Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AF9656

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-2004
Datum publicatie
09-01-2004
Zaaknummer
C02/246HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AF9656
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

9 januari 2004 Eerste Kamer Nr. C02/246HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [betrokkene 1], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: voorheen mr. J.B.M.M. Wuisman, thans mr. M.V. Polak, t e g e n 1. [Verweerder 1], 2. [Verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. L.Ph.J. baron Van Utenhove. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 9
NJ 2004, 141
RvdW 2004, 15
JWB 2004/2
Verrijkte uitspraak

Conclusie

nr. C02/246HR

Mr. Hartkamp

Zitting 31 oktober 2003

Conclusie inzake

[Eiser], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [betrokkene 1]

tegen

1. [Verweerder 1]

2. [Verweerster 2]

Feiten en procesverloop

1) In cassatie dient te worden uitgegaan van de volgende feiten (zie r.o. 2 van het vonnis d.d. 11 januari 2001 van de rechtbank).

[Betrokkene 2] (in de gedingstukken ook wel: "[betrokkene 2]", hierna te noemen [betrokkene 2]) heeft aan verweersters in cassatie, [verweerder 1] en [verweerster 2] (hierna tezamen: [verweerder] c.s.), op 7 augustus 1998 een loods met ondergrond en erf verkocht, ter grootte van ongeveer 10 aren, voor ƒ 20.000,--. Deze loods met ondergrond en erf maakte tot dat moment deel uit van het perceel [a-straat], kadastraal bekend gemeente Horst, sectie [A], nummer [002]. In verband met de verkoop heeft een splitsing van dat perceel plaatsgevonden (het perceel van de loods met ondergrond en erf kadastraal is geworden: gemeente Horst, sectie [A], nummer [001]).

Voorafgaande aan voormelde koop is in opdracht van [verweerder 1] door Makelaarskantoor [B] B.V. op 25 juni 1998 een taxatie verricht in verband met de waardebepaling van de loods met ondergrond ten behoeve van aankoop. De vrije verkoopwaarde van de loods met ondergrond is in dit rapport getaxeerd op ƒ 20.000,--.

Op 10 augustus 1998 is de transportakte ter zake van de loods met ondergrond en erf in de woning gelegen aan [a-straat] te [plaats] door de notaris verleden. [Betrokkene 2] en [verweerder] c.s. hadden ook gesproken over een voorkeursrecht en het was hun bedoeling geweest dat op 10 augustus 1998 eveneens notarieel vast te leggen, maar omdat [betrokkene 1] (zie hieronder) dat niet wilde, wilde de notaris dat niet doen en is dat niet gebeurd.

Op 7 oktober 1999 is [betrokkene 2] overleden (in het vonnis staat "1998", maar zie r.o. 4.1 van het arrest van het hof).

In het testament van [betrokkene 2] d.d. 24 december 1963 is [betrokkene 1] (in de gedingstukken ook wel: "[betrokkene 1]", hierna te noemen [betrokkene 1]) benoemd tot enig erfgenaam. [Betrokkene 2] en [betrokkene 1] hadden als broer en zus tot dat moment samengewoond in de woning gelegen aan [a-straat] te [plaats]. Door erfopvolging is [betrokkene 1] thans eigenaar van deze woning.

In opdracht van [betrokkene 1] is op 12 januari 2000 de loods met ondergrond en erf door [betrokkene 6] getaxeerd en is de vrije verkoopwaarde, ervan uitgaande dat het om bouwgrond gaat, bepaald op ƒ 175.000,--.

[Betrokkene 1] is bij beschikking van 23 december 1999 onder bewind gesteld en daarbij is eiser tot cassatie, [eiser] (hierna: [eiser]), een neef van haar als ook van [verweerster 2], tot bewindvoerder benoemd.

Daarnaast moet in cassatie worden uitgegaan van de volgende, door het hof vastgestelde feiten (zie r.o. 4.2 van het arrest d.d. 28 mei 2002).

[Betrokkene 1] is in ieder geval sinds medio 1997 onder behandeling van een arts voor depressies. In een behandelplan en decursus dat ten behoeve van haar is opgesteld, staat onder het kopje "13-11-1997/decursus/[betrokkene 7]" onder meer de volgende zin: "Wel is [betrokkene 2] bekend bij [betrokkene 3], neuroloog in [plaats]. Door [betrokkene 3] werd de diagnose morbus Alzheimer vastgesteld" (productie 6 bij conclusie van eis).

