Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AN9472

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2003
Datum publicatie
08-12-2003
Zaaknummer
C02/259HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AN9472
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

5 december 2003 Eerste Kamer Nr. C02/259HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. E.J. van der Wilk, t e g e n 1. Mr. Marcus Cornelis UDINK, zowel pro se als in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van wijlen [betrokkene 1], kantoorhoudende te 's-Gravenhage, 2. NATRUCO (BONAIRE), gevestigd te Bonaire, Nederlandse Antillen, 3. [Verweerder 3], wonende op [woonplaats], Nederlandse Antillen, VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. R.V. Kist. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 644
JWB 2003/457
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr.: C02/259HR

mr. L. Timmerman

Zitting: 17 oktober 2003

Conclusie inzake:

[Eiseres]

tegen

1. M.C. Udink zowel pro se als q.q(1).

2. Natruco (Bonaire) N.V.

3. [Verweerder 3]

1. Feiten(2) en procesverloop

1.1 De rechtbank te 's-Gravenhage heeft op 23 maart 1983 het faillissement uitgesproken van de destijds in Nederland wonende [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1]) die in 1995 is overleden.

1.2 In 1994 is verweerder in cassatie sub 1, (verder: Udink en/of Udink q.q.) benoemd tot curator in dit faillissement.

1.3 Eiseres tot cassatie (verder: [eiseres]) was de vriendin van [betrokkene 1].

1.4 Udink q.q. heeft in 1996 met toestemming van de rechter-commissaris in het faillissement van [betrokkene 1], conservatoire maatregelen genomen tegen de op de Nederlandse Antillen gevestigde vennootschappen Imova N.V., Cadolife Immovable N.V., Portaniera Properiades N.V., Neola Properties N.V. en Lovimar N.V. (verder: de Antilliaanse vennootschappen).

1.5 Het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen heeft op 27 juni 1996 het faillissement uitgesproken van de Antilliaanse vennootschappen, zulks met benoeming van mr. J.M.R. Statius van Eps te Curaçao als curator. Later werd Udink ook tot curator benoemd.

1.6 Ten tijde van het uitspreken van het faillissement van de Antilliaanse vennootschappen werd de directie over deze vennootschappen gevoerd door verweerster in cassatie sub 2 (verder: Natruco) met als directeur verweerder in cassatie sub 3 (verder: [verweerder 3].).

1.7 [Eiseres] heeft Udink, Natruco en [verweerder 3] (hierna gezamenlijk ook: gedaagden of geïntimeerden) bij exploit van 4 december 1996 gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage. [Eiseres] heeft onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de nadelige gevolgen voor [eiseres] en haar Antilliaanse vennootschappen van de over de vennootschappen uitgesproken faillissementen.(3)

1.8 Voorzover in cassatie van belang heeft [eiseres] tot uitgangspunt van haar vorderingen genomen dat zij aandeelhoudster is van het gehele geplaatste kapitaal van de Antilliaanse vennootschappen.(4) Daartoe heeft [eiseres] kopie van (in het bezit van haar advocaat) zijnde certificaten van aandelen van de Antilliaanse vennootschappen in het geding gebracht. Volgens [eiseres] legitimeert het houderschap van de aandelen [eiseres] als aandeelhoudster jegens de directie van de Antilliaanse vennootschappen.(5)

1.9 Dat uitgangspunt is door gedaagden bestreden. Zij hebben uiteengezet dat de aandelen in 1990 aan [betrokkene 1] toebehoort hebben en hij kon als gevolg van zijn faillissement zijn aandelen niet aan [eiseres] overdragen, zodat [eiseres] niet rechtsgeldig eigenares kan zijn geworden.(6)

1.10 Bij vonnis van 25 augustus 1999 heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen. De rechtbank heeft - samengevat weergegeven en voorzover in cassatie van belang - overwogen dat [betrokkene 1] de toonderaandelen in de Antilliaanse vennootschappen in ieder geval tot zijn beschikking had. [Eiseres] heeft evenwel onvoldoende gesteld omtrent de titel die ten grondslag zou liggen aan de levering aan haar van het toonderbewijs. Zij heeft slechts de feitelijke overdracht genoemd, zonder enige nadere specificatie van het tijdstip en de oorzaak van de levering. De rechtbank heeft aldus geoordeeld dat de bezitsverschaffing zonder geldige titel heeft plaatsgevonden, zodat [eiseres] reeds hierom de eigendom niet kan hebben verworven (rov. 3.5).

