Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2004:AF6988

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2004
Datum publicatie
07-05-2004
Zaaknummer
02853/02 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AF6988
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolgingsuitlevering aan Turkije van persoon verdacht van deelneming aan PKK en daarmee samenhangende terroristische activiteiten toelaatbaar. 1. Dubbele strafbaarheid en toepasselijkheid commuun strafrecht naast humanitair oorlogsrecht art. 3 Geneefse Conventies en art. 6 WIM. 2. De feiten waarvoor de uitlevering is verzocht zijn geen absoluut politieke delicten. 3. De feiten waarvoor de uitlevering is verzocht zijn geen relatief of complex politieke delicten: Nederlands voorbehoud bij art. 13 EVT. 4. De onschuldbewering faalt nu niet is aangevoerd dat de opgeëiste persoon geen deel zou hebben uitgemaakt van (het bestuur van) de PKK.

Ad 1. Onjuist is de opvatting dat in het geval van een intern gewapend conflict het humanitaire oorlogsrecht exclusief van toepassing is, zodat het commune strafrecht is uitgeschakeld. De strafbaarstelling van schendingen van het humanitaire oorlogsrecht in interne gewapende conflicten in art. 6 Wet internationale misdrijven (WIM), betekent niet dat deze handelingen niet (ook) naar het commune strafrecht strafbaar kunnen zijn en evenmin dat andere gedragingen die in verband met een intern gewapend conflict worden verricht, deswege niet ingevolge commuun strafrecht strafbaar kunnen zijn. Dat de in art. 289 en 303 Sr strafbaar gestelde gedragingen ook naar het recht van Turkije strafbaar zijn is van algemene bekendheid.

Ad 2. De feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd, zijn naar Nederlands recht strafbaar gesteld bij art. 140 jo. 289 en/of 303 Sr. Daarom is geen sprake van absoluut politieke delicten.

Ad 3. De HR verwerpt het verweer dat sprake is van relatief of complex politieke delicten. Nederland heeft een voorbehoud gemaakt als bedoeld in art. 13 Europees verdrag tot bestrijding van het terrorisme (EVT) en zich daarmee het recht voorbehouden de uitlevering voor bepaalde feiten die behoren tot de in art. 1 EVT genoemde categorieën te weigeren in geval het deze beschouwt als politiek delict, een connex politiek delict of als een delict geïnspireerd door politieke motieven. De uitleveringsrechter moet beoordelen of bij onder art. 1 EVT vallende feiten sprake is van een politiek delict. Daarbij moeten de in art. 13 EVT genoemde gezichtspunten worden betrokken, waarin aspecten van het feit zijn genoemd die in het Nederlandse recht van ouds ook van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van een relatief politiek delict. Voor het toekennen van overwegende betekenis aan het politieke aspect van een niet absoluut politiek delict is onder meer vereist, dat het delict in de redelijke voorstelling van de dader rechtstreeks tot het beoogde politieke einddoel kon leiden (HR NJ 1978, 315). Dit is door de verdediging niet aangevoerd en uit het onderzoek ter zitting ook niet gebleken. De HR overweegt dat de stelling onjuist is dat art. 1.e EVT aleen ziet op wapens die "in den blinde kunnen doden" dan wel op niet gerichte wijze worden gebruikt. De HR oordeelt dat, gelet op de aard van de gewelddadigheden en de wijze van uitvoering alsmede de gevolgen daarvan, niet kan worden gezegd dat het politieke aspect van het delict zwaarder weegt dan het gewelddadig-criminele karakter daarvan.

Ad 4. De onschuldbewering treft geen doel nu door of namens de opgeëiste persoon niet is aangetoond dat zij niet schuldig kan zijn aan bedoelde feiten, zoals art. 26.3 UW eist. Weliswaar is aangevoerd dat de opgeëiste persoon zich niet kan hebben schuldig gemaakt aan de onderliggende feiten welke door de PKK zouden zijn begaan, doch niet dat de opgeëiste persoon in het tijdvak waarin deze feiten zijn begaan, geen deel zou hebben uitgemaakt van (het bestuur van) de PKK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 199
NJ 2007, 276

Conclusie

Nr. 02853/02 U

Mr Jörg

Zitting 1 april 2003

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. De arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 10 december 2002 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Turkije ter fine van strafvervolging ontoelaatbaar verklaard, en haar uitleveringsdetentie opgeheven.