Bij brief van 8 november 1999 schreef notarisklerk [betrokkene 4] aan de bewindvoerder: "U stelt dat de verkoper, [betrokkene 2] ten tijde van het ondertekenen van de diverse stukken niet meer in het bezit was van voldoende geestelijke vermogens. Bij het ondertekenen van de volmacht ten huize van de verkoper heb ik dit geenszins kunnen bespeuren. Ook notaris [betrokkene 5], die deze akte van levering aan huis heeft gepasseerd, heeft niet geconstateerd, dat verkoper ten tijde van het passeren der akte niet beschikte over voldoende geestelijke vermogens. Indien notaris [betrokkene 5] enigszins getwijfeld zou hebben omtrent de geestelijke toestand van verkoper, dan zou notaris [betrokkene 5] deze akte zeker niet hebben gepasseerd" (productie 8 bij conclusie van antwoord).

[Betrokkene 2] woonde tot 15 juni 1999 in zijn woning aan de [a-straat] te [plaats]. Op die datum werd hij opgenomen in het verpleeghuis Elzenhorst. Hij werd daar op somatische afdelingen verpleegd.

2) Bij exploot van 15 mei 2000 heeft [eiser] (zie r.o. 4.1 van het arrest van het hof) [verweerder] c.s. gedagvaard voor de Arrondissementsrechtbank te Roermond. Hij heeft gevorderd, kort gezegd en voorzover in cassatie van belang, primair vernietiging met terugwerkende kracht van de koopovereenkomst van 7 augustus 1998 op grond van misbruik van omstandigheden, alsmede subsidiair een verklaring voor recht dat [verweerder] c.s. aansprakelijk zijn voor de ten gevolge van de koopovereenkomst geleden schade en meer subsidiair dat zij worden veroordeeld tot vergoeding van die schade wegens onrechtmatig handelen.

[Verweerder] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3) Bij vonnis van 11 januari 2001 heeft de rechtbank de primaire vordering van [eiser] toegewezen. Aan de subsidiaire vorderingen is de rechtbank niet toegekomen.

4) [Verweerder] c.s. zijn onder aanvoering van vier grieven tegen het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De grieven richtten zich alle tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van misbruik van omstandigheden in de zin van art. 3:44 lid 4 BW.

Bij arrest van 28 mei 2002 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, voorzover in cassatie van belang, de vorderingen van [eiser] afgewezen. Het heeft daartoe overwogen, kort gezegd, dat uit hetgeen [eiser] heeft gesteld niet is komen vast te staan dat [betrokkene 2] in een bijzondere omstandigheid verkeerde als bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW.

5) [Eiser] is (tijdig) van het arrest van het hof in cassatie gekomen. Daartoe heeft hij een middel van cassatie geformuleerd dat bestaat uit zeven onderdelen. [Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun stellingen schriftelijk doen toelichten. Vervolgens heeft [eiser] geconcludeerd voor repliek.

Bespreking van het cassatiemiddel

6) Onderdeel 1 klaagt erover dat het hof bij de beoordeling van de vraag of ten tijde van het sluiten van de overeenkomst sprake was van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW, blijkens r.o. 4.9, derde en vierde alinea, er vanuit is gegaan dat alleen een lijst met kernpunten uit de rapporten Thuiszorg, het Groene Kruis en Boncura in het geding is gebracht en niet de verslagen zelf. Volgens het onderdeel is dit onbegrijpelijk aangezien in het procesdossier zich een brief d.d. 1 december 2000 bevindt aan de griffier van de rechtbank, waarbij de verslagen zijn toegezonden, terwijl bovendien in het vonnis van 11 januari 2001 en in de memorie van antwoord aan die brief wordt gerefereerd en in het proces-verbaal van descente en comparitie van 5 december 2000 wordt verwezen naar "de in het geding gebrachte verslagen Thuiszorg, het Groene Kruis en de dagopvang Boncura". Door niet ook de verslagen zelf in de beoordeling te betrekken heeft het hof, aldus nog steeds het onderdeel, zijn oordeel op een te beperkte grondslag gevormd.

Het onderdeel wordt naar mijn mening terecht voorgesteld. Behalve op de omstandigheden in het onderdeel genoemd wijs ik nog op het feit dat in de brief van 1 december wordt meegedeeld dat daarvan een afschrift wordt toegezonden aan mr. Boekelman (de advocaat van [verweerder] c.s.), die om toezending van de verslagen had verzocht, terwijl voorts in het verloop van de procedure door mr. Boekelman niet is meegedeeld dat de brief met bijlagen door hem niet is ontvangen. Bij deze stand van zaken acht ik 's hofs oordeel onbegrijpelijk.

