geldigheid: 2004-01-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 44
NJ 2005, 246
RvdW 2004, 28
JWB 2004/42

Conclusie

Rolnr. C02/218HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 31 oktober 2003 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

Woningstichting Binnenhof

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Eiser tot cassatie, [eiser], heeft op 20 maart 1980 een huurovereenkomst gesloten met de stichting Woningstichting St. Joseph, waarbij [eiser] van genoemde stichting de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] heeft gehuurd.

1.2 Op 24 mei 1995 is Woningstichting St. Joseph een juridische fusie aangegaan met een tweetal andere woningstichtingen, waarbij zij zijn gefuseerd tot de stichting Woningstichting Binnenhof, thans verweerster in cassatie, Binnenhof.

1.3 [Eiser] heeft vanaf 1984 een aantal procedures gevoerd, tot 1995 tegen Woningstichting St. Joseph en later tegen Binnenhof, met betrekking tot de verplichtingen over en weer op grond van genoemde huurovereenkomst.

1.4 Bij inleidende dagvaarding van 19 oktober 2000 heeft Binnenhof [eiser] gedagvaard voor de kantonrechter te Haarlem en daarbij ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gevorderd, alsmede veroordeling van [eiser] tot betaling van huurachterstand en van een bedrag van ƒ 647,31 per maand vanaf de ontbinding tot aan de ontruiming, met nevenvorderingen.

1.5 Aan haar vordering heeft Binnenhof ten grondslag gelegd dat [eiser] in de nakoming van zijn verbintenissen uit de huurovereenkomst is tekort geschoten. Volgens Binnenhof heeft [eiser] consequent onjuiste huurtermijnen overgemaakt waardoor keer op keer een huurachterstand is ontstaan. Daarnaast heeft [eiser] zich niet gedragen als een goed huurder door vanaf 1984 14 procedures te voeren over huurverhogingen, die hij in 13 gevallen heeft verloren. [Eiser] is, aldus nog steeds Binnenhof, op geen enkel onderdeel bereid om zijn medewerking te verlenen bij het vinden van een oplossing en is elk redelijk overleg met hem onmogelijk. [Eiser] maakt zich dan ook schuldig aan misbruik van zijn bevoegdheden, zodat de huurovereenkomst met een beroep op het bepaalde in de art. 3:13, 3:15 en 3:303 BW kan worden ontbonden.

1.6 [Eiser] heeft verweer gevoerd en allereerst het bestaan van een huurachterstand betwist. Voorts heeft hij gesteld dat hem geen slecht huurderschap kan worden verweten omdat de wet hem de mogelijkheid biedt de voorgestelde huurverhogingen of jaarlijkse afrekeningen van servicekosten aan te vechten. [Eiser] heeft daarnaast betwist dat hij 13 keer in het ongelijk is gesteld. Ten slotte heeft [eiser] gesteld dat hij altijd goed overleg heeft nagestreefd, maar dat Binnenhof vervolggesprekken uit de weg is gegaan.

1.7 De kantonrechter heeft bij vonnis van 7 februari 2001 de vorderingen toegewezen, met uitzondering van de vordering tot betaling van de huurachterstand, aangezien niet duidelijk is welke huur [eiser] aan Binnenhof verschuldigd is(2).

1.8 Op 28 februari 2001 heeft Binnenhof de woning van [eiser] op grond van dit vonnis laten ontruimen.

1.9 [Eiser] is van het vonnis van de kantonrechter in hoger beroep gekomen bij de arrondissementsrechtbank te Haarlem en heeft daarbij vernietiging van dit vonnis gevorderd en afwijzing van de vordering van Binnenhof. Daarnaast heeft hij in appel gevorderd dat de rechtbank bepaalt dat hij het huurgenot van de woning herkrijgt tegen een huurprijs van ƒ 565,01 per maand (althans een in goede justitie te bepalen huurprijs), dan wel dat Binnenhof hem een vervangende gelijkwaardige woonruimte aanbiedt, alles op straffe van een dwangsom. Verder heeft [eiser] gevorderd dat Binnenhof wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding wegens verhuis- en herinrichtingskosten.

1.10 De rechtbank heeft [eiser] bij vonnis van 23 april 2002 niet-ontvankelijk verklaard in zijn reconventionele vorderingen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

1.11 [Eiser] heeft tijdig(3) beroep in cassatie ingesteld. Binnenhof is niet verschenen. [Eiser] heeft zijn cassatiemiddel schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het middel bestaat uit drie onderdelen (en enkele subonderdelen).