2. De officier van justitie heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Namens verzoeker heeft mr A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, het cassatieberoep tegengesproken.

4. Het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het haar op basis van de door de Turkse autoriteiten gegeven informatie niet mogelijk is gebleken de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor uitlevering is gevraagd vast te stellen. Dit oordeel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en tevens in het licht van de inhoud van het uitleveringsverzoek en de aanvullende informatie onbegrijpelijk zijn. Anders dan in de schriftuur houdende tegenspraak wordt betoogd, is dit een cassatiemiddel in de zin van art. 437, eerste lid, Sv.

5. De bestreden uitspraak houdt onder meer het volgende in:

"In het uitleveringsverzoek van de Turkse autoriteiten van 14 januari 2002 valt te lezen dat de uitlevering van de gezochte persoon wordt verzocht voor lidmaatschap van de terroristische organisatie PKK en dat de daden die haar worden verweten vallen onder artikel 168 van de "Turkish Criminal Code" (TCC).

Het Nederlandse Ministerie van Justitie heeft bij brief van 6 februari 2002 aan de Turkse autoriteiten laten weten dat de strafbare feiten, zoals die in het uitleveringsverzoek worden omschreven, naar Nederlands recht (als zodanig) niet kunnen worden gekwalificeerd als strafbare feiten en heeft verzocht om aanvullende informatie over het aandeel van de gezochte persoon in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de PKK of waaruit van feitelijke ondersteuning van dat oogmerk blijkt. De Turkse autoriteiten hebben op 4 maart 2002 aanvullende informatie gestuurd.

Ter zitting van 25 juni 2002 heeft de rechtbank aanleiding gezien de Turkse autoriteiten om aanvullende informatie te verzoeken. De Turkse autoriteiten hebben op 15 augustus 2002 aanvullende informatie gezonden aan de rechtbank.

Deze informatie was voor de rechtbank aanleiding om wederom op bepaalde punten nadere informatie te verzoeken aan de Turkse autoriteiten. Voor de zitting van 26 november 2002 is door de rechtbank opnieuw aanvullende informatie ontvangen.

De rechtbank is alles overziend van oordeel dat de Turkse autoriteiten onvoldoende en onvoldoende voor één uitleg vatbare antwoorden hebben gegeven op vragen die betrekking hebben op de dubbele strafbaarheid van de door de gezochte persoon gepleegde handelingen.

Als gevolg daarvan is het de rechtbank niet mogelijk gebleken de dubbele strafbaarheid vast te stellen."

6. Op grond van art. 12, tweede lid van het Europees uitleveringsverdrag (EUV) dient ter staving van het verzoek om uitlevering onder meer te worden overlegd "(b) een overzicht van de feiten waarvoor uitleverring wordt verzocht". Daarbij dienen de tijd waarin en plaats waar de feiten begaan zijn "zo nauwkeurig mogelijk" te worden vermeld. Ook de Uitleveringswet kent een dergelijke eis. Art. 18 Uw, derde lid, bepaalt dat een uitleveringsverzoek onder meer vergezeld moet gaan van "een uiteenzetting van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, met een zo nauwkeurig mogelijke vermelding van tijd en plaats waarop deze zijn begaan."

7. Een uiteenzetting van de feiten is met name vereist om het de rechter in de aangezochte staat mogelijk te maken zich een oordeel te vormen over de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd. Vgl. A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht, p. 395. Daarnaast is een heldere en concrete uiteenzetting van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd ook voor de opgeëiste persoon zelf van belang. Het stelt hem in staat een zogenaamd onschuldverweer in de zin van art. 26, derde lid, Uw te voeren. In de derde plaats vormt die omschrijving de basis voor de beschermende werking van de 'specialiteit' in de verzoekende staat. Vgl. J.M. Sjöcrona en A.M.M. Orie, Internationaal strafrecht, 3e, p. 150 en N. Keijzer, Uitlevering, in: Handboek strafzaken § 91.5.6 (april 2002). Het belet in beginsel vervolging voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering werd gevraagd en toelaatbaar verklaard.

