Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AM2914

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-01-2004
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
C02/247HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AM2914
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

23 januari 2004 Eerste Kamer Nr. C02/247HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: CENTRAL BUYERS B.V., gevestigd te Roermond, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt, t e g e n [verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2004/67 met annotatie van Mr. R.M. Beltzer/Mr. R.M. Beltzer
JOR 2004/66
JOL 2004, 26
NJ 2004, 224
RvdW 2004, 21
JAR 2004, 67
Ondernemingsrecht 2004, 100 met annotatie van S.J. Spanjaard
JWB 2004/20
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: C02/247HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 24 oktober 2003

Conclusie inzake:

Central Buyers B.V.

eiseres tot cassatie

tegen

[verweerder]

verweerder in cassatie

Feiten en procesverloop(1)

1) De verweerder in cassatie, [verweerder], is bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van de eiseres tot cassatie, CB, van 30 december 1991 benoemd tot managing director/statutair directeur. Met ingang van 1 januari 1992 is [verweerder] daadwerkelijk werkzaam in deze functie.

Na een (aanzienlijke) periode van arbeidsongeschiktheid heeft [verweerder] op 30 augustus 1999 zijn werkzaamheden hervat.

Bij brief van 2 september 1999, ondertekend door [betrokkene 1](2), is [verweerder] op staande voet ontslagen, omdat hij hardnekkig zou hebben geweigerd aan een dienstbevel gevolg te geven.

De raadsman van [verweerder] heeft bij brief van 3 september 1999 de nietigheid van het ontslag ingeroepen en aangegeven dat [verweerder] zich beschikbaar stelde om werkzaamheden te verrichten en onverminderd aanspraak maakte op doorbetaling van zijn salaris en alle overige emolumenten.

Bij brief van 29 september 1999 heeft [betrokkene 2], als vertegenwoordiger van de algemene vergadering van aandeelhouders van CB, het ontslag voor zoveel nodig bevestigd en om dezelfde reden nogmaals verleend. Voorts is, voor het geval het ontslag op staande voet nietig mocht worden geoordeeld, voor zoveel nodig ontslag aangezegd met een opzegtermijn van zes maanden per 30 maart 2000, wegens een ernstig verstoorde arbeidsrelatie.

Bij brief van 29 februari 2000(3) heeft [betrokkene 2] opnieuw in eerder genoemde hoedanigheid, de eerder aangezegde ontslagen bevestigd, alsmede voor zover nodig alsnog ontslag verleend met een opzegtermijn van zes maanden tegen 31 augustus 2000 wegens (een) ernstig verstoorde arbeidsrelatie.

2) [Verweerder] heeft CB gedagvaard voor de rechtbank (te Roermond). Hij vorderde, kort gezegd(4), nietigverklaring van de verschillende (aandeelhouders)besluiten inzake zijn ontslag, op grond van strijd met de statuten dan wel strijd met redelijkheid en billijkheid; en subsidiair, een verklaring voor recht dat voor ontslag een dringende reden ontbrak en dat niet aan de eis van onverwijldheid was voldaan. Daaraan werd een reeks van eisen, vooral gericht op het alsnog nakomen van financiële (werkgevers)verplichtingen ten opzichte van [verweerder], verbonden.

In eerste aanleg werden deze vorderingen grotendeels toegewezen; met dien verstande dat de in september 1999 verleende ontslagen nietig werden verklaard, en van het in februari 2000 verleende ontslag werd geoordeeld dat niet aan de eis van onverwijldheid was voldaan. De op nakoming gerichte vorderingen werden dienovereenkomstig toegewezen.

3) In appel heeft het hof het oordeel van de rechtbank op enkele (in cassatie niet aan de orde zijnde) details na bekrachtigd, zij het met toevoeging van enige ten opzichte van het (eind)vonnis van de rechtbank "nieuwe" overwegingen; het zijn vooral die overwegingen, die in cassatie worden bestreden.

4) CB is tijdig(5) in cassatie gegaan. [Verweerder] heeft in cassatie verstek laten gaan. CB heeft haar standpunt schriftelijk laten toelichten.

Inleidende opmerkingen

5) In alle instanties zijn partijen kennelijk uitgegaan van de toepasselijkheid van de (bevoegdheids)regel van art. 2:241 BW (waarin, kort gezegd, de rechtbank wordt aangewezen als de bevoegde rechter in eerste aanleg voor geschillen betreffende een bestuurder van een B.V. en die B.V., inzake hun contractuele verhouding). Dat lijkt mij juist (er wordt in cassatie ook geen punt van gemaakt).