1.11 [Eiseres] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Zij heeft grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [betrokkene 1] de aandelen niet rechtsgeldig heeft kunnen overdragen aan [eiseres]. Bij pleidooi heeft [eiseres] gesteld dat [betrokkene 1] voor of in 1980 de betreffende certificaten van aandelen aan [eiseres] overhandigde met de mededeling: "Dit is je pensioen". Deze overdracht vond plaats tenminste drie jaar voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement. Zij kreeg de aandelen als wederprestatie voor haar jarenlange diensten ten behoeve van de onderneming van [betrokkene 1], aldus [eiseres].(7)

1.12 Geïntimeerden hebben de grieven weersproken. Bij pleidooi hebben zij andermaal uiteengezet dat [betrokkene 1] en niet [eiseres] eigenaar van de aandelen was Voorts hebben geïntimeerden betoogd dat de nieuwe stellingen van [eiseres] bij pleidooi in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde.

1.13 Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bij arrest van 28 mei 2002 bekrachtigd. Het hof heeft geoordeeld dat allerminst vaststaat dat [eiseres] de aandelen daadwerkelijk door overdracht van [betrokkene 1] heeft verkregen. Voorts beroept zij zich tevergeefs op het enkele bezit ervan. De vorderingen van [eiseres], die alle zijn gekoppeld aan het door haar gestelde aandeelhouderschap, komen ook in hoger beroep niet voor toewijzing in aanmerking, aldus het hof.

1.14 [Eiseres] heeft tijdig(8) cassatieberoep ingesteld. Udink, Natruco (Bonaire) N.V. en [verweerder 3] hebben geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Zij hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Middel 1 is gericht tegen rechtsoverweging 3.2 van het bestreden arrest. Het hof heeft aldaar het volgende overwogen:

"[Eiseres] heeft de bewijzen van de (toonder)aandelen in het kapitaal van de Antilliaanse vennootschappen in haar bezit en beroept zich voor het door haar gestelde aandeelhouderschap op de legitimerende werking van dit bezit. Volgens haar heeft zij de aandelen gekregen van de eind 1995 overleden [betrokkene 1] met wie zij bevriend was. Over het tijdstip van deze overdracht is [eiseres] echter, herhaalde verzoeken om opheldering ten spijt, weinig concreet en bovendien inconsistent; vergelijk de bewering dat de overdracht vóór of in 1980 plaatsvond met haar stelling onder punt 73 van de conclusie van repliek dat zij bij de verkrijging van de aandelen te goeder trouw was omdat zij de Düsseldorfse afspraak" kende, terwijl die afspraak - volgens haar inhoudende dat bij medewerking van [betrokkene 1] aan de afwikkeling van het faillissement diens buitenlandse bezittingen ongemoeid zouden worden gelaten - van 1987 dateerde."

2.2 Het middel klaagt in de eerste plaats dat hof heeft verzuimd om essentiële stellingen van [eiseres] omtrent de datum van de verkrijging van de aandelen te behandelen. Het verwijst naar de pleitnota in appèl van 10 april 2001 waarin [eiseres] heeft gesteld: "Voor of in 1980 overhandigde de heer [betrokkene 1] de betreffende certificaten van aandelen met de mededeling: "Dit is je pensioen".

De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan het middel veronderstelt heeft het hof niet verzuimd de aangehaalde stelling in zijn oordeel te betrekken. Het hof heeft geoordeeld dat de stellingen van [eiseres] omtrent het tijdstip van verkrijging weinig concreet zijn en dat oordeel geldt tevens voor de aangehaalde stelling van [eiseres].