8. Kennelijk is de rechtbank van oordeel dat de stukken in het onderhavige geval ongenoegzaam zijn in de zin van art. 18 Uw en art. 12 EUV omdat de feitsomschrijving niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

9. De uitleg van de feitsomschrijving in een uitleveringszaak is, net als de uitleg van de tenlastelegging in een gewone strafzaak, voorbehouden aan de feitenrechter. Zoals in de schriftuur houdende tegenspraak terecht wordt opgemerkt, zal deze interpretatie in cassatie worden geëerbiedigd, tenzij de lezing onbegrijpelijk is. Vgl. HR 8 december 1987, NJ 1988, 667. De vraag die thans in cassatie dan ook voorligt, is of het oordeel van de rechtbank dat de Turkse autoriteiten onvoldoende informatie hebben verschaft om zich een oordeel te kunnen vormen over de dubbele strafbaarheid van de feiten, gezien de overgelegde informatie, begrijpelijk is.

10. Hoewel de feitsomschrijving in een uitleveringszaak tot op zekere hoogte te vergelijken is met een tenlastelegging in een gewone strafzaak, kan men aan de uiteenzetting van de feiten niet dezelfde eisen van precisie stellen als naar Nederlands recht aan een tenlastelegging worden gesteld. Vgl. HR 17 oktober 1989, NJ 1990, 220. Zo wordt op grond van het - in casu toepasselijke - EUV geen grotere nauwkeurigheid geëist dan ten tijde van het indienen van het uitleveringsverzoek mogelijk was. Bij de beoordeling van de uiteenzetting dient er rekening mee te worden gehouden dat het onderzoek zich in de verzoekende staat nog in een vroeg stadium kan bevinden. Het is niet de bedoeling dat de opgeëiste persoon op basis van de feitenuiteenzetting terechtstaat, maar dat zijn uitlevering wordt verkregen met het oog op het voorbereiden van een mogelijke behandeling van een zaak ter terechtzitting. Vgl. Swart, o.c., p. 396. Omschrijvingen die zeker onvoldoende zouden zijn geweest als men ze als een tenlastelegging zou hebben beschouwd, behoeven niet tekort te schieten voor de beoordeling van de dubbele strafbaarheid. Vgl. Swart, o.c., p. 396. De uiteenzetting der feiten moet worden begrepen in het licht van de daarbij vermelde kwalificatie van de genoemde feiten. Vgl. Keijzer, o.c, § 91.5.6. Een uiteenzetting van de feiten in kwalificatieve termen die mede feitelijke betekenis hebben (zie voor dit onderwerp Handboek Strafzaken § 29.5 en bijv. HR 20 november 1979, NJ 1980, 118, HR 26 november 1985, NJ 1986, 389) maakt haar overigens niet ongenoegzaam. Vgl. HR NJ 1990, 220.

11. Voor een rechter in de aangezochte staat is het uiteraard moeilijk te beoordelen of de uiteenzetting van de feiten duidelijker of preciezer had gekund. Vgl. HR 29 mei 1984, NJ 1985, 107. Swart merkt terecht op dat de Hoge Raad de maatstaven betreffende het relaas der feiten met enige soepelheid aanlegt. Vgl. Swart, o.c., p. 394. Ook Orie en Sjöcrona menen dat de Nederlandse rechter "soepel" is bij de interpretatie van de feitsomschrijving. Vgl. Sjöcrona/ Orie, o.c., p. 151. Volgens Swart komt het dan ook "hoogst zelden" voor dat de uitlevering ontoelaatbaar wordt verklaard omdat de uiteenzetting van de feiten onvoldoende houvast geeft om te komen tot een oordeel over een uitleveringsvoorwaarde. Vgl. Swart, o.c., p. 396. De grens ligt daar waar een oordeel over de strafbaarheid niet meer mogelijk is of waar niet meer kan worden vastgesteld of het feit met een voldoende zware straf wordt bedreigd. Vgl. HR 7 november 1978, NJ 1979, 188. In deze zaak kon uit de uiteenzetting van de feiten niet worden afgeleid of de hoeveelheid hashish die de opgeëiste persoon aanwezig had, een gewicht van meer dan 30 gram had, zodat niet duidelijk was of de uitzondering van art. 11, vierde lid (oud) Opiumwet van toepassing was. De Hoge Raad koos hier overigens niet voor het ongenoegzaam verklaren van de stukken, maar voor de ontoelaatbaarheid vanwege het ontbreken van de dubbele strafbaarheid.