Onderdeel 1 is gericht tegen rechtsoverweging 4.1 van het vonnis. Daarin heeft de rechtbank, voorzover thans van belang, als volgt geoordeeld:

"Voorafgaand aan de behandeling van de grieven ziet de rechtbank aanleiding om een beslissing te nemen omtrent een deel van de door [eiser] in appèl ingestelde vorderingen. Daarbij is van belang dat [eiser] in eerste aanleg de kantonrechter slechts heeft verzocht om Binnenhof in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze af te wijzen. (...) Ingevolge artikel 250 lid 2 Rv kan [eiser] echter in hoger beroep geen vordering in reconventie meer instellen, zodat [eiser] in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Thans is derhalve uitsluitend nog aan de orde of de beslissingen van de kantonrechter ter zake de vorderingen van Binnenhof in stand kunnen blijven."

2.2 Het onderdeel klaagt dat de rechtbank ten onrechte en/of zonder toereikende motivering [eiser] niet-ontvankelijk heeft verklaard in de bij memorie van grieven ingestelde tegenvorderingen, omdat deze het karakter zouden hebben van een ingevolge art. 250 lid 2 (oud) Rv. in appel niet meer toegelaten eis in reconventie. Daarmee heeft de rechtbank miskend, aldus het onderdeel, dat art. 250 lid 2 (oud) Rv. zich niet verzet tegen een vordering in appel van de oorspronkelijk gedaagde, welke is gericht op ongedaanmaking van, en eventueel schadevergoeding voor, hetgeen is verricht ter uitvoering van het in appel te vernietigen vonnis in eerste aanleg, zo vervolgt het middel.

2.3 Allereerst merk ik op dat niet geheel duidelijk is welk deel van de door [eiser] in hoger beroep ingestelde vorderingen de rechtbank op het oog heeft in haar openingszin van rechtsoverweging 4.1. Uit de tweede zin kan wellicht worden afgeleid dat de rechtbank bedoelt dat [eiser] wel in hoger beroep zijn vorderingen tot niet-ontvankelijkverklaring en afwijzing van de vorderingen kan herhalen. In ieder geval gaat het onderdeel daarvan uit; ik denk terecht.

2.4 Dit brengt mee dat de rechtbank van oordeel is dat [eiser] in appel niet kan vorderen dat Binnenhof hem het huurgenot hergeeft en wel tegen een huurprijs van ƒ 565,01 per maand (althans een in goede justitie te bepalen huurprijs), dan wel hem een vervangende gelijkwaardige woonruimte aanbiedt, alles op straffe van een dwangsom en dat daarnaast niet voor het eerst in appel een vordering kan worden ingesteld tot vergoeding van schade.

2.5 Dit oordeel is ten dele onjuist. Een appellant kan, naast vernietiging van het bestreden vonnis, ongedaanmaking vorderen van hetgeen ter uitvoering van dat vonnis reeds is verricht. De Hoge Raad heeft reeds bij arrest van 20 maart 1913, NJ 1913, p. 636 in deze zin beslist:

"dat de Mijnbouw Maatschappij als appellante de vernietiging van het vonnis des eersten rechters vorderend, als noodzakelijk en onafscheidelijk gevolg dier vernietiging van den aanvankelijken eischer kon vragen de teruggave van hetgeen zij bij voorraad ter voldoening aan het vonnis des eersten rechters hem bereids had afgegeven, en dit doende, niet instelde eene van den eisch tot vernietiging zelfstandige vordering (...)"(4).

2.6 Nadien heeft de Hoge Raad zich niet meer expliciet over deze materie uitgelaten(5), doch in de lagere jurisprudentie wordt het arrest uit 1913 nog steeds gevolgd(6). Ook in de literatuur wordt deze leer als geldend recht beschouwd(7).

2.7 Voor handhaving van de regel uit 1913 en herbevestiging ervan door de Hoge Raad pleiten m.i. twee argumenten: (1) het past in het systeem van de wet, met name art. 250 Rv. oud, thans art. 353 lid 1 Rv. en (2) het is een kostenbesparende en efficiënte regel.

In de eerste plaats kan dogmatisch gezien een vergelijking worden getrokken met de vordering in reconventie die geen andere strekking heeft dan om de gedaagde te bevrijden van de verplichting tot betaling van het in conventie gevorderde bedrag. Een dergelijke vordering in reconventie, die kan worden gelijkgesteld met een verweer(8), wordt in het kader van de optelregel van art. 253 Rv. oud niet als een echte eis in reconventie gezien. Een dergelijke eis in reconventie vloeit als het ware direct uit het geschil in conventie voort. Zo staat ook art. 250 Rv. oud, waaraan ten grondslag ligt dat het hoger beroep zich alleen dient uit te strekken tot geschillen die ook aan de rechter in eerste aanleg zijn voorgelegd(9), niet in de weg aan het instellen van een vordering tot ongedaanmaking van hetgeen ter uitvoering van het te vernietigen vonnis reeds is betaald. Ook deze tegenvordering in appel vloeit immers direct uit het geschil in conventie voort ("logisch sequeel").