De bijzondere positie van bestuurders van rechtspersonen

6) (Vooral) in de doctrine bestaat een levendige discussie over de samenloop van rechtsregels die zich voordoet, doordat de bestuurder van een rechtspersoon gewoonlijk naast de rechtsbetrekking die op grond van het rechtspersonenrecht en de statuten van de rechtspersoon tussen bestuurder en rechtspersoon bestaat, ook rechten (en verplichtingen) heeft uit hoofde van een arbeidsovereenkomst met de rechtspersoon. Die discussie heeft onlangs een nieuwe impuls gekregen door suggesties in het rapport van de zgn. commissie-Tabaksblat, die ertoe strekken dat althans bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen niet langer als werknemers zouden moeten worden beoordeeld(6).

Ik maak deze opmerkingen omdat zij het rechtsgebied waarin het onderhavige geschil speelt nader in perspectief brengen; maar ik voeg meteen toe dat het middel geen (van de) problemen aan de orde stelt die in de aangestipte discussie naar voren komen (zoals trouwens ook in de feitelijke instanties niet is gebeurd)(7).

De klachten van het cassatiemiddel

7) De (vier) onderdelen van het cassatiemiddel strekken er alle toe, dat het hof aan het ontslagbesluit van 29 februari 2000 (dat wil zeggen: het ontslagbesluit dat door rechtbank en hof, anders dan de beide ontslagbesluiten van september 1999, niet werd aangemerkt als nietig wegens strijd met de statuten en/of strijd met redelijkheid en billijkheid), de in art 7:677 BW aangegeven werking had moeten toekennen(8), of nader had moeten motiveren waarom daarover anders werd geoordeeld.

8) Onderdeel 1 van het middel voert - in mijn parafrase - aan dat met name (passages uit) Grief III van CB niet anders kunnen worden begrepen, dan als inhoudend dat CB zich erop heeft beroepen dat de dienstbetrekking door de mededeling van het beëindigingsbesluit van 29 februari 2000, in ieder geval met ingang van die datum is beëindigd - ongeacht of het beoogde ontslag als regelmatig of als niet-regelmatig zou worden beoordeeld (en in het laatste geval dus: schadeplichtigheid van CB zou teweegbrengen)(9).

9) Ik geef de steller van het middel na, dat de kennelijk door het onderdeel bedoelde passages uit Grief III (namelijk de tweede en derde alinea onder het hoofd "Grief III" op p. 11 van de memorie van grieven) bij uitstek verenigbaar zijn met de lezing die het middel verdedigt - in die mate, dat die lezing mij bepaald plausibel lijkt.

Toch blijft er, denk ik, - nog juist - voldoende ruimte over voor een andere lezing (en, denk ik verder: door die andere lezing heeft het hof zich laten leiden).

10) Dat is dan vooral daarom het geval, omdat in de bedoelde passages uit Grief III niet of nauwelijks wordt aangegeven waar de steller met het daar aangevoerde naar toe wil.

Het maakt immers, met het oog op wat [verweerder] vorderde, materieel niet zo heel veel verschil of men het op 29 februari 2000 aangezegde ontslag aanmerkt als een ontslag met onmiddellijke ingang (dat dan, als het ontslag "onregelmatig" zou worden bevonden, schadeplichtigheid van de werkgever meebrengt), of aanmerkt als een ontslag dat met inachtneming van de klaarblijkelijk tussen partijen geldende opzegtermijn van zes maanden werd gegeven (in welk geval [verweerder] voor de duur van de opzegtermijn aanspraak had op salaris en andere emolumenten).

11 ) Voor de periode (van september 1999) tot 29 februari 2000 was er zelfs geen enkel verschil: ook in de thans in cassatie verdedigde zienswijze kon [verweerder] tot die datum aanspraak maken op nakoming van alle werkgeversverplichtingen, omdat de dienstbetrekking nog voortduurde. Voor de periode ingaande 29 februari 2000 is er wel verschil, in die zin dat de in cassatie verdedigde zienswijze van CB zou meebrengen dat [verweerder] dan geen recht meer zou hebben op salaris, emolumenten en verdere verstrekkingen, maar wèl op schadeloosstelling als bedoeld in art. 7:677 lid 2 en lid 4 (en art. 7:680) BW.

