Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AN8255

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
01480/03
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AN8255
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Toepassing art. 279 Sv. Direct na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is dat op verzoek van de gemachtigde raadsman ex art. 278 lid 4 Sv geschorst. Het hof is gelet op art. 280 lid 1 Sv noch toegekomen aan de vraag of de zaak bij verstek kon worden behandeld noch of het hof kon instemmen met verdediging door de raadsman. Hierop kon pas op de vervolgzitting worden beslist. Nu daar verdachte noch gemachtigde raadsman verscheen, is 's hofs oordeel dat verstek moest worden verleend juist.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 278
Wetboek van Strafvordering 278
Wetboek van Strafvordering 279
Wetboek van Strafvordering 279
Wetboek van Strafvordering 280
Wetboek van Strafvordering 280
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 706
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01480/03

Mr. Vellinga

Zitting: 11 november 2003

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens wederspannigheid veroordeeld tot een geldboete van € 225 subsidiair vier dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

2. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het beroep in cassatie vindt zijn aanleiding in de volgende gang van zaken. Verdachte was in persoon gedagvaard tegen de terechtzitting van 1 oktober 2002. Hij verscheen niet. Wel verscheen zijn raadsman, die verklaarde door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. Nog voor de zaak was voorgedragen verzocht verdachtes raadsman de behandeling van de zaak aan te houden. Verdachte was vanwege de gevolgen van een ongeval niet in staat de zitting bij te wonen maar wilde de behandeling van de zaak zelf wel bijwonen. Het Hof wees het verzoek toe en bepaalde dat het onderzoek ter terechtzitting werd geschorst tot de terechtzitting van 31 januari 2003 te 9.20 uur. Op die zitting, waarvan verdachte mededeling was gedaan bij niet in persoon betekende oproeping, verscheen wederom verdachte niet en zijn raadsman wel. Nu verklaarde verdachtes raadsman dat hij voor deze zitting niet uitdrukkelijk tot verdediging van verdachte gemachtigd was. Het Hof ving de behandeling van de zaak opnieuw aan wegens gewijzigde samenstelling van het Hof. Verdachtes raadsman deed opnieuw een verzoek tot aanhouding doch dit werd door het Hof afgewezen. Het Hof behandelde vervolgens de zaak en deed uitspraak bij arrest van 14 februari 2003. In het hoofd van dit arrest staat vermeld "verstek".

4. Die vermelding was naar ik uit de toelichting op de middelen begrijp de aanleiding voor het beroep in cassatie. De Advocaat-Generaal bij het Hof stelt zich namelijk op het standpunt dat de behandeling ter terechtzitting van 1 oktober 2002 geldt als behandeling op tegenspraak, omdat deze geschiedde in tegenwoordigheid van een gemachtigd raadsman. Nu de behandeling op tegenspraak was aangevangen bleef deze op tegenspraak en eindigde voor verdachte in de visie van de steller van het middel de termijn voor het instellen van cassatie veertien dagen na uitspraak (art. 432, eerste lid onder b, Sv) en niet veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting verdachte tevoren bekend was (art. 432, eerste lid onder c, Sv) dan wel dat hij van het arrest op de hoogte is geraakt (art. 432, tweede lid, Sv).

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 januari 2003 vermeldt niet dat verstek tegen verdachte is verleend. Daarom grijpen de middelen aan op hetgeen het Hof in zijn arrest overweegt over het onderzoek van de zaak:

"Bij de beraadslaging heeft het hof het navolgende vastgesteld. Ter terechtzitting van 1 oktober 2002 is, blijkens het proces-verbaal van die zitting, de verdachte zelf niet verschenen, maar wel diens raadsman, die verklaarde door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. Er mag derhalve van worden uitgegaan dat verdachte kennis heeft genomen van de dagvaarding in hoger beroep tegen die zitting. Op verzoek van de verdediging heeft het hof terstond het onderzoek geschorst voor bepaalde tijd, voordat enige inhoudelijke behandeling van de zaak had plaats gevonden, en wel tot de terechtzitting van 31 januari 2003. Op laatst genoemde zitting is verdachte andermaal niet verschenen, terwijl de wel verschenen raadsman blijkens zijn verklaring toen niet meer beschikte over een volmacht om de verdediging te voeren. Formeel kan de eenmaal op tegenspraak aangevangen behandeling ter terechtzitting als zodanig op een later tijdstip worden voortgezet en behoeft geen beslissing op het verstek te worden gegeven. Het onderzoek ter terechtzitting van 1 oktober 2002 is echter zonder inhoudelijke behandeling geschorst om verdachte in de gelegenheid te stellen bij de behandeling van zijn zaak zelf aanwezig te zijn, waarbij het hof bevel heeft gegeven om verdachte op te roepen tegen de terechtzitting van 31 januari 2003. Ter terechtzitting van 31 januari 2003 heeft het hof onderzocht of de oproeping van verdachte tegen die terechtzitting op juiste wijze aan hem is betekend. Uit dit onderzoek is het hof gebleken dat de oproeping op geldige wijze aan verdachte is betekend, zodat verondersteld mag worden dat hij tijdig kennis heeft kunnen nemen van de (verdere) behandeling van zijn zaak in hoger beroep.

