Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AM2359

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-02-2004
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
C02/261HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AM2359
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

27 februari 2004 Eerste Kamer Nr. C02/261HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie), gevestigd te 's-Gravenhage, EISER tot cassatie, advocaat: mr. G. Snijders, t e g e n BERGINGSCENTRALE AMSTERDAM B.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. H.H. Barendrecht. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet politieregisters 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 112
NJ 2004, 599 met annotatie van Y. Buruma
RvdW 2004, 42
Module Aanbesteding 2004/292
JWB 2004/80
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C02/261HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 24 oktober 2003

Conclusie inzake:

Staat der Nederlanden

tegen

Bergingscentrale Amsterdam B.V.

In deze zaak heeft de politie CID-informatie uit een politieregister verstrekt aan de officier van justitie, die een samenvatting van deze informatie heeft doorgegeven aan Rijkswaterstaat ten behoeve van een integriteitsbeoordeling in het kader van een aanbesteding. In cassatie is de vraag aan de orde of deze verstrekking van gegevens toelaatbaar is.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan(1):

1.1.1. Verweerster in cassatie (BCA) houdt zich bezig met het vervoeren en verslepen van personen- en vrachtauto's en andere voertuigen. Zij verrichtte deze werkzaamheden ook vóór 1996 in opdracht van de politie en andere (semi)-overheidsorganen.

1.1.2. Rijkswaterstaat (RWS) is in 1996 bezig geweest met het opzetten van een "pilot Incident Management". Dit is een project dat ten doel heeft een zodanige samenwerking tussen RWS, politie en particuliere bergingsbedrijven tot stand te brengen dat de doorstroming van het verkeer tijdens en na verkeersongevallen wordt bevorderd. In het kader daarvan zullen door particuliere bergingsbedrijven ook bepaalde werkzaamheden worden uitgevoerd die tot de taak van de politie behoren(2). Tussen RWS en de politie is afgesproken dat de voor dit project in aanmerking komende bergingsbedrijven zullen worden gescreend op hun geschiktheid om deze (beperkte) politietaken te verrichten.

1.1.3. RWS heeft via de regiopolitie Amsterdam-Amstelland bij het Openbaar Ministerie te Amsterdam geïnformeerd of van die zijde bezwaar bestond tegen deelname van BCA aan het project.

1.1.4. Bij brief van 28 februari 1996 heeft de officier van justitie, mr. F. Teeven, aan RWS medegedeeld:

"Onder de bergingsbedrijven die in aanmerking komen voor aanbesteding(3) bevinden zich onder andere:

1) de Amsterdamse Bergings-Combinatie (ABC) (...)

(dit bedrijf wordt feitelijk geleid door [betrokkene 1], geb. [geboortedatum] 1946)

2) de Bergings Combinatie Amsterdam BV(4)/Sleepdienst Coentunnel BV (...)

(dit bedrijf wordt feitelijk geleid door [betrokkene 2], geb. [geboortedatum] 1946).

Met betrekking tot deze bedrijven is er informatie over 1992 tot heden afkomstig van lopende- en afgeronde strafrechtelijke onderzoeken alsmede van de regionale criminele inlichtingendienst (RCID) Amsterdam-Amstelland.

Bovengenoemde informatie houdt kort samengevat in dat de beide [betrokkenen] facilitair zouden zijn aan georganiseerde groepen die zich bezig houden met de invoer van verdovende middelen via de haven van Amsterdam.

Het is om die reden dat het openbaar ministerie te Amsterdam het onwenselijk acht dat de onder 1 en 2 genoemde bedrijven in aanmerking zouden komen voor het uitvoeren van (beperkte) politietaken."