2.8 Voor de regel uit 1913 pleit daarnaast dat het efficiënt is dat een appellant in hoger beroep naast vernietiging van de bestreden uitspraak terugbetaling kan vorderen van hetgeen hij ter voldoening daaraan heeft betaald, omdat de toewijsbaarheid van deze vordering direct uit de vernietiging van het bestreden vonnis volgt en een appellant zich aldus op eenvoudige wijze een executoriale titel kan verschaffen.

2.9 Dit ligt echter anders voor de vergoeding van de schade die appellant heeft geleden doordat hij aan het vernietigde vonnis heeft voldaan of heeft moeten voldoen(10). Het cassatiemiddel betoogt (terloops) dat de appellant in appel ook een vordering tot vergoeding van die schade kan instellen.

Ik acht een dergelijke vordering in strijd met de aan het arrest van 1913 ten grondslag liggende regel dat de vordering tot ongedaanmaking een logisch sequeel is van de vordering tot vernietiging en daarom dus niet als een tegenvordering kan worden beschouwd(11).

Zo is over de toewijsbaarheid van een vordering tot schadevergoeding, anders dan bijvoorbeeld ten aanzien van de wettelijke rente over het betaalde bedrag, een aanzienlijk verschil van mening mogelijk, ten aanzien van de onrechtmatigheid (bijvoorbeeld indien vrijwillig aan het vonnis is voldaan), de causaliteit, de hoogte van de schade etc. Het debat daarover zou dan voor het eerst in appel moeten worden ontwikkeld naast het debat in de hoofdzaak. Dat lijkt me een dogmatisch onjuiste en bovendien een onwenselijke complicatie van de procedure(12).

2.10 De conclusie uit het voorgaande is derhalve dat middelonderdeel 1 ten dele slaagt. De rechtbank had moeten onderzoeken welke vorderingen van [eiser] het karakter hadden van een sequeel van de vordering tot vernietiging en vervolgens daarop moeten beslissen. Voorzover de vorderingen van [eiser] dit bestek te buiten gingen, was het oordeel van de rechtbank echter juist.

2.11 M.i. kan de Hoge Raad de zaak niet geheel zelf afdoen, aangezien de beoordeling van een aantal vorderingen is verweven met de feiten.

De vordering van [eiser] tot het herkrijgen van het woongenot van zijn oude woning is m.i. in appel mogelijk omdat deze strekt tot ongedaanmaking van hetgeen in eerste aanleg (zeg maar: in conventie) is gevorderd. Dat geldt bij uitstek niet voor de vordering tot betaling van verhuis- en herinrichtingskosten. Twijfel is echter mogelijk met betrekking tot de vorderingen tot het krijgen van vervangende woonruimte en ook over de vordering dat de rechtbank zal bepalen dat de huurprijs ƒ 565,01 bedraagt, aangezien die huurprijs nu juist de inzet van van de gevoerde procedures is geweest. Ik aarzel ook over de gevorderde dwangsom. In mijn visie zijn dit echte reconventionele vorderingen.

2.12 In ieder geval kan het slagen van middelonderdeel 1 slechts tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden indien middelonderdeel 2 of 3 slaagt. Zou immers de bekrachtiging door de rechtbank van het vonnis van de kantonrechter in stand blijven, dan mist [eiser] belang bij onderdeel 1.

2.13 Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.8 dat de wijze waarop [eiser] zijn huur betaalde, alsmede de achterstand in die betalingen, tot de conclusie leidt dat hij jegens Binnenhof tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen.

Dit oordeel heeft de rechtbank onder meer gebaseerd op de verwerping in rechtsoverweging 4.9 van het verweer van [eiser] dat Binnenhof hem niet in gebreke heeft gesteld, omdat Binnenhof onweersproken heeft gesteld dat zij [eiser] steeds huuroverzichten heeft gezonden, waarin hij is gemaand om alsnog te voldoen.

2.14 Hiertegen richt zich onderdeel 2.1, met de klacht dat [eiser] bij memorie van grieven heeft gesteld dat Binnenhof hem nimmer in gebreke heeft gesteld en Binnenhof bij memorie van antwoord slechts heeft gereageerd met de stelling dat [eiser] jarenlang huuroverzichten heeft gestuurd waaruit bleek dat hij niet correct betaalde, zodat de rechtbank niet tot het oordeel kon komen dat er sprake is geweest van deugdelijk aan [eiser] kenbaar gemaakte bezwaren, laat staan een ingebrekestelling.

2.15 [Eiser] heeft bij memorie van grieven gesteld:

"Ingeval van wanprestatie, ook in de overeenkomst tussen verhuurder en huurder, is een ingebrekestelling alsmede een termijn waarbinnen nog kan worden gepresteerd, noodzakelijk. Dit is niet gebeurd. Dit is ook logisch, omdat [eiser] steeds de redelijke huurprijs regelmatig betaalde. Derhalve is reeds daarom de vordering in eerste aanleg niet toewijsbaar.

