Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AN8261

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-12-2003
Datum publicatie
16-12-2003
Zaaknummer
02043/03 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AN8261
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolgingsuitlevering aan België. Indien de rechter de stukken ongenoegzaam acht en de uitlevering ontoelaatbaar verklaart: (i) mogen die stukken in aanmerking worden genomen bij een nieuw verzoek tot uitlevering; (ii) mag de opgeëiste persoon er niet in redelijkheid op vertrouwen dat hij niet zal worden uitgeleverd naar aanleiding van een nieuw verzoek ter zake van hetzelfde feit.

Wetsverwijzingen
Uitleveringswet 33, geldigheid: 2003-12-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 02043/03U

Mr Machielse

Zitting 11 november 2003 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verzoeker=de opgeëiste persoon]

1. De rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 16 april 2003 de uitlevering ter vervolging van verzoeker aan België toelaatbaar verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr J.F.C. Schnitzler, advocaat te Eersel, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3.1 Alvorens op de middelen in te gaan, schets ik kort de gang van zaken rond het uitleveringsverzoek. Een eerste verzoek tot uitlevering van verzoeker werd gedaan op 18 december 2001. Hierbij werd een aanhoudingsbevel van 4 juli 2000 overgelegd met een bijbehorende uiteenzetting van de feiten. De rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft de behandeling op 6 maart 2002 aangehouden ter aanvulling van het verzoek met onder meer nadere gegevens omtrent de plaats en tijd van de verweten gedragingen. Hiertoe is door het ministerie van Justitie op 14 maart 2002 en 30 juli 2002 een verzoek ingediend bij de Belgische minister van Justitie. Ter zitting van 28 augustus 2002 heeft de rechtbank de behandeling hervat. Daar bleek dat de gevraagde informatie ter precisering van de beschuldiging niet door de Belgische autoriteiten was verschaft. Voor de rechtbank was dit reden het uitleveringsverzoek bij uitspraak van 11 september 2002 ontoelaatbaar te verklaren. De minister van Justitie heeft de uitlevering in navolging van de rechtbank bij beschikking van 10 oktober 2002 geweigerd.

3.2 Op 14 november 2002 heeft de Belgische minister van Justitie opnieuw een verzoek tot uitlevering van verzoeker ingediend. Bij dit verzoek is gevoegd een schrijven van de onderzoeksrechter J. Burm van 24 oktober 2002, dat een nadere omschrijving van de verweten gedragingen bevat. Tevens is daarbij een proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte] van 9 mei 2000 overgelegd. In dit tweede verzoek wordt verwezen naar het verzoek van 18 december 2001 en wordt vermeld dat de bij en naar aanleiding van dat verzoek overgelegde stukken tevens dienen als basis voor het nieuwe verzoek.

4.1 Het eerste middel bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de stukken waarop het uitleveringsverzoek berust ongenoegzaam zijn. In cassatie wordt opnieuw het door de rechtbank verworpen standpunt ingenomen dat voldoende nauwkeurige aanduidingen van plaats en tijd van de verweten gedragingen in het uitleveringsverzoek ontbreken, althans dat de vermelde aanduiding niet kan worden afgeleid uit het bij het verzoek gevoegde proces-verbaal van verhoor van een medeverdachte van verzoeker.

4.2 Het middel stelt dat bij de beoordeling van de genoegzaamheid van de stukken alleen acht kan worden geslagen op de bij het tweede verzoek overgelegde stukken, omdat ten aanzien van de bij het eerdere verzoek overgelegde stukken door de rechtbank reeds is vastgesteld dat die niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen van nauwkeurigheid van aanduiding van plaats en tijd van de verweten gedragingen.

4.3 Nu uit het uitleveringsverzoek van 14 november 2002 blijkt dat dit mede is gestoeld op de eerder ter uitlevering van verzoeker overgelegde gegevens, geldt dat voor de beantwoording van de vraag of dit verzoek aan de bedoelde eisen voldoet ook die eerder overgelegde stukken in aanmerking moeten worden genomen. De in het middel ingenomen stelling vindt geen steun in het recht.