12) Ik misken niet dat er relevante verschillen (kunnen) bestaan tussen de rechten van een werknemer op salaris e.d. enerzijds, en de aanspraak op schadeloosstelling van art. 7:677 BW anderzijds(10); maar wie de rechter wil voorhouden dat hij zich op het ene dan wel het andere geval beroept, zou op z'n minst de duidelijkheid van zijn stellingen dienen als hij dan ook zou aangeven welk materiële verschil in rechtsgevolg hij op het oog heeft (en daarmee: welk belang ermee gemoeid is, dat de rechter de betreffende kwestie beoordeelt).

Dit was in het onderhavige geval nauwelijks gebeurd: alleen aan het slot van de derde alinea onder "Grief III" in CB's memorie van grieven, worden in algemene bewoordingen sommige van de verschillen aangegeven die zich kunnen voordoen (maar niet: welke verschillen CB in dit geval in haar eigen voordeel zou willen inroepen).

13) Wie zich zo opstelt roept het risico over zich af, dat de rechter zijn stellingen niet zal begrijpen als een beroep op de rechtsgevolgen van het hier bedoelde verschil. Door er alleen maar summiere, algemeen verwoorde toespelingen op te maken dat een bepaald argument gevolgen voor de beoordeling kan hebben (zonder duidelijk aan te geven welke gevolgen men voor het concrete aan de rechter voorgelegde geval wil inroepen), neemt men een nogal ambivalente positie in. De rechter kan die houding geredelijk anders uitleggen dan de betrokkene, achteraf gezien, stelt dat hij bedoelde.

Ik houd het ervoor dat dat in de onderhavige zaak is gebeurd: het hof heeft, anders dan het middel in onderdeel 1 wil, in Grief III geen beroep op het onderhavige argument opgemerkt, en de desbetreffende tekst dwong daar ook niet toe, met name omdat, zoals al aangestipt, er geen concrete consequenties aan het bedoelde argument werden verbonden.

14) Tot de door mij veronderstelde lezing - door het hof - van het hier te beoordelen betoog van CB kon nog bijdragen dat ook [verweerder], blijkens de memorie van antwoord, nrs. 124 - 129, in Grief III niet lijkt te hebben opgemerkt wat thans in cassatie naar voren wordt gebracht. Ook hier geldt dat men kàn oordelen dat dat wèl duidelijk genoeg in Grief III besloten lag, maar dat er ruimte overbleef voor de minder begripvolle lezing die, op het voetspoor van [verweerder], het hof - kennelijk - heeft aanvaard.

Na deze uiting van de kant van [verweerder] is CB in de appelprocedure nog aan het woord geweest, maar heeft zij niet nader aangegeven wat zij met het in Grief III betoogde wilde bereiken.

15) Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor onderdeel 4 van het middel. In dat onderdeel gaat het om (de uitleg van) de ontslagbrief van 29 februari 2000. Het onderdeel verdedigt dat die brief niet anders kan worden verstaan dan als een aanzegging (voorzoveel nog nodig) van een ontslag met onmiddelijke ingang, ongeacht de beoordeling die de rechter aan de aangevoerde (als dringend aangemerkte) ontslaggrond zou geven. Maar ook hier geldt, dat deze brief niet zo ondubbelzinnig is als het middelonderdeel stelt.

16) Ik denk dat deze brief ook zo kan worden begrepen, dat (de vertegenwoordiger van) CB daarmee de in september 1999 gegeven ontslagen ("met terugwerkende kracht") beoogde te "bevestigen" (wat ik begrijp als: te bekrachtigen); en dat subsidiair een ontslag met inachtneming van de geldende opzegtermijn werd gegeven.

17) De mededeling, in de brief van 29 februari 2000, dat er (ook) nogmaals om dezelfde reden ontslag verleend wordt, is daarmee niet per se onverenigbaar. Men kan die mededeling zo begrijpen, dat dit ontslag verleend wordt voorzover dat nog mogelijk is met behoud van het beoogde effect (wat klaarblijkelijk is: beëindiging van de dienstbetrekking zonder verdere schadeplichtigheid); en dat voor het andere geval wordt "teruggevallen" op het tevens aangezegde ontslag met inachtname van de opzegtermijn(11).

18) (Ook) hier geldt, dat deze brief ook geredelijk anders kan worden begrepen; maar ook hier dwingt de tekst niet tot de andere lezing; en ook hier lijkt mij het meest aannemelijk, dat het hof die brief inderdaad anders heeft gelezen - namelijk zo, als ik het zojuist in alinea 17 geparafraseerd heb weergegeven. Die lezing is, opnieuw, misschien niet de meest voor de hand liggende, maar hij is niet onbegrijpelijk.