Om tot ontbinding van de huurovereenkomst te kunnen komen, had Binnenhof [eiser] ingebreke moeten stellen. Dit is niet gebeurd. Reeds op grond daarvan kan de gevraagde ontbinding niet worden uitgesproken en dient het vonnis op dit punt vernietigd te worden."(13)

2.16 Daarop heeft Binnenhof bij memorie van antwoord gesteld:

"Na een periode van 18 jaar overmaken van willekeurige bedragen, althans bedragen, die [eiser] goed dunkte, en het betalen op momenten, die niets uitstaande hadden met hetgeen in de huurovereenkomst is bepaald, kan [eiser] zich niet beroepen op rechtsverwerking, althans zo legt Binnenhof de stelling van [eiser] uit waarin hij opmerkt, dat Binnenhof van hem kennelijk zou hebben geaccepteerd, dat hij eens per twee maanden huur betaalde in de afgelopen drie en een half jaar. Dat is door Binnenhof nimmer geaccepteerd en daar heeft Binnenhof zich ook steeds tegen verzet. Binnenhof heeft bovendien [eiser] jarenlang huuroverzichten gezonden waaruit bleek, dat [eiser] niet correct zijn huur voldeed. Het argument, dat [eiser] niet in gebreke is gesteld, en dat het [eiser] nog was toegestaan om alsnog te presteren, wordt hiermede weerlegd."(14)

2.17 Binnenhof heeft bij deze memorie van antwoord producties overgelegd, maar deze hebben geen betrekking op deze stelling. [Eiser] heeft vervolgens een akte uitlating producties genomen, maar heeft daarin niet op dit punt gereageerd.

2.18 Het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.9 komt er op neer dat de stelling van Binnenhof, dat zij [eiser] steeds huuroverzichten heeft gezonden, waarin hij erop is gewezen dat hij niet aan zijn betalingsverplichtingen voldeed en waarin hij is gemaand om daaraan alsnog te voldoen, vaststaat, omdat deze door [eiser] niet is weersproken.

2.19 Dit oordeel is onjuist.

Hoofdregel is dat de omstandigheid dat de eiser of appellant niet meer heeft gereageerd op de conclusie van dupliek of de memorie van antwoord niet meebrengt dat de rechter het daarin aangevoerde automatisch (als niet of onvoldoende weersproken) als juist mag aanvaarden. Deze regel, die vooral ziet op nieuwe feiten en stellingen van de gedaagde of geïntimeerde, heeft als ratio dat van een procespartij niet mag worden gevergd dat deze steeds een akte ter rolle neemt of steeds pleidooi vraagt, uitsluitend om te voorkomen dat deze feiten en stellingen als vaststaand zullen gelden. Volgens de Hoge Raad is noch een goede procesorde, noch enig ander rechtsbelang hiermee gediend(15).

2.20 De rechter mag wel consequenties verbinden aan de omstandigheid dat de eiser

of appellant nog wel een nadere akte - eigener beweging - heeft genomen of pleidooi heeft gevraagd en daarin vervolgens niet ingaat op de stellingen in de conclusie van dupliek of de memorie van antwoord(16), tenzij het gaat om een akte in het incidentele hoger beroep waarin niet wordt gereageerd op stellingen in de memorie van antwoord in het principale hoger beroep(17) en tenzij de akte wordt beperkt tot een nauwkeurig omschreven doel, bijvoorbeeld een akte uitlating producties.

2.21 De akte uitlating producties van [eiser] beperkt zich inderdaad tot een uitlating over de producties, ook al worden die vrij uitgebreid besproken en ook al maakt [eiser] op het einde van zijn akte nog een opmerking over een andere stelling van Binnenhof. Ten aanzien van de thans aan de orde zijnde stelling had Binnenhof echter juist géén productie overgelegd. Hoewel de feitenrechter een zekere vrijheid heeft om te beoordelen of een akte inhoudelijk zo algemeen is dat mag worden verwacht dat op alle stellingen van de wederpartij wordt ingegaan, meen ik dat het de rechtbank daarom niet vrij stond om uit het feit dat [eiser] bij deze akte de stelling van Binnenhof niet had betwist, af te leiden dat deze vaststond.

Onderdeel 2.1 treft derhalve doel.

2.22 Onderdeel 2.2 richt zich tegen de rechtsoverwegingen 4.10 en 4.13, waarin de rechtbank haar hiervoor weergegeven (eind)oordeel in rechtsoverweging 4.8 verder motiveert. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.10 - voorzover thans van belang - overwogen:

"Voorts acht de rechtbank niet beslissend dat er op 31 maart 1996 sprake was van een huurvoorstand aangezien uit het door Binnenhof als productie 3 bij memorie van antwoord overgelegde en nadien bij akte in zoverre niet bestreden betalingsoverzicht blijkt dat er in de jaren daarna en ook per datum van de dagvaarding in eerste aanleg en per de datum van het vonnis van de kantonrechter sprake was van een aanzienlijke huurachterstand. (...)"