4.4 In dit geval blijkt uit het aanhoudingsmandaat van 4 juli 2000 dat verzoeker wordt verdacht van betrokkenheid bij het vervaardigen en in omloop brengen van valse fiscale zegels en bankbiljetten. Uit de brief met aanvullende informatie van de onderzoeksrechter J. Burm van 24 oktober 2002 blijkt dat verzoeker wordt verweten dat hij zelf betrokken was bij de fabricage van de valse zegels en biljetten. Hij zou de zegels in de maanden juli en augustus 1998 te Eindhoven aan zijn handlanger [medeverdachte] hebben afgegeven. Verder zou hij in de eerste drie maanden van het jaar 2000 valse biljetten met een waarde van 3.000.000 Belgische frank hebben verkocht op het Falconplein te Antwerpen.

4.5 Voor wat betreft de vermelding van tijd en plaats van de feiten moet in ogenschouw worden genomen dat deze zo nauwkeurig mogelijk dient te zijn, waarbij in geval van een vervolgingsuitlevering zoals hier rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de verweten feiten slechts bij benadering kunnen worden omschreven(1). In dit licht moet ook de uitlating van de onderzoeksrechter J. Burm worden gezien dat er weinig concrete gegevens over plaats en tijd van de verweten gedraging voorhanden zijn. Hiervan uitgaande geeft het oordeel van de rechtbank dat de hiervoor weergegeven omschrijving van de feiten voldoende nauwkeurig is, geen blijk van een onjuiste opvatting van het bepaalde in art. 11 lid 2 letter b BUV. Tot een nadere motivering van dit oordeel was de rechtbank niet gehouden. De klacht faalt.

4.6 Het middel klaagt er nog over dat de plaats- en tijdaanduiding van de beschuldiging inzake de valse fiscale zegels geen steun vindt in het bij de brief van 24 oktober 2002 overgelegde proces-verbaal van verhoor van 9 mei 2000. Deze klacht is kennelijk gebaseerd op de opvatting dat het uitleveringsverzoek ook het bewijsmateriaal moet bevatten waarop de in artikel 11 lid 2 letter b BUV bedoelde aanduiding van plaats en tijd van de verweten gedraging is gebaseerd. Deze opvatting is echter onjuist(2). Ook deze klacht faalt.

4.7 Het middel faalt.

5.1 Het tweede middel komt op tegen de verwerping door de rechtbank van het namens verzoeker gevoerde verweer dat het vertrouwensbeginsel aan toelaatbaarverklaring van het uitleveringsverzoek in de weg stond. De rechtbank heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Ter zitting heeft de raadsman primair aangevoerd - kort gezegd - dat het vertrouwensbeginsel zich verzet tegen de gevraagde uitlevering. Volgens de raadsman heeft zijn cliënt door het verloop van de eerste uitleveringsprocedure er op mogen vertrouwen dat zijn uitlevering definitief ontoelaatbaar zou worden geoordeeld, nu de minister zijn uitlevering heeft geweigerd, terwijl hij geen gebruik heeft gemaakt van de hem in artikel 33 lid 3 Uitleveringswet geboden mogelijkheid. De beslissing door de rechtbank en de minister kan niet worden omzeild door een hernieuwd verzoek om uitlevering.

De rechtbank begrijpt het verweer als volgt. Na de ontoelaatbaarverklaring op grond van de ongenoegzaamheid van de stukken op het eerdere uitleveringsverzoek door deze rechtbank heeft de minister van justitie geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid omschreven in artikel 33, tweede (AM, lees; derde) lid van de Uitleveringswet en heeft hij het verzoek om uitlevering van de opgeëiste persoon afgewezen. Het standpunt van de opgeëiste persoon komt hierop neer dat hij op grond van die beslissing geen rekening meer hoefde te houden met een mogelijk hernieuwd verzoek tot uitlevering. Voor zover dit verweer uitgaat van het beginsel "ne bis in idem bij in gewijsde gegane uitspraken terzake uitlevering", wijst de rechtbank het verweer af, nu deze geen steun vindt in het recht. Voor zover het verweer betrekking heeft op het opgewekt vertrouwen door de beslissing van de minister van justitie, is een oordeel daarop voorbehouden aan genoemde minister. De slotsom is dat dit verweer niet kan leiden tot het oordeel dat de uitlevering ontoelaatbaar is."