Daarbij doet zich, ook hier, gevoelen dat van de kant van CB niet, of slechts zeer terloops, was aangegeven waarom het voor haar positie een (voordelig) verschil zou maken wanneer men aan de brief van 29 februari 2000 de uitleg zou geven die thans in cassatie wordt verdedigd. Ook daarom valt (te eerder) aan te nemen dat de uitleg die het hof, volgens mij, heeft gekozen, binnen de grenzen van het plausibele blijft.

19) Het gaat, in de beide in onderdelen 1 en 4 van het middel aangevochten aspecten van de bestreden beslissing, voor het overige om uitleg die aan de "feitenrechter" is voorbehouden(12). In cassatie kan slechts worden onderzocht of de door de feitenrechter voor juist gehouden uitleg begrijpelijk is. De toets aan begrijpelijkheid kunnen de oordelen van het hof (zoals ik die op mijn beurt begrijp), doorstaan.

20) Ik merk nog op dat, in de door mij gevolgde lezing van het bestreden arrest, het middel slechts kan slagen, als zowel onderdeel 1 als onderdeel 4 gegrond worden bevonden. Ik meen namelijk dat ieder van die onderdelen een gedachtegang bestrijdt, die op zich genomen voldoende is om de beslissing van het hof te dragen - wat onderdeel 1 betreft, de gedachte dat Grief III een zodanig beperkte strekking heeft, dat daardoor het in middelonderdeel 1 beoogde gegeven niet aan de orde werd gesteld; en wat onderdeel 4 betreft, de gedachte dat de opzeg-mededeling van 29 februari 2000 niet (mede) beoogde, een ontslag met onmiddelijke ingang te bewerkstelligen, (ook) als de "rechtvaardiging" van een onverwijld meegedeelde dringende reden niet zou blijken te worden aanvaard. Ook als slechts één van die twee gedachten tevergeefs zou worden bestreden, zou er een voldoende draagkrachtige motivering voor de beslissing van het hof overblijven. (Ik verwijs echter naar voetnoot 18 hierna, voor een kanttekening bij deze gedachte.)

21) Als daarentegen, anders dan hiervóór verondersteld, de onderdelen 1 en 4 van het middel gegrond zouden zijn, moet ook het middel in zijn geheel als gegrond worden aangemerkt. Dan geldt namelijk dat het middel niet alleen met recht de in de onderdelen 1 en 4 geformuleerde bezwaren naar voren brengt, maar dat ook onderdeel 2 met recht bezwaar maakt tegen de overwegingen van het hof uit rov. 5.3.2. (Ook de door onderdeel 2 bestreden overwegingen zijn overigens van dien aard dat zij, als de onderdelen 1 en 4 van het middel gegrond zouden zijn, de beslissing van het hof zelfstandig zouden kunnen dragen, wanneer de door onderdeel 2 daartegen ingebrachte klachten niet gegrond zouden worden bevonden.)

22) Het gaat hier om de beschouwingen van het hof over art. 6 BBA. Volgens mij voert onderdeel 2 van het middel met recht aan dat in deze zaak een situatie aan de orde is, waarin het voorschrift van art. 6 BBA niet van toepassing is. De regel van art. 6 BBA geldt immers niet voor directeuren (bestuurders) van (rechtspersoonlijkheid bezittende) vennootschappen. Dat blijkt, zoals dit middelonderdeel met juistheid aangeeft, uit de Ministeriele beschikking van 21 november 1972, Stcrt. 1972, 234(13).

Er bestond in deze zaak geen geschil over, dat [verweerder] statutair directeur/bestuurder van CB was toen CB de omstreden ontslagbesluiten nam en aan [verweerder] meedeelde. Het oordeel van het hof waarin wèl van de toepasselijkheid van art. 6 BBA wordt uitgegaan geeft dus inderdaad blijk van een onjuiste rechtsopvatting of van een onbegrijpelijke gedachtegang(14).

23) Onderdeel 3 van het middel tenslotte, dat het hof verwijt zich buiten de grenzen van de rechtsstrijd in appel dan wel buiten de door partijen aangevoerde feitelijke grondslag te hebben begeven, beoordeel ik als niet-doeltreffend.