De rechtbank vervolgt in de rechtsoverwegingen 4.12 en 4.13:

"Tot slot heeft [eiser], als verweer tegen het voornoemde betalingsoverzicht, aangevoerd dat dit overzicht ten onrechte geen rekening houdt met een uitspraak van de kantonrechter van 6 oktober 1995, op grond waarvan Binnenhof gehouden was een bedrag aan administratiekosten van ƒ 46,08 per jaar niet aan [eiser] in rekening te brengen. Ook blijkt uit het overzicht, aldus [eiser], dat Binnenhof vanaf 1 januari 1996 ten onrechte de huurverhogingen doorberekent.

De rechtbank verwerpt deze verweren. Zelfs indien van de juistheid van de stellingen van [eiser] zou worden uitgegaan, kunnen die stellingen [eiser] niet baten. De door Binnenhof berekende huurachterstanden in de periode van 1 januari 1998 tot de datum van het vonnis van de kantonrechter rechtvaardigen de conclusie dat, ook na de door [eiser] beoogde correcties, zodanige achterstanden resteren en zich gedurende zodanige periode hebben voorgedaan, dat [eiser] is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens Binnenhof."

2.23 Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist is dan wel ontoereikend is gemotiveerd, omdat, als de rechtbank was uitgegaan van de door [eiser] beoogde correcties op de huurprijs, er geen sprake zou zijn geweest van een huurachterstand.

2.24 Ik meen dat de klacht slaagt. Uit de geciteerde rechtsoverwegingen blijkt dat de rechtbank zich bij haar oordeel heeft gebaseerd op het overzicht van de huurstanden dat Binnenhof als productie 3 bij memorie van antwoord in het geding heeft gebracht en dat de rechtbank de periode van 1 januari 1998 tot de datum van het vonnis van de kantonrechter (7 februari 2001) als referentieperiode heeft genomen. Bestudering van dit overzicht leert echter dat [eiser] per 1 januari 1998 een huurvoorstand van ƒ 85,43 had. De huurachterstand die vervolgens is ontstaan en die naar berekening van Binnenhof op 1 februari 2001 ƒ 2.025,13 bedroeg, is veroorzaakt doordat [eiser] heeft geweigerd de achtereenvolgende huurverhogingen te betalen. Binnenhof heeft in het overzicht de door haar gepretendeerde huurprijs (inclusief achtereenvolgende huurverhogingen) opgenomen, terwijl [eiser] consequent een bedrag van ƒ 565,01 per maand heeft betaald (althans ƒ 1.330,02 per twee maanden). Eenvoudige telling van het aantal huurtermijnen leert dat in deze periode 38 huurtermijnen in rekening zijn gebracht, terwijl [eiser] 38 maal een bedrag van ƒ 565,01 heeft voldaan.

2.25 Het oordeel van de rechtbank onder 4.13 van haar vonnis dat, zelfs indien men van de juistheid van de stellingen van [eiser] zou uitgaan (nl. dat Binnenhof ten onrechte administratiekosten in rekening brengt en dat Binnenhof ten onrechte vanaf 1 januari 1996 de huurverhogingen doorberekent), er sprake is van een zodanige achterstand en over een zodanige periode, dat [eiser] is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, is onbegrijpelijk. Gaat men immers van de juistheid van de stellingen van [eiser] uit (en derhalve van een huurprijs van ƒ 565,01) dan was er op 1 februari 2001 geen sprake van een huurachterstand en heeft die zich (afgezien van het feit dat [eiser] met regelmaat te laat betaalt) ook niet voorgedaan. Mocht de rechtbank met de bestreden overweging hebben gedoeld op het betalingsgedrag van [eiser], in die zin dat hij niet betaalde op de datum die in de overeenkomst was bepaald, dat hij op eigen initiatief in tweemaandelijkse termijnen ging betalen, etc., dan volgt dit onvoldoende duidelijk uit de bestreden rechtsoverweging.

2.26 Onderdeel 3 van het cassatiemiddel richt zich tegen de rechtsoverwegingen 4.14 tot en met 4.17 van het vonnis van de rechtbank.

In deze rechtsoverwegingen beoordeelt de rechtbank de grief van [eiser] tegen de overweging in het vonnis van de kantonrechter dat de mate waarin [eiser] opkomt voor zijn rechten als huurder, blijk geeft van slecht huurderschap. Naar het oordeel van de rechtbank faalt die grief, omdat [eiser] een verwijt treft.