1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 11 oktober 1996 heeft BCA de Staat gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage. De vordering van BCA houdt in dat de Staat zal worden veroordeeld om(5):

1. aan RWS mee te delen dat er ten aanzien van BCA geen bezwaren bestaan op grond waarvan aan BCA enige opdracht of taak niet zou kunnen worden gegeven, alsmede dat de door de officier van justitie gedane mededelingen geen betrekking hebben op BCA;

2. aan BCA inzage te verstrekken in de CID-informatie waarop mr. Teeven zijn advies heeft gebaseerd;

3. ervoor te zorgen dat onder verantwoordelijkheid van de Staat vallende personen, organen of instanties zich zullen onthouden van uitlatingen die inhouden of suggereren dat BCA of haar bestuurders zich bezighouden met strafbare feiten en/of contacten onderhouden met criminele organisaties;

4. een bedrag van f 25.000,- aan BCA te betalen als voorschot op een aan haar toekomende schadevergoeding.

1.3. BCA heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat een orgaan waarvoor de Staat verantwoordelijk is, onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Zij heeft gesteld dat de informatieverstrekking in strijd met de Wet politieregisters (Wpolr)(6) is geschied en dat de verstrekte informatie bovendien onjuist is. Ook heeft zij gesteld dat de informatieverstrekking onzorgvuldig en lichtvaardig is geschied, ten gevolge waarvan de informatie bekend is geraakt in een brede kring van personen die tot deze informatie geen toegang hadden mogen hebben. BCA stelt hierdoor schade te hebben geleden en te zullen lijden, in het bijzonder winstderving als gevolg van misgelopen opdrachten.

1.4. De Staat heeft als verweer aangevoerd dat het Openbaar Ministerie de taak en de verplichting heeft erop toe te zien dat politietaken (ook beperkte politietaken) niet worden verricht door particulieren(7) die met ernstige strafbare feiten in verband kunnen worden gebracht. Op grond hiervan was de officier van justitie bevoegd om deze gegevens te verstrekken aan RWS, aldus de Staat. Voor zover BCA inzage in de gegevens vordert of meent dat de geregistreerde gegevens inhoudelijk onjuist zijn, staan voor BCA uitsluitend de procedures open die in de Wet politieregisters bestaan voor de inzage van gegevens respectievelijk voor het herstel van onjuiste gegevens.

1.5. De rechtbank heeft op 26 maart 1997 een tussenvonnis gewezen. De rechtbank overwoog dat het Openbaar Ministerie is belast met de handhaving van de wetten en de uitoefening van het gezag over de politie. Het Openbaar Ministerie dient te voorkomen dat (rechts-)personen, die in verband kunnen worden gebracht met criminele activiteiten, met de politie samenwerken en worden belast met de uitoefening van politietaken, hoe gering ook. De rechtbank achtte de informatieverstrekking daarom geoorloofd. Voor wat betreft de gevorderde inzage in de CID-gegevens, was de rechtbank van oordeel dat BCA in haar vordering niet-ontvankelijk is omdat de Wet politieregisters (art. 20) daarvoor bij uitsluiting een rechtsgang biedt. Voor wat betreft de stelling dat de verstrekte gegevens onjuist zijn, wees de rechtbank BCA op de procedure van art. 20 jo. 23 Wpolr. In afwachting van het doorlopen van die procedure hield de rechtbank haar beslissing op dit punt aan. De stelling tenslotte dat RWS en/of het wijkteam Autosnelwegen slordig met de gegevens zijn omgegaan werd door de rechtbank verworpen.

1.6. BCA heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De Staat heeft incidenteel hoger beroep ingesteld voor zover de vordering niet terstond was afgewezen. Het hof heeft in zijn arrest van 13 juni 2002 vooropgesteld dat de Wet politieregisters een gesloten systeem vormt, in die zin dat de beheerder geen gegevens uit de politieregisters mag verstrekken buiten de gevallen die bij of krachtens die wet zijn geregeld, noch aan anderen mag verstrekken dan de in die wet genoemde personen en instanties (rov. 5.3). Vervolgens heeft het hof onderzocht of art. 15 lid 1 Wet politieregisters in dit geval een wettelijke basis biedt voor het verstrekken van de gegevens (rov. 6 - 8.11). Het hof is in rov. 8.11 tot de slotsom gekomen dat de gegevensverstrekking door de beheerder aan de officier van justitie niet geoorloofd was. Omstandigheden die een uitzondering zouden kunnen rechtvaardigen achtte het hof niet aanwezig (rov. 9).