Voor de toepassing van art. 6 BBA is nodig dat de desbetreffende partij de nietigheid van het ontslag waar het om gaat, (tijdig(15)) heeft ingeroepen; maar is niet vereist dat er, in of buiten rechte, specifiek is aangegeven dat het beroep op nietigheid op art. 6 BBA wordt gebaseerd. Iedere kennisgeving waaruit de wederpartij met voldoende duidelijkheid kan opmaken dat een beroep op de nietigheid van het ontslag wordt gedaan, beantwoordt aan deze eis(16).

24) Dat namens [verweerder] wel een beroep op nietigheid van "het ontslag" was gedaan is door het hof - in cassatie niet bestreden(17) - in rov. 5.3.2. vastgesteld. Ware art. 6 BBA wel op het geval van toepassing geweest, dan had het hof aan de hand van deze vaststelling ambtshalve mogen (en trouwens voorzover dat voor zijn beslissing nodig was ook: moeten) onderzoeken of de ingeroepen nietigheid uit de regel van die bepaling voortvloeide. Daarvoor was niet nodig dat namens [verweerder] een beroep was gedaan op het ontbreken van de bij art. 6 BBA voorziene vergunning.

25) Zoals in het voorafgaande bleek, beoordeel ik de klacht van middelonderdeel 2 als gegrond, maar kan deze klacht op zich niet tot cassatie leiden. De klachten van de overige onderdelen zijn volgens mij niet gegrond; waarbij ik in herinnering roep dat volgens mij (ook) voor de klachten van de onderdelen 1 en 4 geldt, dat die slechts tot cassatie leiden als zij beide opgaan(18).

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 De feitenvaststelling is overgenomen uit het bestreden arrest (van 30 mei 2002); zie voor nadere gegevens het (eind)vonnis van de rechtbank in de eerste aanleg van 19 oktober 2000.

2 [Betrokkene 1] is directeur en vertegenwoordiger van Brithol Mitchoma Ltd., inmiddels houdster van alle aandelen in CB. Destijds was echter een andere (geliëerde) vennootschap houdster van de aandelen van CB, en was Brithol Mitchoma Ltd. een "zustermaatschappij" van CB.

3 Productie 25 bij de conclusie van repliek e.a. in eerste aanleg.

4 Zie de samenvatting in rov. 3 van het (eind)vonnis van de rechtbank van 19 oktober 2000.

5 Zie art. 402 Rv.

6 Zie o.a. de commentaren in NJB 2003, p. 1761 e.v.

7 Ik noem, als voorbeeld van dergelijke problemen, de vraag of voor de bestuurder van een vennootschap die in zijn hoedanigheid van bestuurder is ontslagen, maar wiens arbeidsovereenkomst door dat ontslag niet is beëindigd, alsnog de aan de art. 6 en 9 BBA te ontlenen "ontslagbescherming" komt te gelden. Zie daarover bijvoorbeeld De Bock, SMA 2002, p. 507; De Boode, ArbeidsRecht 2001, p. 10; Van der Ploeg - Van den Heuvel c.s., Ontslag van bestuurders van rechtspersonen, 1999, p. 25 - 26 en p. 53; Verburg, ArbeidsRecht 1998, p. 20.

8 Waarbij de onderdelen van het middel verdedigen of tot uitgangspunt nemen, dat het ontslagbesluit van 29 februari 2000 ertoe strekte, de dienstbetrekking met onmiddelijke ingang te beëindigen; zie daarover het hierna in alinea's 15 - 18 met betrekking tot middelonderdeel 4 te besprekene.

9 Het uitgangspunt van dit middelonderdeel, namelijk dat ook een "onregelmatig" ontslag tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidt, is ongetwijfeld juist. Dat blijkt al uit (de tekst van) art. 7:677 BW. Het wordt in de doctrine algemeen zo geleerd, zie bijvoorbeeld Arbeidsovereenkomst (losbl.), Luttmer - Kat, art. 677, aant. 2.

10 Zo geldt de bedoelde schadeloosstelling niet als loon, wat verschil kan maken voor de inhoudingsplicht van de werkgever en de fiscale beoordeling ten opzichte van de werknemer, en voor de mate waarin aan de werknemer opgekomen voordelen tot matiging aanleiding mogen geven. Ook kan van belang zijn dat voor de verschillende vorderingen/aanspraken verschillende verjarings- of vervaltermijnen (kunnen) gelden; en uiteraard kan de omvang - het bedrag - van de schadeloosstelling (in positieve of negatieve zin) verschillen van wat ten titel van salaris e.d. verschuldigd zou zijn. Zie hierover bijvoorbeeld Arbeidsovereenkomst (losbl.), Luttmer - Kat, art. 677, aant. 8; Bakels c.s., Schets van het Nederlands arbeidsrecht, 2003, nr. 3.6.3.4; Van der Grinten c.s., Arbeidsovereenkomstenrecht, 2002, p. 333.