De rechtbank overweegt in rechtsoverweging 4.17:

"(...) Deze overweging heeft [eiser] er echter niet van weerhouden om Binnenhof bij voortduring in rechte te betrekken. Waar is gesteld noch gebleken dat de belangen van [eiser] zulks rechtvaardigden en dit voor Binnenhof een aanzienlijke kostenpost met zich bracht, treft [eiser] derhalve een verwijt. [Eiser] is immers, ook waar hij opkomt voor zijn belangen als huurder, gebonden aan de eisen van redelijkheid en billijkheid, waarbij de gerechtvaardigde belangen van Binnenhof als verhuurder mede een rol spelen."

2.27 Voorop gesteld moet worden dat de rechtbank het (procedeer)gedrag van [eiser] heeft beoordeeld in het licht van de ontbindingsgronden die Binnenhof aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd (rov. 4.5 onder b).

Hoewel de in rechtsoverweging 4.17 gemaakte belangenafweging wel doet denken aan art. 3:13 BW heeft de rechtbank niet geoordeeld dat het telkenmale procederen door [eiser] over de huurprijsverhoging misbruik van bevoegdheid oplevert. Bij de vraag of er sprake is van misbruik van een processuele bevoegdheid, wordt getoetst of een rechtens te respecteren/redelijk belang bestaat bij de uitoefening van de bevoegdheid en vindt bij een bevestigende beantwoording vaak geen afweging van belangen meer plaats(18).

De rechtbank heeft ook niet geoordeeld dat het gedrag van [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn(19).

2.28 Daarnaast moet bedacht worden dat de wetgever de huurder in de art. 19 e.v. Huurprijzenwet woonruimte (oud) een rechtsbeschermingssysteem ter beschikking heeft gesteld om zich te verweren tegen huurprijsverhogingen en dat de huurprijsverhoging een jaarlijks terugkerend fenomeen is.

Uit de aard der zaak zal het bij huurprijsverhogingen, met name in de sociale huursector, in het algemeen gaan om relatief geringe belangen.

2.29 Het enkele feit dat de huurder stelselmatig de verhuurder in procedures over de huurprijsverhoging betrekt, leidt naar mijn mening niet zonder meer tot de conclusie dat de huurder zich als een slecht huurder zou opstellen. Het ligt, met name wanneer tussen de huurder en de verhuurder een geschil bestaat over de onderhoudstoestand of de kwaliteit van het gehuurde (zoals in casu over de gestelde bodemverontreiniging), zelfs enigszins voor de hand dat de huurder dit punt jaarlijks tegen de huurprijsverhoging zal inbrengen totdat definitief over het geschil is beslist.

2.30 Het oordeel van de rechtbank dat [eiser] een slecht huurder is gelet op zijn procedeergedrag acht ik verstrekkend. Een dergelijk oordeel staat of valt wat mij betreft met de concrete gedragingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd. Aan de andere kant dient in cassatie uitsluitend beoordeeld te worden aan de hand van de tegen een oordeel ingebrachte bezwaren.

2.31 In de rechtsoverwegingen 4.16 en 4.17 motiveert de rechtbank haar oordeel dat [eiser] een verwijt treft, met de volgende overwegingen:

- [eiser] heeft Binnenhof in een reeks van procedures betrokken;

- [eiser] heeft zich daarin vrijwel steeds beroepen op dezelfde argumenten;

- hij is vrijwel steeds in het ongelijk gesteld en

- voorzover hij wel in het gelijk is gesteld, ging het daarbij om punten van gering belang;

- [eiser] is door de kantonrechter bij vonnis van 24 januari 1995 gewaarschuwd;

- gesteld noch gebleken is dat de belangen van [eiser] al deze procedures rechtvaardigden, terwijl die voor Binnenhof een aanzienlijke kostenpost met zich meebrachten.

2.32 Onderdeel 3 klaagt dat het oordeel van de rechtbank onterecht is dan wel ontoereikend is gemotiveerd, omdat:

a) de rechtbank in rechtsoverweging 4.14(20) miskent dat [eiser] in zijn akte van 11 november 2001 (p. 1-2) heeft gesteld en gedocumenteerd dat hij in vier (en dus niet slechts in twee) procedures geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld;

b) de rechtbank in rechtsoverweging 4.16, derde volzin, miskent dat [eiser] bij grief 2 jo produktie 3 heeft gesteld en gedocumenteerd dat 'dezelfde argumenten' - i.e. inzake de bodemverontreiniging onder zijn woning - in de aanhangige kantongerechtprocedure terecht alsnog ernstig worden genomen;

c) de rechtbank in rechtsoverweging 4.17 miskent dat [eiser] bij zijn acties inzake de bovenbedoelde bodemverontreiniging wel degelijk een gerechtvaardigd belang heeft aangetoond en dat hetzelfde geldt voor de vier bovenbedoelde geheel of gedeeltelijk door hem gewonnen procedures en zijn bezwaren tegen de periodieke huurverhogingen;

d) meer in het algemeen geldt dat, zolang niet in rechte is vastgesteld dat [eiser] misbruik van (proces)recht maakt, het vaker in rechte opkomen voor ook relatief geringe financiële belangen, indien daarover in der minne geen overeenstemming valt te bereiken, geen 'slecht huurderschap' wegens 'strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid' oplevert.