12. De uiteenzetting van de feiten moet in ieder geval een tijd en plaats van de verweten handeling(en) inhouden.(1) Tijd en plaats mogen daarbij wel met een zekere vaagheid worden omschreven. De omschrijving "between 1980 and 1983 and later on" is voldoende duidelijk, indien de aard van het feit maar uitsluit dat het feit inmiddels verjaard is. Vgl. HR 22 juli 1986, NJ 1987, 300. Ook de aanduiding "in Nederland" kan een voldoende nauwkeurige plaatsaanduiding in de zin van art. 12 EUV zijn. Vgl. HR 14 juni 1977, NJ 1977, 522. Ook hierbij dient immers bedacht te worden dat een nauwkeuriger omschrijving van tijd en plaats van de feiten vaak niet mogelijk is indien het onderzoek naar die feiten nog gaande is.

13. Indien aan de opgeëiste persoon wordt verweten dat hij aan een bepaald strafbaar feit heeft deelgenomen, behoeft in de uiteenzetting van de feiten niet te worden opgegeven om welke deelnemingsfiguur het gaat of wat het aandeel van de opgeëiste persoon is geweest. Vgl. HR 17 december 1991, NJ 1992, 344.

14. Aan de vindplaats van de uiteenzetting van de feiten worden geen bijzondere eisen gesteld. Het bevel tot aanhouding kan de feiten bevatten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, maar ook in een apart stuk of in het uitleveringsverzoek zelf kunnen de feiten zijn opgenomen. De Hoge Raad neemt ook genoegen met een combinatie van stukken mits die maar, in samenhang gelezen, voldoende materiaal opleveren voor de rechterlijke toetsing. HR 13 december 1979, NJ 1980, 218.

15. Ik kom nu toe aan de beoordeling van de beslissing van de rechtbank omtrent het in haar beslissing - inhoudende dat zij niet in staat is om de dubbele strafbaarheid te beoordelen - besloten liggende oordeel dat de uiteenzetting van de feiten in de onderhavige zaak onvoldoende is.

16. Uit het uitleveringsverzoek van de Turkse justitiële autoriteiten van 14 januari 2002 blijkt dat de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht wegens haar lidmaatschap van de PKK. De "warrant of arrest by default" van 21 november 2001 die bij het verzoek is gevoegd houdt het volgende in:

"Act, imputed to the named accused person: Being member of the illegal terrorist organisation PKK".

Het verzoek behelst voorts de vermelding dat ten aanzien van de opgeëiste persoon is vastgesteld dat zij in 1986 in Duitsland deel is gaan uitmaken van de organisatie, dat zij activiteiten heeft uitgevoerd binnen de aan de PKK gelieerde Union of the Free Women of Kurdistan, dat ze een "armed and ideological formation in the camps of the organisation" heeft ontvangen en dat ze vanaf januari 2000 lid is van de presidentiële raad van de PKK. In het verzoek wordt voorts vermeld dat zij op diverse, gespecificeerde, data telefonisch heeft deelgenomen aan televisie-uitzendingen van MEDYA TV, waar zij werd gepresenteerd als lid van de vrouwenpartij van de PKK en als "high level responsible of the PKK". Tijdens de uitzendingen gaf zij onder meer commentaar op de verkiezingen in Iran en de aanslagen van 11 september 2001. Genoemde activiteiten van de opgeëiste persoon zouden vallen onder art. 168 van het Turkse Wetboek van Strafrecht. De Nederlandse vertaling van dit artikel luidt als volgt:

"Een ieder die een gewapende vereniging en groep vormt of van zo'n vereniging of groep de leider is en het commando voert, en een persoonlijke functie bekleedt, maakt zich schuldig aan een misdrijf, zoals omschreven in de artikelen 125, 131, 146, 147, 149 en 156 en wordt veroordeeld tot een zware gevangenisstraf van ten minste vijftien jaar."

17. Naar aanleiding van het uitleveringsverzoek is door het Ministerie van Buitenlandse Zaken bij brief van 4 februari 2002 aan de Turkse autoriteiten nadere informatie gevraagd. De brief houdt onder meer in:

"The offence as now defined in the extradition request cannot be qualified as criminal offences under Dutch law. A clear description of the criminal acts in which [de opgeëiste persoon] herself participated is necessary in order to test compliance with the requirement of double criminality within the meaning of article 2 of the Convention on Extradition."