Het onderdeel stuit m.i. niet af op art. 407 lid 2 Rv. Weliswaar geeft het niet specifiek aan welke andere dan de als kernpunten vervatte gegevens uit de verslagen relevant moeten worden geacht voor de beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake was van een bijzondere omstandigheid in de zin van art. 3:44 lid 4 BW, maar het komt mij voor dat het vanzelf spreekt dat in een procedure waarin het mede aankomt op de vaststelling van de geestelijke gezondheidstoestand van [betrokkene 2], alle daarvoor relevante ten processe overgelegde gegevens door de rechter in de beschouwing moeten worden betrokken (zoals de rechtbank dan ook terecht heeft gedaan). In de schriftelijke toelichting zijdens de verweerders in cassatie wordt dit trouwens niet betwist.

7) De onderdelen 2-6 komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen 's hofs beslissing dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij slagen naar mijn mening, omdat het hof hetzij blijk heeft gegeven van een te beperkte opvatting omrent het begrip bijzondere omstandigheid in de zin van art. 3:44 lid 4, hetzij zijn beslissing dat daarvan geen sprake was niet naar behoren heeft gemotiveerd.

8) In de kern komt de zaak op het volgende neer. [Betrokkene 2] was ruim 82 jaar oud toen hij op 7 augustus 1998 de omstreden overeenkomst aanging. Hij woonde samen met zijn zuster die (in ieder geval sinds medio 1997) voor depressiviteit werd behandeld. Uit de verslagen van de Thuiszorg, het Groene Kruis en de dagopvang Boncura blijkt dat [betrokkene 2]' fysieke en geestelijke gesteldheid achteruit ging. Tussen [betrokkene 2] en [verweerder] c.s. bestond een vertrouwensband of, in de woorden van [verweerder] c.s., een zeer nauwe positieve band. [Verweerder] c.s. althans [verweerder 1] hadden reeds meerdere malen [betrokkene 2] gevraagd of zij de loods konden kopen; het initiatief tot de uiteindelijke overeenkomst ging wederom uit van [verweerder] c.s. De overeenkomst was voor [betrokkene 2] bijzonder nadelig en wel in de eerste plaats omdat de koopprijs ver beneden de marktwaarde lag - waarbij ik aanteken dat de wijze van taxatie van de grond en de loods (namelijk niet als bouwgrond) was bepaald door [verweerder] c.s. - en in de tweede plaats omdat zij tot een splitsing van de grond leidde waardoor het niet verkochte, aan hem verbleven perceel in waarde daalde.

9) Het hof heeft in r.o. 4.9, vijfde tot negende alinea, kort gezegd overwogen

a) dat niet kan worden vastgesteld of [betrokkene 2] daadwerkelijk de ziekte van Alzheimer had (vijfde en zesde al.) en, zo ja, in hoeverre hij daardoor door personen die met hem een vertrouwensband hadden, bewogen kon worden tot verkoop van het genoemde perceel tegen een prijs ver beneden de marktwaarde, zonder dat [betrokkene 2] dit ook daadwerkelijk wilde (vijfde al.); en

b) dat uit het feit dat de verkoop van het perceel tegen een prijs ver beneden de marktprijs is geschied niet kan worden afgeleid dat [betrokkene 2] een zodanige geestestoestand bezat op het moment van het sluiten van de overeenkomst dat (in combinatie met de vaststaande vertrouwensband) sprake is van een 'bijzondere omstandigheid' in de zin van art. 3:44 lid 4 BW, omdat ook mogelijk is dat [betrokkene 2] [verweerder] c.s. heeft willen bevoordelen (zevende al.), hetgeen te meer klemt gelet op de verklaring van de notarisklerk [betrokkene 4] en op het feit dat [betrokkene 2] een sterke persoonlijkheid had (achtste al.).

10) De omstandigheid onder a) is niet voldoende redengevend voor het oordeel dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden, omdat immers mogelijk is (en door [eiser] is gesteld) dat de aftakelende fysieke en psychische gezondheidstoestand van [betrokkene 2], in combinatie met zijn vertrouwensband met [verweerder] c.s., een bijzondere omstandigheid in de zin van art. 3:44 lid 4 BW oplevert, die [verweerder] c.s. (die de situatie waarin [betrokkene 2] verkeerde goed kenden) van het bevorderen van het totstandkomen van de rechtshandeling had behoren te weerhouden. Daarvoor is niet vereist dat vaststaat dat [betrokkene 2] aan de ziekte van Alzheimer leed. Het oordeel van het hof geeft er geen blijk van dat het hof een onderzoek heeft ingesteld naar de relevantie van [betrokkene 2]' gezondheidstoestand (en zijn relatie met [verweerder] c.s.) los van de mogelijkheid dat hij aan de ziekte van Alzheimer leed. De overweging van het hof dat "van algemene bekendheid (is) dat de ziekte van Alzheimer in allerlei stadia voorkomt en afhankelijk van het stadium waarin de ziekte zich bevindt al dan niet invloed heeft op het vermogen van een persoon zijn wil vrij te bepalen" doet hieraan niet af, want het gaat niet om de vraag aan welke ziekte de betrokkene lijdt, maar of hij door een omstandigheid als bedoeld in art. 4:44 lid 4 tot het verrichten van een rechtshandeling wordt bewogen.