2.3 Middel 1 klaagt voorts dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van [eiseres] omtrent het tijdstip en de reden van de verkrijging van de aandelen heeft gepasseerd. Ook deze klacht faalt. Het hof mocht het bewijsaanbod passeren op de grond dat [eiseres] te weinig had gesteld (rov. 4)(9).

2.4 Middel 2 richt allereerst een klacht tegen de hiervoor geciteerde rechtsoverweging 3.2. Volgens de klacht is deze overweging vanaf "vergelijk" tot en met "dateerde." onbegrijpelijk in het licht van het feit dat punt 73 van de conclusie van repliek geen betrekking heeft op het tijdstip van de verkrijging van de aandelen door [eiseres], maar betrekking heeft op het feit dat [eiseres] achteraf gezien, door de curator niet als verkrijgster te kwader trouw zou kunnen aangemerkt.

2.5 De klacht faalt. Het is geenszins onbegrijpelijk dat het hof uit hetgeen [eiseres] in punt 73 van de conclusie van repliek opmerkt, heeft afgeleid dat zij zich op het standpunt stelde dat zij de aandelen na het totstandkomen van de Düsseldorfse afspraak heeft verkregen.

2.6 Het middel klaagt voorts dat de aangevallen overweging onbegrijpelijk is omdat de datum van de Düsseldorfse afspraak geenszins vaststaat. Ook deze klacht faalt nu [eiseres] in haar memorie van grieven zelf heeft aangegeven dat de Düsseldorfse afspraak heeft plaatsgevonden is 1987. Bij die stelling heeft het hof zich kennelijk en niet onbegrijpelijk aangesloten.

2.7 Het middel richt vervolgens een klacht tegen rechtsoverweging 3.3 van het arrest. Deze overweging luidt als volgt:

"Vast staat dat [eiseres] zich eerst in de loop van 1996, derhalve geruime tijd na het overlijden van [betrokkene 1], als aandeelhoudster heeft gepresenteerd. Het door [eiseres] ter zake van deze late bekendmaking in hoger beroep ingenomen standpunt, inhoudende dat het voor Natruco en [verweerder 3], die alleen [betrokkene 1] als aandeelhouder kenden niet van belang was om te weten wie de aandelen hield, laat zich slecht rijmen met haar eerdere stelling, bij inleidende dagvaarding, dat de trustverhouding waarbinnen Natruco/[verweerder 3] de directie voerde over de Antilliaanse vennootschappen meebracht dat de directie niet dan raadpleging van haar principalen - waarmee zij kennelijk zichzelf als aandeelhoudster bedoelt - rechtshandelingen verrichtte ten name van de aan haar toevertrouwde vennootschappen, hetgeen tenminste bekendheid met de identiteit van de aandeelhouder veronderstelt."

Volgens het middel kan deze overweging niet dragend zijn voor een antwoord op de ten processe voorliggende vraag of [eiseres] de aandelen daadwerkelijk door overdracht heeft verkregen, omdat ter beantwoording van die vraag de wetenschap van Natruco/[verweerder 3] omtrent de identiteit van de aandeelhouder er niet toe kan doen, reeds omdat de aandelen aan toonder waren. Voorts bevat het middel een motiveringsklacht.

2.8 De klachten voldoen niet aan de eisen van artikel 407 lid 2 Rv. omdat het niet aangeeft waarom de overweging "niet dragend" of onbegrijpelijk is. De stelling "reeds omdat de aandelen aan toonder waren", is onvoldoende specifiek.(10)

2.9 De volgende klachten van het middel zijn gericht tegen rechtsoverweging 3.4 waarin het hof het volgende heeft overwogen:

"Daarnaast is er het gegeven dat de aandelen nog in mei 1990 aan [betrokkene 1] zijn teruggegeven door de Societé Fiduciaire Fides.

Aan de stelling van [eiseres] bij pleidooi in hoger beroep dat [betrokkene 1] na 1983 als haar gemachtigde is opgetreden, wordt voorbij gegaan nu, mede in het licht van de hiervoor bedoelde opmerking van [eiseres] over de trustverhouding, een voldoende onderbouwing hiervoor ontbreekt. Bovendien is ter zake geen bewijs aangeboden."