18. In antwoord op deze brief heeft het Turkse Ministerie van Justitie op 4 maart 2002 een brief gestuurd naar het Nederlandse Ministerie van Justitie. Deze brief houdt onder meer het volgende in:

"According to information received from the Public Prosecutor's Office of Diyarbakir State Security Court, the said accused has assumed the responsibility of training female terrorist in the PKK organization and within this context has provided them with military and political training. Furthermore she has participated in planning and implementation of armed terrorist activities, between 1993-1995 in the rural areas of Sirnak province. Due to the terrorist activities committed by the members of the PKK in Sirnak province and surrounding areas in those years, 93 soldiers, 5 police officers, 17 temporary village guards of the Turkish Security Forces were killed, 123 soldiers, 41 police officers and village guards were injured. In addition, 29 citizens were killed and 15 wounded during these terrorist attacks."

19. Ter terechtzitting van 25 juni 2002 blijkt de rechtbank behoefte te hebben aan nadere informatie. Het proces-verbaal van de zitting houdt in dit verband onder meer het volgende in:

"Voorts zal de rechtbank nadere vragen aan de Turkse autoriteiten formuleren. Die vragen spitsen zich toe op de vraag waarom de uitlevering wordt gevraagd voor lidmaatschap van de PKK. Dit lijkt zich niet te verenigingen met de uitvoeringsfeiten waaraan zij de opgeëiste persoon schuldig achten. Tevens zal nadere informatie dienen te worden gevraagd over de periode van 1993 tot en met 1995 met name om de opgeëiste persoon ten aanzien daarvan in de gelegenheid te stellen een onschuldverweer (bijvoorbeeld alibi-verweer) te voeren."

20. Bij brief van 15 augustus 2002 voldoet het Turkse Ministerie van Justitie aan het verzoek om nadere informatie. De (Nederlandse vertaling van de) brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

(p. 3) "Verdachte heeft zich sinds 1984 op het grondgebied van de Republiek Turkije beziggehouden met gewapende activiteiten, zoals granaten, handgranaten, raketten, mijnen, automatische revolvers en geweren. Ten gevolge van deze activiteiten zijn in ons land dertigduizend mensen om het leven gekomen.()

(p. 4) Verdachte heeft als verantwoordelijke op hoog niveau van de terroristische organisatie PKK deelgenomen aan publicatieprogramma's van de televisiezender MED TV, d.d. 1 september 2000, 26 januari 2001, 18 april 2001, 20 april 2001, 1 juni 2001, 7 juni 2001 en 14 september 2001.()

Op grond van de getuigenverklaringen van de leden van de illegale terroristische partij PKK () is bovendien vast komen te staan dat verdachte [de opgeëiste persoon] zich () bevond in het buitengebied Sirnak van de terroristische organisatie PKK en aldaar de terroristische activiteiten organiseerde en ten uitvoer bracht.

(p. 5) Uit onderzoek van de reeds beschikbare documenten, verricht door de Procureur-Generaal van de Rechtbank voor de Staatsveiligheid te Diyarbakir, met betrekking tot de belangrijke wapenactiviteiten in de jaren 1993-1994-1995, binnen de grenzen van het gebied Sirnak en Batman, aangeduid met de naam Botan, van de leden van de illegale terroristische organisatie PKK, waartoe verdachte mogelijk ook behoorde blijkt dat:

a- ten gevolge van een gewapende aanval op een militaire eenheid, d.d. 13.06.1993, in het dorp Görümlü, in de provincie Sirnak, district Silopi, 6 militairen om het leven kwamen en 13 militairen gewond raakten."

Hierna volgt onder b-z een beschrijving van nog 23 gewapende acties, die naar tijd, plaats en aantallen slachtoffer(s) zijn gespecificeerd.

Voorts:

(p. 14) "Alle activiteiten die verdachte ten laste worden gelegd, zijn in strijd met artikel 168 van het Turkse Wetboek van Strafrecht.() Deze misdrijven zijn: het oprichten van gewapende verenigingen en organisaties, teneinde genoemde misdrijven te plegen; het deelnemen aan deze activiteiten en zodoende bevelen en commando's geven en dergelijke werkzaamheden verrichten."

21. Op 30 augustus 2002 wordt het onderzoek ter terechtzitting hervat. De rechtbank verzoekt de officier van justitie opnieuw een aantal vragen aan de Turkse autoriteiten door te geleiden. Onder die vragen zijn er die gericht zijn op het verkrijgen van inzicht in de persoonlijke deelname van de opgeëiste persoon aan gewapende acties van de PKK.