Ik wijs nog op HR 30 juni 1978, NJ 1978, 610 (Penterman/ Handgraaf), beslissende dat het heel wel mogelijk is dat 'erflaatsters leeftijd en geestelijke en lichamelijke toestand niet er aan in de weg stonden dat zij toestemde tot de overeenkomst en toch konden medewerken aan het oordeel dat zij die toestemming heeft gegeven onder de voormelde invloed' (d.w.z. onder de invloed van omstandigheden waarvan de wederpartij misbruik heeft gemaakt).

11) Hetgeen het hof onder b) overweegt, is weliswaar juist, maar evenmin voldoende redengevend: het gaat er immers niet om of uit het feit dat de verkoop van het perceel tegen een prijs ver beneden de marktprijs is geschied al dan niet (d.w.z. op zichzelf) kan worden afgeleid dat [betrokkene 2] een zodanige geestestoestand bezat op het moment van het sluiten van de overeenkomst dat (in combinatie met de vaststaande vertrouwensband) sprake is van een 'bijzondere omstandigheid' in de zin van art. 3:44 lid 4 BW, maar of dat feit in verband met de aftakelende gezondheidstoestand van [betrokkene 2] en zijn vertrouwensband met [verweerder] c.s. relevante aanwijzingen voor misbruik van omstandigheden oplevert.

Terzijde merk ik op dat onderdeel 4 terecht aanvoert dat niet alleen van belang is dat de loods met ondergrond voor een prijs ver beneden de marktprijs is verkocht, maar dat die verkoop ook de waarde van het aan [betrokkene 2] verbleven perceel ongunstig heeft beïnvloed. Tevens is van belang, zoals onderdeel 5 terecht aanvoert, dat ten processe is gebleken dat het initiatief tot de verkoop van [verweerder] c.s. is uitgegaan en dat zij met de makelaar de wijze waarop de loods met ondergrond zou worden getaxeerd (met name dat die waarde niet als bouwgrond zou worden getaxeerd) hebben bepaald.

12) Ik besef dat in het voorgaande hoge motiveringseisen worden gesteld. Maar té hoog zijn zij naar mijn oordeel niet. Mede in het licht van HR 29 nov. 2002, NJ 2003, 243 en de per 1 januari 2003 in werking getreden artt. 7:176 en 7:186 lid 1 BW(1) beklemtoon ik opnieuw (zie de conclusie onder 9 in de zojuist genoemde zaak) dat zo er in een situatie als de onderhavige - een bejaarde persoon, wiens gezondheid duidelijk aftakelt, verricht een rechtshandeling die evident zeer nadelig is voor hem en evident zeer voordelig voor een persoon (een vriend of een familielid) die in hun onderlinge relatie een positie van vertrouwen en overwicht bekleedt - al geen reden is voor omkering van de bewijslast ten aanzien van de vraag of van misbruik van omstandigheden sprake is, in elk geval hoge motiveringseisen moeten worden gesteld aan een beslissing waarbij wordt vastgesteld dat daarvan geen sprake is. Het bestreden arrest voldoet naar mijn mening niet aan die eisen.

13) Onderdeel 7 is gericht tegen de afwijzing door het hof van de subsidiaire vordering tot schadevergoeding (r.o. 4.11-13). Deze klacht behoeft geen behandeling, omdat de zaak na vernietiging en verwijzing in haar geheel opnieuw moet worden beoordeeld.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Art. 7:176: Indien de schenker feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen, rust bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.

Art. 7:186 lid 1: De bepalingen van deze titel zijn van overeenkomstige toepassing op andere giften dan schenkingen, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de handeling zich daartegen niet verzet.

In verband met art. 176 wijs ik erop dat in casu van de koopovereenkomst geen notariële akte is opgemaakt. Wel is de transportakte ten huize van [betrokkene 2] door de notaris verleden (zie nr. 1 hierboven).