1.7. Het hof heeft op het principaal hoger beroep van BCA het vonnis van de rechtbank vernietigd. Voor wat betreft de afzonderlijke vorderingen, heeft het hof de eerstgenoemde vordering (het bevel tot het doen van een mededeling aan RWS) toegewezen in een aangepaste vorm. Het hof heeft de Staat bevolen om op eerste, daartoe strekkend schriftelijk verzoek van BCA na betekening van het arrest schriftelijk aan RWS mee te delen dat de in de brief van officier van justitie mr. F. Teeven d.d. 28 februari 1996 vervatte informatie als niet verstrekt dient te worden beschouwd en geen grond mag opleveren om BCA anders te behandelen dan andere particuliere bergingsbedrijven bij de gunning van opdrachten of het laten verrichten van werkzaamheden. Met betrekking tot de tweede vordering (het verlenen van inzage in de CID-gegevens) heeft het hof BCA in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat voor haar een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan (rov. 12). De derde vordering (het bevel tot onthouding van bepaalde uitlatingen) werd afgewezen als te vaag (rov. 15). Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding heeft het hof inlichtingen gevraagd en iedere verdere beslissing aangehouden (rov. 17). Tenslotte heeft het hof het incidenteel hoger beroep van de Staat verworpen.

1.8. De Staat heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld. BCA heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Bij de beoordeling van het cassatieberoep kan als uitgangspunt worden genomen dat de aan RWS verstrekte informatie moet worden beschouwd als (een samenvatting door de officier van justitie van) gegevens uit een of meer politieregisters waarop de Wet politieregisters van toepassing is(8). De regels van de Wet politieregisters vormen tezamen een gesloten systeem, voor wat betreft de personen en instanties aan wie, het doel waarvoor en de omstandigheden waaronder gegevens uit politieregisters mogen worden verstrekt. Dit wil zeggen dat de beheerder van het register geen gegevens mag verstrekken aan anderen dan de bij of krachtens de wet aangeduide personen en instanties en dat geen gegevens mogen worden verstrekt in andere dan de bij of krachtens de wet geregelde gevallen(9).

2.2. In dit geding wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de vraag of de beheerder van het (CID-)register de gegevens mocht verstrekken aan de officier van justitie en anderzijds de vraag of de officier van justitie (een samenvatting van) deze gegevens bekend mocht maken aan RWS. Het antwoord op de eerste vraag moet worden gezocht in de artikelen 14-19 Wpolr. Het antwoord op de tweede vraag moet worden gezocht in art. 30 lid 1 Wpolr. Het laatstgenoemde artikellid luidt:

"Een ieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover een bij of krachtens deze wet gegeven voorschrift mededelingen toelaat, dan wel de uitvoering van de taak met het oog waarop de gegevens zijn verstrekt tot het ter kennis brengen daarvan noodzaakt."

2.3. In het debat staat centraal art. 15 lid 1 Wpolr. Tot 1994 luidde deze bepaling, voor zover van belang:

"Uit een politieregister worden op hun verzoek gegevens verstrekt aan:

a. leden van het openbaar ministerie, voor zover zij deze behoeven in verband met de uitoefening van hun taak.

b. (enz.)."

Ten tijde van de onderhavige verstrekking (in 1996) luidde de tekst als volgt:

"Uit een politieregister worden op hun verzoek gegevens verstrekt aan:

a. leden van het openbaar ministerie, voor zover zij deze behoeven in verband met hun gezag en zeggenschap over de politie dan wel over andere personen of instanties die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast;

b. (enz.)."