5.2 Het middel herhaalt het voor de rechtbank gevoerde verweer en voert aan dat het oordeel van de rechtbank onjuist is voor zover het inhoudt dat het aan de minister is voorbehouden te oordelen over de vraag of door zijn beslissing al dan niet vertrouwen is gewekt en wat hiervan de gevolgen behoren te zijn.

5.3 Het antwoord op de in het middel gestelde vraag of de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het aan de minister is voorbehouden om te beoordelen of zijn eerdere beslissing het gestelde vertrouwen heeft gewekt is niet van belang, omdat ook een bevestigend antwoord niet het door verzoeker beoogde effect zou hebben. Uit het arrest HR 11 februari 2003, NJ 2003, 540, volgt immers dat vertrouwen gewekt door in de uitleveringsprocedure betrokken instanties ten aanzien van de afloop van die procedure rechtens geen afbreuk doet aan de behandeling van de zaak.(3) Het vertrouwen dat de verzoekende staat mag hebben in een juiste afhandeling van zijn verzoek legt meer gewicht in de schaal dan het belang dat een opgeëiste persoon vertrouwen moet kunnen stellen in wat hem door de genoemde instanties wordt meegedeeld. De slotsom van de rechtbank, dat het verweer niet tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering kan leiden, is dus juist. Het middel faalt.

6.1 Het derde middel betreft de verwerping door de rechtbank van het verweer dat sprake is van een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM. Dit verweer en het middel houden in dat de gerechtvaardigde vrees bestaat dat verzoeker in België geen fair trial te wachten staat. Ter ondersteuning hiervan wordt aangevoerd dat de Belgische autoriteiten enerzijds koste wat het kost de uitlevering van verzoeker willen bewerkstelligen en zij anderzijds niet in staat of bereid zijn de verdenking te onderbouwen, zelfs niet als daar door de Nederlandse rechter en autoriteiten uitdrukkelijk om wordt gevraagd.

6.2 Verweer en middel zien allereerst over het hoofd dat de Belgische autoriteiten hun verdenkingen tegen verzoeker inmiddels juist wel hebben onderbouwd. Verder verduidelijken zij niet welke schending van art. 6 EVRM nu precies valt te vrezen. Ook als de Belgische autoriteiten koste wat kost de uitlevering van de opgeëiste persoon gerealiseerd willen zien wil dat nog niet zeggen dat dús een inbreuk op het beginsel van fair trial is te vrezen. Daaraan doet niet af dat de Belgische autoriteiten hebben getalmd met het toezenden van de gevraagde inlichtingen. Welke gang van zaken de opgeëiste persoon daaruit in België kan bevroeden is mij niet duidelijk kunnen worden. De rechtbank heeft dus geheel terecht geoordeeld dat de aangevoerde gronden niet van dien aard zijn dat geen sprake meer zou zijn van een eerlijke berechting en dat ook niet blijkt van een zodanig risico van een flagrante schending van art. 6 EVRM dat dit aan de uitleveringsverplichting in de weg zou staan. Door of namens de opgeëiste persoon is evenmin aangevoerd en door de rechtbank is ook niet vastgesteld dat volgens het recht van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon zich na uitlevering niet met vrucht zal kunnen beroepen op een jegens hem gemaakte inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM dan wel aan een geslaagd beroep niet alsnog zodanige rechtsgevolgen kunnen worden verbonden dat een inbreuk voldoende wordt gecompenseerd.(4) Tot een nadere motivering van haar oordeel was de rechtbank niet gehouden. De klacht faalt.

6.3 Het middel klaagt verder dat niet duidelijk is of aan de Belgische autoriteiten wel een universele bevoegdheid tot vervolging toekomt van een vreemdeling die zich buiten België schuldig maakt aan strafbare feiten. Hiermee bedoelt het middel kennelijk het oordeel van de rechtbank dat België die bevoegdheid inderdaad heeft voor de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht te bestrijden.