2.10 Het middel voert aan dat deze rechtsoverweging onbegrijpelijk is ten eerste omdat rov. 3.3, waar het hof zich in rov. 3.4 mede op baseert, niet dragend kan zijn voor het antwoord op de vraag of [eiseres] de aandelen door overdracht van [betrokkene 1] kan hebben verkregen.

De klachten tegen rov. 3.4 falen voorzover die van de veronderstelling uitgaan dat rov. 3.3 "niet dragend" is. Die veronderstelling is blijkens de bespreking van de klachten tegen rov. 3.3 immers ten onrechte.

2.11 In de tweede plaats klaagt het middel dat rov. 3.4 onbegrijpelijk is omdat het Hof nalaat inzichtelijk te maken waarom het van oordeel is dat een voldoende onderbouwing ontbreekt voor de stelling dat [betrokkene 1] na 1983 als gemachtigde van [eiseres] is opgestreden.

Deze klacht faalt op de grond dat het hof niet tot een nadere motivering gehouden was, nu [eiseres] bij pleitnota van 10 april 1999 (blz. 3) niet meer heeft gedaan dan de stelling poneren dàt [betrokkene 1] als gemachtigde van [eiseres] optrad(11).

2.12 Het middel bevat ten slotte een klacht tegen rov. 3.5 die luidt als volgt:

"Tot slot verdient in dit verband opmerking dat in het organogram, waarnaar de advocaat van [eiseres] in eerdere correspondentie verwijst (vgl. de brieven van 6 en 15 februari 1996 aan mr. Jol en mr. Udink, prod. 2 bij cvr), Flor del Alba S.A. als moedermaatschappij van de Antilliaanse vennootschappen staat vermeld en in ieder geval niet [eiseres]."

Het middel klaagt dat deze overweging niet dragend kan zijn voor zijn oordeel dat allerminst vaststaat dat [eiseres] de aandelen door overdracht van [betrokkene 1] heeft verkregen. De klacht wijst daarbij op de stellingen van [eiseres], zoals in par. 7 bij repliek bij pleidooi ter zitting van 21 juni 2001 ontvouwd.

De klacht faalt bij gebrek aan belang omdat rechtsoverweging 3.5 geen zelfstandig dragende overweging is (zie de woorden "Tot slot verdient in dit verband opmerking"). Zo dit anders zou zijn faalt de klacht op de grond dat zij miskent dat de rechter niet gehouden is op alle stellingen van partijen te responderen; het hof heeft voldoende inzicht gegeven in de aan haar beslissing ten grondslag liggende gedachtegang.(12)

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De cassatiedagvaarding vermeldt niet expliciet dat mr. Udink zowel pro se als in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1] wordt gedagvaard, terwijl het bestreden arrest tegen beiden is gewezen. Nu mr. Udink zowel pro se als q.q. heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, wordt in het navolgende ervan uitgegaan dat mr. Udink in beide "hoedanigheden" in cassatie betrokken is.

2 Zie rov. 1 van het vonnis van 25 augustus 1999 van de rechtbank te 's-Gravenhage. Het hof heeft in rov. 2 van zijn bestreden arrest naar de feitenvaststelling van de rechtbank verwezen.

3 Zie voor een volledige weergave van de vordering rov. 2.1 van het vonnis van de rechtbank.

4 Dagv. nr. 1.

5 CvR, nr.3.

6 CvA, nrs. 7 en 8; CvD, nr. 3.

7 Pleitnota d.d. 10 april 2001, blz. 2.

8 De cassatiedagvaarding is op 27 augustus 2002 uitgebracht.

9 Vgl. HR 8 juli 1992, NJ 1992, 713. Zie voorts Snijders/Ynzonides/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, nr. 208.

10 Vgl. HR 15 februari 1985, NJ 1985, 467, HR 10 september 1999, NJ 1999, 795 en HR 6 april 2001, JOL 2001, 233. Zie hierover onder meer: W.D.H. Asser, civiele cassatie, 2003, blz. 80.

11 Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, 1989, nr. 122.

12 Vgl. HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 7.