Het hof heeft de vordering beoordeeld aan de hand van de wettekst zoals deze luidde sedert de inwerkingtreding van de wet van 11 december 1997, Stb. 674, te weten:

"Uit een politieregister worden op hun verzoek gegevens verstrekt aan:

a. leden van het openbaar ministerie, voor zover zij deze behoeven

1. in verband met hun gezag en zeggenschap over de politie, dan wel over andere personen of instanties die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast, of

2. voor de uitvoering van andere bij of krachtens wet opgedragen taken;

b. (enz.)."(10)

2.4. Voorts is van belang dat art. 15 Wpolr. nadien wederom is gewijzigd. De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur(11) regelt de screening van bedrijven door bestuursorganen, onder meer met het oog op het verlenen van overheidsopdrachten. De uitvoering van deze wet is in handen gelegd van een aan het ministerie van Justitie gekoppeld landelijk bureau Bibob, door tussenkomst van welk bureau bepaalde informatie kan worden verstrekt. Om de verstrekking van gegevens door het bureau Bibob mogelijk te maken is wijziging gebracht in art. 15 Wpolr (door toevoeging van een onderdeel "d" aan art. 15 lid 1). Hoewel hier niet van toepassing, kan ook nog worden gewezen op de latere Aanwijzing WBP(12), voor zover deze inhoudt:

"De WBP beoogt niet derden de mogelijkheid te geven iemand "na te trekken", oftewel: geeft geen screeningsmogelijkheid. Informatie mag via de WBP dan ook nooit worden verstrekt in verband met het aangaan door een derde van enige relatie, verbintenis, verplichting of contract met een ander door degene die de informatie vraagt. De verzoeker dient in dat geval te worden gewezen op de mogelijkheden die de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (WJD), met name de verklaring omtrent het gedrag, en eventueel op termijn de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (BIBOB) bieden."

2.5. De Staat heeft in feitelijke instanties aangevoerd dat de officier van justitie de onderhavige gegevens behoefde in verband met zijn gezag en zeggenschap over de politie c.q. over personen die met de opsporing van strafbare feiten worden belast en dat, om die reden, de verstrekking van de gegevens uit het politieregister aan de officier van justitie is geschied op basis van art. 15 lid 1 Wpolr. Het hof heeft die stelling verworpen in de rov. 8.1 - 8.11. Daarbij heeft het hof onderscheid gemaakt tussen

(i) de vraag of de officier van justitie de gegevens nodig had in verband met zijn gezag en zeggenschap over de politie c.q. over andere personen of instanties die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast (rov. 8.1-8.3);

(ii) de vraag of de officier van justitie de gegevens nodig had voor de uitvoering van andere, hem bij of krachtens de wet opgedragen taken (rov. 8.4).

Onderdeel I van het cassatiemiddel ziet met name op de vraag onder (i). De subonderdelen I.a, I.b en I.c lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

2.6. Art. 12 Politiewet 1993 bepaalt dat indien de politie in een gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde en ter uitvoering van de hulpverleningstaak, zij onder gezag staat van de burgemeester. Indien de politie optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel taken verricht ten dienste van de justitie, staat zij onder gezag van de officier van justitie, voor zover de wet niet anders heeft bepaald (art. 13 Politiewet 1993). De indeling van art. 15 lid 1 Wpolr. onder b (burgemeester), respectievelijk onder a (officier van justitie), komt hiermee overeen. Het hof heeft in rov. 8.3 overwogen dat in dit geval de gegevens niet werden gevraagd in het kader van de opsporing of vervolging van strafbare feiten - een oordeel dat in cassatie niet is bestreden -, noch door de officier van justitie in zijn hoedanigheid van verantwoordelijke autoriteit voor opsporing en vervolging. Dit laatste wordt in cassatie bestreden. Kern van de klacht is dat de Staat - anders dan het hof - het onderzoek naar de geschiktheid van BCA als potentiële contractspartner in het samenwerkingsverband met RWS en de politie beschouwt als een uitvloeisel van de verantwoordelijkheid van de officier van justitie voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