6.4 De rechtbank heeft, hoewel het daartoe gelet op het gevoerde verweer niet was gehouden(5), het verweer van verzoeker dat België geen rechtsmacht zou hebben voor zover de feiten in Nederland zijn gepleegd gemotiveerd verworpen. Tegen dit oordeel komt het middel op met de klacht dat in België een wetswijziging op stapel staat die deze bevoegdheid in ieder geval voor de toekomst wegneemt. Deze klacht faalt reeds op de grond dat deze stelling voor de rechtbank niet is ingenomen. In cassatie is dit tardief.

6.5 De klacht, tot slot, dat de bij het uitleveringsverzoek overgelegde stukken geen aanwijzingen bevatten voor de beschuldiging dat in de eerste drie maanden van 2000 in Antwerpen is geweest, faalt eveneens. Ook deze klacht gaat er ten onrechte van uit dat het uitleveringsverzoek bewijsmateriaal voor de verweten gedragingen moet bevatten (vgl. onderdeel 4.6 hierboven).

7. De middelen zijn tevergeefs voorgesteld en kunnen met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

8.1 Ambtshalve wijs ik nog op het volgende. De beslissing van de rechtbank luidt:

"De rechtbank verklaart toelaatbaar de uitlevering op het hiervoor onder 1 genoemde verzoek van de Belgische autoriteiten ter fine van vervolging van de opgeëiste persoon ()."

Onderdeel 1 van de bestreden uitspraak luidt:

"De uitlevering van [de opgeëiste persoon] voornoemd is verzocht middels authentiek verzoek (nr. 6/5320/5/34.564/E) van de Minister van Justitie te Brussel van 14 november 2002."

Deze brief bevat het formele uitleveringsverzoek zelf maar niet de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.

8.2 De uitspraak in een uitleveringszaak moet duidelijk omschrijven ter zake van welke feiten de uitlevering toelaatbaar wordt verklaard. Dat kan geschieden door in de uitspraak een door de rechter opgestelde omschrijving van die feiten op te nemen(6) of door te verwijzen naar het overgelegde stuk waarin een uiteenzetting van de feiten is te vinden, mits daarbij ieder misverstand wordt uitgesloten(7). Aan die eis voldoet de uitspraak van de rechtbank niet, nu het stuk waarnaar in de beslissing wordt verwezen geen omschrijving van de feiten bevat.

8.3 De Hoge Raad kan deze misslag herstellen door de uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de feiten omschreven in de bij het internationaal aanhoudingsmandaat van 4 juli 2000 gevoegde uiteenzetting van de feiten zoals aangevuld bij brief van de onderzoeksrechter J. Burm van 24 oktober 2002.

9. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, doch uitsluitend voor zover daarbij is verzuimd de feiten te vermelden waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, dat de Hoge Raad, doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal handelen zoals hiervoor onder 8.3 beschreven, en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 29 mei 1984, NJ 1985, 107, en HR 2 februari 1988, NJ 1989, 757, m.nt. AHJS

2 Zie Keijzer in Handboek Strafzaken 91.5.7 en HR 11 juli 2000, NJ 2000, 524.

3 Zie ook HR 5 september 2000, NJB 2000, p. 1722, nr. 121; HR 7 oktober 2003, nr. 01427/03/U.

4 HR 11 maart 2003, nr. 02416/02/U

5 Volgens vaste rechtspraak komt aan de uitleveringsrechter geen oordeel toe over de rechtsmacht van de verzoekende Staat met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering als feiten en omstandigheden worden aangevoerd waaruit een ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de verzoekende Staat ter zake van het feit geen rechtsmacht toekomt. Als zo'n omstandigheid geldt niet het enkele gegeven dat de verweten gedraging in Nederland heeft plaatsgevonden. Zie o.m. HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 134 en HR 8 december 1998, NJB 1999, blz.135, nr. 12.

6 Vgl. HR 1 september 1987, NJ 1988, 262.

7 Zie Keijzer in Handboek Strafzaken 91.10.1 en HR 28 maart 2000, NJ 2000, 491.