22. Bij brief van 7 november 2002 wordt de aanvullende informatie door het Turkse Ministerie van Justitie aan het Nederlandse Ministerie van Justitie gezonden. In de brief wordt onder meer het volgende vermeld:

(p. 3) "In de tenlastelegging van de Procureur-Generaal van de Rechtbank voor de Staatsveiligheid te Diyarbakir worden de acties van deze verdachte beoordeeld in het licht van artikel 168/1 van het Turkse Wetboek Van Strafrecht, te weten de leiding hebben over een gewapende organisatie en het commando voeren, en een persoonlijke functie bekleden.()

(p. 15) Verdachte [de opgeëiste persoon] heeft in de jaren 1993-1994-1995 deelgenomen aan gewapende strijden in het grensgebied van de provincie vermeld dat Sirnak en Batman() en het is bekend dat zij die gewapende strijden heeft voorbereid.()

[De opgeëiste persoon] heeft, door middel van het deelnemen aan programma's, welke werden uitgezonden door Med.TV/Medya TV:

(p. 16) Onderwerpen ter sprake gebracht in het kader van de inspanningen van de terroristische organisatie PKK teneinde een politieke partij te worden en zij heeft aandacht geschonken aan de gebeurtenissen die verband houden met deze inspanningen. Tijdens haar redevoeringen wekte zij de indruk dat de terroristische organisatie PKK een politieke partij is die actief is in Turkije en zij ventileerde uitspraken waarmee werd gesuggereerd hoe deze partij onder zeer moeilijke omstandigheden strijd voert en met de gewapende terroristische acties tegen het Turkse leger een gerechtvaardigde oorlog voert."

23. Gelet op de uiteenzetting van de feiten die de opgeëiste persoon worden verweten in het uitleveringsverzoek in samenhang met de aanvullende informatie die door de Turkse autoriteiten is overgelegd en in aanmerking genomen de beperkte toetsing door de uitleveringsrechter van de feitsomschrijving, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk dat de rechtbank kennelijk heeft geoordeeld dat de stukken op dit punt ongenoegzaam zijn. De stukken bevatten een concreet en uitvoerig omschreven verwijt aan de opgeëiste persoon (leiding geven aan/deelneming aan een verboden terroristische organisatie, waarbij dat leiding geven en die deelneming bestaat uit het lid zijn van de presidentiële raad van die organisatie, het deelnemen aan, voorbereiden van en bevelen geven bij gewapende acties door die organisatie, het via de tv propaganda maken voor die organisatie en het militair trainen van vrouwelijke leden van een aan die organisatie gelieerde organisatie), inclusief tijd en plaats van de diverse (deelnemings)handelingen. Gelet op het uit de jurisprudentie naar voren komende minimum waaraan de uiteenzetting van de feiten moet voldoen, is het standpunt van de rechtbank dat in dit geval die uiteenzetting onvoldoende is - als gezegd - onbegrijpelijk. Zie voor een overzicht Swart, o.c., p. 393-397.

24. Blijft het echter bij deze onbegrijpelijkheid? Het komt mij voor dat we hier te maken hebben met een geval waarin de onbegrijpelijkheid van een rechterlijk oordeel zodanig is, dat deze de onjuistheid van een ongeëxpliciteerde, aan dat oordeel ten grondslag liggende rechtsopvatting, nadert. Met andere woorden en toegepast in deze zaak: achter de (on)begrijpelijkheid van het oordeel van de rechtbank in het licht van de uiteengezette feiten ligt de rechtsvraag van de (on)juistheid van de aangelegde maatstaf (wat is het minimum inzake de uiteenzetting der feiten?). Hoe hoger dit minimum wordt gesteld, des te minder ruimte is er om het feitelijk oordeel van ongenoegzaamheid onbegrijpelijk te achten. Aan de motiveringsvraag ligt dus een rechtsvraag ten grondslag. Ik neig er daarom toe om in het oordeel van de rechtbank primair een verkeerde rechtsopvatting te lezen, en subsidiair haar oordeel onbegrijpelijk te achten.

25. De verkeerde rechtsopvatting van de rechtbank omtrent de ongenoegzaamheid van de stukken vloeit ook uit twee andere kwesties voort.