2.7. In feitelijke instanties heeft de Staat aangevoerd dat het van groot en publiek belang is dat de overheid beschikt over een integere politie en, in het verlengde daarvan, dat slechts personen wier integriteit buiten verdenking staat een samenwerking met de politie aangaan en daarbij worden belast met politietaken. Het hof heeft dit belang - terecht - niet in twijfel getrokken, maar heeft overwogen dat dit belang onvoldoende is om in alle gevallen, waarin enige vorm van samenwerking met de politie wordt overwogen, inlichtingen uit politieregisters op te vragen en zulke gegevens aan derden door te geven buiten medeweten van de betrokkene. Daarbij heeft het hof uitdrukkelijk in aanmerking genomen dat het hier om zeer beperkte politietaken gaat (foto's en krijtstrepen) en dat niet aannemelijk is dat BCA dientengevolge toegang zal verkrijgen tot personen of gegevens die voor criminelen mogelijk interessant zijn (rov. 9).

2.8. De Staat heeft in zoverre gelijk, dat óók ten aanzien van zulke beperkte taken (foto's en krijtstrepen) de politie en haar hulppersonen optreden in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, althans werkzaamheden verrichten ten dienste van de justitie en in zoverre onder het gezag van de officier van justitie staan. Gesteld, bijvoorbeeld, dat bij de officier van justitie een klacht zou worden ingediend over het optreden van de politie of haar hulppersonen tijdens het verrichten van deze beperkte politietaken, dan kan de officier van justitie gegevens uit een politieregister nodig hebben om zich een oordeel over de klacht te vormen. De bevoegdheid tot het opvragen van de gegevens vloeit in dit veronderstelde geval voort uit het gezag van de officier van justitie over de politie. In de redenering van het hof gaat het echter niet om de wijze waarop BCA foto's maakt of krijtstrepen zet, maar gaat het om een screening in het kader van een integriteitsonderzoek. Het belang bij een screening is enerzijds het voorkómen dat criminelen toegang krijgen tot voor hen interessante gegevens of personen binnen de politie-organisatie, anderzijds de algemene integriteit van de politie en haar hulppersonen en de publieke beeldvorming daaromtrent. Het eerstgenoemde belang is door het hof onaannemelijk geacht. Het laatstgenoemde belang is door de wetgever voor het eerst erkend als grond voor het opvragen van gegevens uit een politieregister toen in 1998 onderdeel "u" in art. 14 lid 1 Besluit politieregisters werd opgenomen (zie rov. 8.8-8.10). Later heeft de wetgever het belang van een screening in het algemeen erkend in de Wet Bibob, maar gebonden aan de tussenkomst van een intermediair. Tot die tijd was de enige screeningsmogelijkheid het vragen van een Verklaring omtrent het gedrag.

2.9. Middelonderdeel I.d richt zich op dit laatste punt. M.i. ziet het middelonderdeel eraan voorbij, dat het hof zijn beslissing heeft gebaseerd op het gesloten stelsel van de Wet politieregisters: indien art. 15 lid 1 onder a Wpolr. geen basis biedt voor de verstrekking van deze gegevens (noch in lid 1 onder a onder 1, noch in lid 1 onder a onder 2), is de verstrekking eenvoudigweg niet toegestaan. Voor zover de Staat meent dat de screeningsbevoegdheid voortvloeit uit het gezag van de officier van justitie over de politie, komt de redenering van het hof hierop neer dat, wanneer dit destijds de opvatting van de wetgever was, de aanvulling van het Besluit politieregisters in 1998 overbodig zou zijn geweest. Deze redenering van het hof lijkt mij steekhoudend. De toelaatbaarheid van de verstrekking moet worden beoordeeld aan de hand van het toen geldende recht. Het toen geldende recht was de vrucht van een maatschappelijke ontwikkeling, waarin destijds de privacybescherming voor de wetgever de boventoon voerde. Pas nadien is de wetgever steeds meer gevallen gaan benoemen waarin de privacybescherming moet wijken voor andere belangen. Zelfs in de huidige regeling is het verstrekken van gegevens uit politieregisters niet vrij, maar moet voor een screening de Bibob-procedure worden gevolgd.