11 Volgens mij hoeft in dit verband niet te worden ingegaan op de twistvraag, of men een ontslag rechtsgeldig kan verlenen met een clausulering zoals die in de tekst werd omschreven (zie daarover bijvoorbeeld Van der Grinten c.s., a.w. p. 251 en HR 28 april 1995, NJ 1995, 651, rov. 3.5). Waar de wederpartij tegen die clausulering geen bezwaar maakt (wat hier klaarblijkelijk het geval is geweest), lijkt mij deze mogelijkheid in ieder geval aanwezig.

12 Zie voor de uitleg van in een procedure ingenomen standpunten (zoals in het huidige geval: de strekking van Grief III) bijvoorbeeld HR 20 september 2002, RvdW 2002, 141, rov. 3.4; HR 12 juli 2002, NJ 2003, 151, rov. 3.9.3; en voor de uitleg van andere stukken (in dit geval: de opzegbrief) bijvoorbeeld HR 1 februari 2002, NJ 2002, 529 m.nt. MMM, rov. 3.5.

13 Zo ook een in dit opzicht eenstemmige doctrine. Ik verwijs voor voorbeelden naar T&C Arbeidsrecht, , Luttmer - Kat, art. 6 BBA, aant. 6; Asser - Maeijer 2 III, 2000, nr. 308; Wurfbain, Ondernemersbrief 1999, p. 5 e.v.; Stein, noot bij HR 13 november 1992, NJ 1993, 265, eerste alinea; Huizink, Bestuurders van rechtspersonen, diss. 1989, p. 74 - 75. De in voetnoot 7 aangehaalde vindplaatsen gaan, bij hun bespreking van een (mogelijke) uitzondering, ook van deze regel uit.

14 Het verbaast enigszins dat het hof zijn onderhavige oordeel niet heeft "doorgetrokken" naar het op 29 februari 2000 (subsidiair) aangezegde ontslag per 30 september 2000 (dwz.: het ontslag dat met inachtneming van een zesmaands-opzegtermijn werd gegeven); uitgaande van de toepasselijkheid van art. 6 BBA, zou dat voorschrift immers ook vernietigbaarheid van dit ontslag hebben meegebracht. Ik laat dit punt verder rusten, nu het - om begrijpelijke redenen - door CB in cassatie niet aan de orde is gesteld.

15 Dit in verband met art. 9 BBA.

16 Zie bijvoorbeeld HR 3 mei 2002, NJ 2002, 348, rov. 3.3; HR 17 april 1998, NJ 1998, 495, rov. 3.3 en 3.4.

17 De betreffende vaststelling is trouwens onmiskenbaar juist: al in de inleidende dagvaarding werd nietigverklaring van de (destijds gegeven) ontslagen gevorderd; en het alstoen ingenomen standpunt is van de kant van [verweerder] steeds gehandhaafd.

18 Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat ik, op het voetspoor van middelonderdeel 4, in het bestreden arrest "inlees" dat het hof ervan uit is gegaan dat de brief van 29 februari 2000 er niet toe strekte, de arbeidsovereenkomst per die datum te beëindigen, ook als het beoogde ontslag op staande voet wegens een (tijdig meegedeelde) dringende reden niet zou worden gehonoreerd (en dat juist met het oog op die mogelijkheid de subsidiaire opzegging met inachtneming van de opzegtermijn werd gedaan) - zie ook alinea's 16 en 17 hiervóór.

Als men de brief van 29 februari 2000 zo leest als het middelonderdeel wil, en tevens aanneemt dat ook het hof die lezing (stilzwijgend) heeft aanvaard (of die niet heeft verworpen) - d.i. een lezing die blijkens de aanhef van middelonderdeel 4 ("Indien r.o. 5.3.3. aldus moet worden gelezen...") daar als méér of als even plausibel wordt aangemerkt -, ontbreekt in het arrest de (nadere) zelfstandige gedachtegang die de beslissing zou (blijven) ondersteunen, ook als middelonderdeel 1 en middelonderdeel 2 beide zouden slagen. Ofschoon ik deze uitleg van het bestreden arrest niet voor de juiste houd, lijkt die mij niet zó onaannemelijk, dat ik deze mogelijkheid onvermeld zou mogen laten.