26. De rechtbank heeft aan de Turkse autoriteiten verzocht om het zogenaamde "Curriculum Vitae" van [de opgeëiste persoon] over te leggen, een blijkens de stukken door [de opgeëiste persoon] aan de PKK overhandigd document dat bij een doodgeschoten PKK-lid is aangetroffen. In het kader van de door de uitleveringsrechter te beantwoorden vragen is dit document evenwel niet relevant. Het dient immers slechts ter onderbouwing van de stelling van de Turkse autoriteiten dat de opgeëiste persoon lid was van de PKK en betrokken was bij acties van de PKK. Het EUV vereist evenwel niet dat de verzoekende staat naast de feitsomschrijving ook bewijs verschaft van de juistheid van de daarin vermelde aantijgingen of verdenkingen. Zie Sjöcrona/Orie, o.c., p. 151. De rechtbank verzocht hier dus om meer dan zij rechtens nodig had voor de beoordeling van het uitleveringsverzoek.

27. Voorts heeft de rechtbank aan de Turkse autoriteiten informatie gevraagd over de persoonlijke deelname van de opgeëiste persoon aan de gewapende acties, alsmede over haar strafrechtelijke verantwoordelijkheid daarvoor. Hiermee heeft de rechtbank miskend dat art. 140 Sr geen persoonlijke deelname vereist aan het plegen van de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht. In de uitleveringszaak van 30 mei 1978, NJ 1979, 11 besliste de Hoge Raad ambtshalve dat:

"() de uitlevering mede is gevraagd t.z.v. de verdenking dat req. () een vereniging die tot oogmerk had de vervaardiging en verspreiding van vals geld, heeft "gegrundet und unterhalten";

()

dat het "grunden" alsmede het "unterhalten" van een criminele vereniging naar Duits recht strafbaar is ();

dat zij die een zodanige rechtspersoon "grunden" en "unterhalten" () daarmee blijk geven van een zo nauwe betrokkenheid bij die rechtspersoon, dat kan worden gezegd dat zij daaraan "deelnemen" in de zin van het eerste lid van art. 140 Sr ()."

In het arrest van 18 november 1997, NJ 1998, 225, m.nt. JdH formuleerde de Hoge Raad in rechtsoverweging 5.3:

"Van het aan een organisatie als bedoeld in dat artikel [140 Sr] deelnemen in de zin van die bepaling is slechts dan sprake, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk (HR 29 januari 1991, DD 91 168 en 169)."

De deelnemer moet wel van dat oogmerk weet hebben; vereist is niet wetenschap van concrete misdrijven (HR NJ 1998, 225, r.o. 5.4; zie ook Wedzinga in T&C Sr, 4e, aant. 10 op art. 140). Het met anderen gebruik maken van een telefoon om Opiumwetmisdrijven te begaan en mogelijk te maken is op te vatten als het begaan van het misdrijf van art. 140 Sr, aldus mijn ambtgenoot Machielse, naar wiens conclusie de Hoge Raad in zijn arrest van 20 juni 2000, NJ 2000, 493 verwijst (r.o. 5.2). Naar mijn mening is het tolken tussen leveranciers en afnemers van verdovende middelen eveneens voldoende om toepasselijkheid van art. 140 Sr aan te nemen (conclusie inzake 02660/02 U van 4 maart 2003, LJN AF5428).

De Vries-Leemans zegt het in haar dissertatie (Art. 140 Wetboek van Strafrecht, Een onderzoek naar de strafbaarstelling van deelneming aan misdaadorganisaties, K.U.B., 1995, p. 27) nog anders:

"Het in stand houden van de misdaadorganisatie, het bewerkstelligen dat de organisatie haar misdadig doel kan verwezenlijken wordt reeds als een strafwaardige gedraging aangemerkt, ongeacht of dit bewerkstelligen nu bestaat uit het plegen van een bepaald delict, dan wel uit de voorbereiding ervan. () [Dat leidinggevende personen vaak op de achtergrond blijven] heeft ertoe geleid dat de strafbepaling niet beperkt is tot betrokkenheid bij het plegen van concrete misdrijven. ()

(p. 49) Bij art. 140 Sr gaat het niet om de betrokkenheid bij een bepaald strafbaar feit, maar om de betrokkenheid bij een organisatie."

Het maken van propaganda voor de organisatie wordt in het algemeen als relevante deelneming in de zin van art. 140 Sr gezien (De Vries-Leemans, o.c., p. 72).