2.10. Als bijkomend argument is nog te noemen dat het initiatief tot het opvragen van de gegevens is uitgegaan van RWS. Daarmee doet zich het gevaar voor waartegen de Wet politieregisters de burgers nu juist beoogde te beschermen, namelijk dat een persoon of instantie die geen toegang heeft tot CID-informatie, maar wel de beschikking over die informatie wil hebben, een politie- of justitiefunctionaris benadert die wél toegang tot deze vertrouwelijke gegevens heeft, in plaats van een Verklaring omtrent het gedrag te vragen. De slotsom van het voorgaande is dat de klachten niet tot cassatie leiden.

2.11. In middelonderdeel I.e wordt aangevoerd dat de vraag of de officier van justitie gerechtigd was om de gegevens, verkregen van de beheerder van het politieregister, mee te delen aan RWS beoordeeld dient te worden aan de hand van art. 30 lid 1 Wpolr. Dat lijkt mij juist; zie voor de tekst van deze bepaling: alinea 2.2 hiervoor. Het hof is aan deze vraag niet toegekomen omdat het van oordeel was dat de verstrekking door de beheerder aan de officier van justitie niet rechtmatig was. Het hof behoefde daarom niet in te gaan op de vraag of de officier van justitie, zo hij rechtmatig over de gegevens uit het politieregister zou hebben beschikt, deze gegevens mocht doorgeven aan RWS, al dan niet in een samengevatte vorm. Om deze reden faalt de klacht.

2.12. In middel II klaagt de Staat dat het hof ten onrechte ervan uitgaat dat niet alleen de verstrekking van concrete gegevens uit het politieregister onrechtmatig is geweest, maar óók het, op grond van die gegevens, door de officier van justitie uitspreken van de onwenselijkheid van deelname door BCA aan (beperkte) politietaken als hier aan de orde.

Volgens het middel valt niet in te zien dat, noch waarom, het uitspreken door mr. Teeven van de onwenselijkheid van deelname van BCA aan het project onrechtmatig zou zijn, los van de verstrekking van de gegevens uit het politieregister. In de toelichting op de klacht wijst de Staat op zijn conclusie van antwoord in eerste aanleg onder 8 en op de pleitnotities in eerste aanleg onder 4.1.

2.13. In de conclusie van antwoord heeft de Staat het volgende gesteld:

"7. (...) Waar het Openbaar Ministerie zich heeft beperkt tot een zeer korte samenvatting van beschikbare informatie, door gebruik van het woord "zouden" heeft aangegeven dat de juistheid van deze informatie niet definitief was vastgesteld en ook overigens op geen enkele wijze de grenzen van de zorgvuldigheid overschreden, wordt de Staat ten onrechte onrechtmatig handelen verweten.

8. Voor vergoeding van schade, zoals thans gevorderd, bestaat dan ook geen aanleiding. Ook bestaat geen aanleiding voor toewijzing van de gevorderde rectificatie. Immers, er bestaan bij het Openbaar Ministerie bezwaren indien eiseres bij de uitoefening van haar bedrijf beperkte politietaken uitvoert. De in de brief van 28 februari 1996 gegeven informatie is juist. De Staat kan niet worden veroordeeld tot het geven van een verklaring die in strijd is met de waarheid."

In de pleitnotities in eerste aanleg onder 4.1 is dit standpunt namens de Staat herhaald om aan te geven waarom de door BCA gevorderde rectificatie (inhoudende: "dat tegen BCA geen bezwaren bestaan") volgens de Staat niet toewijsbaar is.