2.33 Ik constateer dat onderdeel 3 niet de klacht bevat dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is.

2.34 De in onderdeel 3 aangevoerde klachten kunnen naar mijn mening niet slagen.

De klacht onder a), dat de rechtbank heeft miskend dat [eiser] bij akte van 11 november 2001 heeft gesteld dat hij in vier procedures in het gelijk is gesteld, kan niet slagen.

In de bedoelde passage stelt [eiser] weliswaar: 'derhalve zijn er nu reeds 4 procedures, waarin [eiser] in het gelijk is gesteld', maar hij verwijst ter onderbouwing van deze stelling slechts naar drie procedures, te weten naar de beschikking van de kantonrechter te Haarlem van 23 november 1984 (rep. nr. 141/84, prod. 1 bij de akte), de beschikking van de kantonrechter te Haarlem van 6 oktober 1995 (nr. 23774/95-69 HPW, prod. 2 bij de akte) en een procedure met nummer 96/1091, produktie 5 bij MvG. Bestudering van deze laatste produktie leert echter dat dit geschil in het nadeel van [eiser] is beslecht, althans dat op zijn minst niet duidelijk is in wiens voordeel het is beslecht. De weergave door de rechtbank van de stellingen van [eiser] is in dat licht voldoende toereikend gemotiveerd.

2.35 De klacht onder b) dat de rechtbank heeft miskend dat [eiser] heeft gesteld dat 'dezelfde argumenten' inzake de bodemverontreiniging thans in de kantongerechtsprocedure alsnog ernstig worden genomen, slaagt evenmin.

Dat de rechtbank dit niet heeft miskend, blijkt al uit rechtsoverweging 4.14, waarin de rechtbank overweegt:

"Voorts hielden de bezwaren van [eiser] tegen de huurprijs in genoemde procedures verband met door hem gevreesde bodemverontreiniging onder zijn woning. Hieromtrent is in een nog lopende procedure inmiddels door de rechter bepaald dat er nader bodemonderzoek moet worden verricht."

2.36 De klacht onder c) stuit af op het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.17 dat gesteld noch gebleken is dat de belangen van [eiser] het rechtvaardigden Binnenhof bij voortduring in rechte te betrekken. De klacht geeft niet aan waarom dit oordeel rechtens onjuist of ontoereikend gemotiveerd zou zijn.

2.37 Onder d) voert [eiser] aan dat in het algemeen geldt dat, zolang niet in rechte is vastgesteld dat [eiser] misbruik van procesrecht maakt, het vaker in rechte opkomen voor ook relatief geringe financiële belangen geen 'slecht huurderschap' wegens 'strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid' oplevert.

Deze algemene stelling gaat mij te ver. Zoals ik hiervoor onder 2.30 heb uiteengezet meen ik dat het - in uitzonderlijke gevallen - mogelijk is dat de huurder zich in zijn procedeergedrag jegens de verhuurder zó onbillijk opstelt, dat hij zich als slecht huurder gedraagt, ook al zou er strikt genomen geen sprake zijn van misbruik van procesrecht, althans zou dit niet zijn vastgesteld.

2.38 De rechtbank is kennelijk van oordeel geweest dat zich zo'n uitzonderlijk geval voordoet. Zij heeft immers in rechtsoverweging 4.17 geoordeeld dat [eiser] een verwijt treft omdat is gesteld noch gebleken dat de belangen van [eiser] het rechtvaardigden om Binnenhof bij voortduring in rechte te betrekken en dat dit voor Binnenhof een aanzienlijke kostenpost met zich bracht. Nu over dit oordeel overigens niet wordt geklaagd, kan de klacht onder d) niet tot cassatie leiden.

2.39 De ontbinding van de huurovereenkomst is cumulatief gebaseerd op de gronden dat [eiser] consequent (en te laat) onjuiste huurtermijnen overmaakt, dat hij zich als slecht huurder gedraagt door Binnenhof keer op keer in procedures te betrekken en dat hij de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden aan de woning frustreert(21).

Nu onderdeel 2 slaagt, dient het vonnis, zoals het derde onderdeel ten slotte terecht aanvoert, te worden vernietigd.

2.40 Na verwijzing zal opnieuw moeten worden bezien in hoeverre [eiser] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst tekort komt en of deze tekortkomingen ontbinding rechtvaardigen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het vonnis van de rechtbank Haarlem onder 3a t/m 3f.