28. Uit de door de rechtbank gestelde vraag blijkt een te beperkte opvatting omtrent de reikwijdte van art. 140 Sr. Wellicht is de rechtbank aangaande de eisen die worden gesteld aan een op deelname aan een criminele organisatie gebaseerd uitleveringsverzoek op het verkeerde been gezet door het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat aan de Ambassade van Turkije liet weten dat de feiten in het eerste pakket stukken naar Nederlands recht niet als strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd. Boven, in punt 17, is die brief geciteerd. Daarop is het onder 18 weergegeven antwoord is gekomen.

29. Door aan de Turkse autoriteiten de vraag van de persoonlijke strafrechtelijke aansprakelijkheid van de opgeëiste persoon voor haar aandeel in concrete gewapende acties te stellen heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de genoegzaamheid der stukken op het punt van het lidmaatschap van een criminele organisatie naar Nederlands recht.

30. Het impliciete oordeel van de rechtbank dat de feitsomschrijving in het uitleveringsverzoek en in de aanvullende stukken onvoldoende is om de dubbele strafbaarheid te kunnen vaststellen geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de taak van de uitleveringsrechter. Subsidiair acht ik haar oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

31. Het middel is terecht voorgesteld.

32. Ik sla tot slot even een zijpad in. Deze zaak is politiek geladen, zoals alleen al blijkt uit de inhoud van hetgeen van de zijde van de raadslieden en de opgeëiste persoon bij de verschillende behandelingen van het uitleveringsverzoek naar voren is gebracht. Heeft de rechtbank echter ook een politieke uitspraak gedaan, zoals men uit de misinterpretatie van de uitspraak van de rechtbank door de dagbladen zou kunnen afleiden? Zie bijvoorbeeld NRC Handelsblad, 11 december 2002, waarin onder de kop "PKK-kopstuk mag niet uitgeleverd" onder meer het volgende wordt gesteld over de onderhavige zaak:

"De rechters concluderen dat het lidmaatschap van de Koerdisch-separatistische organisatie PKK in Nederland niet verboden is en dus ook niet strafbaar.() Met de uitspraak komt vast te staan dat lidmaatschap van de presidentiële raad van de PKK geen strafbaar feit is naar Nederlands recht."

Trouw van 11 december 2002 bericht in gelijke zin.

33. Naar mijn mening niet. De vraag of een verzochte uitlevering ontoelaatbaar is wegens het politieke karakter van het strafbare feit of een daarmee samenhangend feit, komt aan de orde nadat de dubbele strafbaarheid is vastgesteld (HR 21 oktober 1986, NJ 1987, 257, r.o. 3.5.1, Kelly, m.nt. AHJS onder nr 258, McFarlane), waaraan de uitleveringsrechter pas kan toekomen, indien de stukken die dubbele strafbaarheid voldoende onderbouwen. Het is niet goed voorstelbaar dat de (uitleverings)rechter het antwoord op de vraag naar de toepasselijkheid van een politiek uitleveringsbeletsel zou willen omzeilen door zich te 'verschuilen' achter de ongenoegzaamheid van de stukken. Juist om eventuele buitenlandse diplomatieke druk te weerstaan is aan de onafhankelijke rechter, en niet aan het Ministerie van Justitie, opgedragen om het mogelijk politieke karakter van het strafbare feit waarvoor de vreemde staat uitlevering vraagt te onderzoeken en om, zo daartoe aanleiding bestaat,(2) de - in het diplomatieke verkeer onplezierige - boodschap te verkopen dat art. 11, eerste lid, Uw, art. 3 EUV of enige soortgelijke bepaling in een ander verdrag, aan uitlevering in de weg staat. Weliswaar valt in het algemeen iets minder terughoudendheid bij de andere staatsmachten waar te nemen in hun reactie op hen onwelgevallige rechterlijke uitspraken, maar dat de rechter daardoor in zijn schulp zou kruipen, en zich daartoe van oneigenlijke gronden zou bedienen, lijkt mij vooralsnog geheel onbewezen, en bij de Amsterdamse rechtbank ook zeer onaannemelijk.

34. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd en dat verzoeker zal worden opgeroepen voor een nader te bepalen zitting van de Hoge Raad teneinde omtrent het verzoek tot haar uitlevering te worden gehoord.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Een locus delicti mag ook worden afgeleid uit de verdere gegevens in de stukken, zoals het rechtsgebied van een gerecht. Vgl. HR 17 februari 1981, NJ 1981, 459.

2 Het is hier niet de plaats om in te gaan op de vraag wanneer van een politiek delict sprake is, noch op de uitzonderingen op het uitleververbod voor politieke delicten.