2.14. Deze context maakt duidelijk waarom middel II niet slaagt. Aan de orde was niet een geval waarin de officier van justitie zonder meer had meegedeeld bezwaar te hebben tegen een deelname van BCA aan het project. Het hof heeft in rov. 10 overwogen dat de Staat (d.w.z. het O.M.) jegens BCA onrechtmatig heeft gehandeld door de litigieuze informatie aan RWS te verstrekken en daarbij op te merken het op grond van de genoemde gegevens onwenselijk te achten dat BCA in aanmerking zou komen voor de uitvoering van deze (beperkte) politietaken. Het hof kwam dus niet toe aan de vraag of de Staat los van die gegevens - m.a.w.: als die gegevens er niet zouden zijn geweest of in het veronderstelde geval dat de gegevensverstrekking door de beheerder aan de officier van justitie rechtmatig zou zijn geweest - onrechtmatig heeft gehandeld door de mededeling dat het O.M. in Amsterdam het ongewenst acht dat BCA wordt inschakeld voor deze (beperkte) politietaken. De kwestie, die in de CvA en in de pleitnota werd besproken, kwam in rov. 14.1 uitsluitend nog aan de orde in verband met de wijze waarop BCA haar vordering had geformuleerd. BCA had immers een bevel gevorderd, inhoudende dat de Staat aan RWS zou moeten mededelen "dat er ten aanzien van appellante geen bezwaren bestaan (...)". De Staat vond die tekst veel te positief geformuleerd en heeft subsidiair bezwaar gemaakt tegen de formulering van het petitum. Het hof heeft dit subsidiaire verweer van de Staat gehonoreerd en, in het dictum van zijn arrest, afgifte door de Staat van een anders geformuleerde verklaring bevolen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 1.1 - 1.3 van het bestreden arrest in verbinding met het vonnis van de rechtbank van 26 maart 1997 onder 1.

2 Blijkens rov. 9 van het bestreden arrest gaat het om het maken van foto's en het zetten van krijtstrepen op het wegdek na aanrijdingen.

3 In de weergave door het hof in rov. 1.3 zijn deze woorden abusievelijk weggevallen.

4 De officier van justitie bedoelde kennelijk Bergingscentrale Amsterdam B.V. (zie rov. 3.4 van het vonnis van de rechtbank). De verschrijving speelt in cassatie geen rol.

5 De eis is in hoger beroep opnieuw geformuleerd. Deze weergave is ontleend aan rov. 2 van het bestreden arrest.

6 Wet van 21 juni 1990, Stb. 414 (groene Kluwer-wetgevingseditie X.5).

7 In eerste aanleg is nog even in discussie geweest of de in de brief genoemde [betrokkene 2] inderdaad feitelijk leidinggever was van BCA. In cassatie is dit geschilpunt niet meer aan de orde.

8 Rov. 5.1, in cassatie onbestreden. Vgl. HR 24 januari 1997, NJ 1998, 398 m.nt. G. Overkleeft-Verburg.

9 Zie over het gesloten systeem o.m.: A.G.P. van Ruth en E. Schreuders, Politiegegevens beschermd, uitgave Registratiekamer 2000; MvT, Kamerstukken II 1985/86, 19 589, nr. 3, blz. 9; zie ook de MvT op het wetsontwerp Bibob, Kamerstukken II 1999/2000, 26 833, nr. 3, blz. 12-13.

10 Het cassatiemiddel maakt geen bezwaar ertegen dat het hof deze tekst hanteert en gaat zelfs uit van deze tekst; vgl. de s.t. van de Staat onder 2.4.

11 Wet van 4 juli 2002, Stb. 347.

12 Aanwijzing verstrekking van strafrechtelijke gegevens aan derden voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden (Aanwijzing WBP) d.d. 3 juli 2001, Stcrt. 154, onder 4.