2 Zie rov. 5 van het vonnis van de kantonrechter van 7 februari 2001.

3 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 22 juli 2002.

4 HR 20 maart 1913, NJ 1913, blz. 636.

5 Anders dan Snijders/Wendels, Civiel Appel, 2003, nr. 136 meen ik niet dat het arrest van 1913 is bevestigd in HR 19 mei 2000, NJ 2000, 603 m.nt. HJS, nu in die zaak het cassatiemiddel zich niet richtte tegen het oordeel van het hof dat een tegenvordering tot ongedaanmaking in appel mogelijk is en de Hoge Raad zich dus strikt genomen niet over die mogelijkheid heeft uitgelaten.

6 Hof Amsterdam 17 maart 1994, NJ 1995, 754; Hof Amsterdam 13 januari 1994, NJ 1996, 75; Hof Amsterdam 26 oktober 1995, NJ 1998, 106.

7 Snijders/Ynzonides/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2e druk 1997, p. 207; Snijders/Wendels, Civiel Appel, 3e druk 2003, nr. 136; Hammerstein, TCR 1996, p. 58. Zie voorts annotator Heemskerk onder de arresten HR 8 oktober 1976, NJ 1977, 485 m.nt. WHH; HR 21 maart 1980, NJ 1980, 396 m.nt. WHH en HR 14 maart 1980, NJ 1980, 536 m.nt. WMK en WHH. Tenslotte wijs ik nog op de conclusie van A-G Timmerman van 24 oktober 2003 in de zaak C02/184, onder 4.34.

8 Ik trek hier een parallel met de optelregel van art. 253 Rv. oud m.b.t. de connexiteit van conventie en reconventie naar aanleiding van W. Heemskerk, De eis in reconventie, diss., 1972, nr. 109, waar hij de arresten van de HR van 28 september 1951, NJ 1952, 200 en van 21 maart 1952, NJ 1952, 201 bespreekt.

9 Heemskerk, a.w., nr. 71.

10 Zie voor de vergoeding van wettelijke rente Hof Amsterdam 17 maart 1994, NJ 1995, 754 en Hammerstein in de kroniek Hoger Beroep in TCR 1996, p. 58; Hof Amsterdam 13 januari 1994, NJ 1996, 75; Snijders in zijn noot onder HR 19 mei 2000, NJ 2000, 603.

11 Zie ook Burgerlijke Rechtsvordering oud, Ynzonides, art. 250, aant. 6, waarin wordt gesproken over het spiegelbeeld van de oorspronkelijke vordering.

12 Zie in deze zin ook Heemskerk, a.w., p. 114; evenzo Snijders in zijn noot onder NJ 2002, 603, onder c: "Een vordering uit onrechtmatige daad zou een zelfstandig meer dan routinematig te verrichten feitelijk en juridisch onderzoek vragen, dat niet en passant bij de vernietiging van de uitspraak a quo valt uit te voeren." Zie verder Snijders/Wendels, 3e druk, 2003, nr. 136 en Heemskerk in zijn noot onder 8 oktober 1976, NJ 1977, 485 over het onderscheid tussen hetgeen door de veroordeelde krachtens het vonnis is betaald en de schadevergoeding die hij door de vrijwillige of afgedwongen betaling heeft geleden.

13 MvG, grief 4, p. 9-10.

14 MvA p. 7.

15 HR 9 juni 1972, NJ 1972, 379; HR 15 september 1995, NJ 1996, 20; HR 10 oktober 1997, NJ 1998, 473; HR 23 oktober 1998, NJ 1999, 114.

16 Zie ook Burgerlijke Rechtsvordering oud, Wesseling-van Gent, art. 142, aant. 3a en de aldaar genoemde jurisprudentie.

17 HR 23 oktober 1998, NJ 1999, 114, herhaald in HR 6 oktober 2000, NJ 2001, 186. Verg. ook HR 6 oktober 2000, NJ 2000, 691.

18 Zie mijn conclusie van 10 oktober 2003 in de zaak met rolnr. C02/170 en de daar genoemde jurisprudentie.

19 Hieromtrent bevat het middel echter geen klacht. Ook dwingendrechtelijk tussen partijen geldende regels kunnen door de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid opzij worden gezet. Zie bijvoorbeeld HR 29 april 1983, NJ 1983, 627 m.nt. PAS; HR 19 april 1996, NJ 1996, 684 m.nt. PAS.

20 Uit de schriftelijke toelichting (onder 19.1, noot 8) blijkt dat waar het middel verwijst naar rechtsoverweging 4.18, sprake is van een kennelijke verschrijving en rechtsoverweging 4.14 wordt bedoeld.

21 Rechtsoverweging 4.5 in verbinding met 4.24 van het bestreden vonnis.