Gelet op het voorgaande kon door het hof niet worden ingestemd met het voeren van de verdediging door een gemachtigde raadsman op de voet van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering op de terechtzitting van 31 januari 2003. De wet voorziet niet uitdrukkelijk in een geval als het onderhavige, waarin bij de eerste terechtzitting de raadsman wel gemachtigd, is maar bij de nadere terechtzitting niet. In het licht van de geschiedenis en de strekking van de regeling van art. 279 het Wetboek van Strafvordering en tegen de achtergrond van de mogelijkheid voor verdachte om cassatie in te stellen, moet naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat alsnog verstek tegen verdachte zal moeten worden verleend. Het hof heeft verzuimd om bij de aanvang van de terechtzitting op 31 januari 2003 deze beslissing te nemen. Het hof zal deze beslissing alsnog nemen. De verdachte is door deze gang van zaken niet in zijn verdediging geschaad. "

6. Het eerste middel houdt in dat het Hof art. 270 Sv heeft geschonden omdat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft beslist dat, aangezien de zaak ter terechtzitting van 1 oktober 2002 niet inhoudelijk was behandeld, ter terechtzitting van 31 januari 2003 verstek moest worden verleend hoewel - zo begrijp ik het middel - de voorzitter het onderzoek al had doen aanvangen door het doen uitroepen van de zaak.

7. Het tweede middel klaagt dat het Hof art. 279 Sv heeft geschonden door ter terechtzitting van 31 januari 2003 verstek te verlenen niettegenstaande het feit dat ter terechtzitting van 1 oktober 2002 een door verdachte uitdrukkelijk tot het voeren van zijn verdediging gemachtigde raadsman was verschenen.

8. De middelen roepen de vraag op of het Hof op goede gronden verstek heeft verleend en lenen zich aldus voor gezamenlijke behandeling.

9. Alvorens deze vraag te bespreken rijst de vraag wat in de onderhavige zaak het belang is van de steller van de middelen bij het cassatieberoep. De oproeping voor de nadere terechtzitting is immers niet in persoon aan de verdachte betekend, dus moet het cassatieberoep naar luid van het bepaalde in art. 432 tweede lid Sv worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. Voor zover uit de stukken valt op te maken doen zich namelijk de gevallen van art. 432, eerste lid, Sv niet voor.

10. Mogelijk huldigt de steller van het middel naar analogie van HR 8 januari 2002, NJ 2002, 339 het standpunt dat nu de aanzegging voor de nadere terechtzitting is gedaan aan een gemachtigd raadsman, daarin een omstandigheid is gelegen waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte te voren bekend was. Daar valt wel wat voor te zeggen omdat het in die redenering zowel in het onderhavige geval als in het geval van laatstgenoemd arrest gaat om het toerekenen van de wetenschap van verdachtes raadsman aan de verdachte. Daar staat tegenover dat in het onderhavige geval uit de mededeling van verdachtes raadsman ter nadere terechtzitting kan worden opgemaakt dat verdachte van die nadere terechtzitting niet op de hoogte was. Bovendien verschilt de onderhavige situatie van die waarin uit het verschijnen van de gemachtigd raadsman wordt afgeleid dat verdachte van de terechtzitting op de hoogte is, op twee punten. In het onderhavige geval heeft verdachte de raadsman niet gemachtigd toen de dag van de nadere terechtzitting bekend was terwijl doorgaans een machtiging, afgegeven vóór de eerste terechtzitting, gelet op de gevolgen daarvan voor de appeltermijn(1) pas zal worden afgegeven c.q. aanvaard als de dag van de terechtzitting aan verdachte en zijn raadsman bekend is. Voor de veronderstelling dat als de raadsman van de nadere terechtzitting op de hoogte is verdachte dat ook wel zal zijn, is dus minder grond dan in geval een machtiging is gegeven toen de dag van de terechtzitting bekend was. Daar komt in het onderhavige geval nog bij dat de raadsman - anders dan in HR 8 januari 2002, NJ 2002, 339 - op de nadere terechtzitting verklaart dat hij niet (meer) gemachtigd is verdachte te verdedigen. Het heeft er daarom meer van dat de steller van het middel de regel, geformuleerd in HR 11 februari 2003, NJ 2003, 390, m.nt. Sch, rov. 3.3 aan de middelen ten grondslag heeft gelegd, kort gezegd: verklaart een raadsman door een verdachte te zijn gemachtigd tot diens verdediging en stemt de rechter met een behandeling buiten tegenwoordigheid van verdachte in, dan geldt de behandeling als een procedure op tegenspraak, hetgeen meebrengt dat het instellen van een rechtsmiddel dient te geschieden binnen veertien dagen na de einduitspraak. Liet HR 8 januari 2002, NJ 2002, 339 nog de mogelijkheid open van wat ik maar zal noemen tegenbewijs tegen de op het gemachtigd zijn van de raadsman gebaseerde veronderstelling dat verdachte van de terechtzitting op de hoogte was, de regel zoals deze is geformuleerd in HR 11 februari 2003, NJ 2003, 390, rov. 3.3 lijkt deze mogelijkheid niet te bieden. Deze abstraheert immers van de (veronderstelde) wetenschap van de verdachte. Tegen deze achtergrond moet het belang van het onderhavige cassatieberoep worden begrepen.

11. Is deze barrière genomen dan moet een nieuwe voorvraag onder ogen worden gezien, te weten of in cassatie kan worden geklaagd over het verlenen van verstek, dat wil zeggen of het verlenen van verstek kan worden gezien als een beslissing van een rechter (art. 79 RO en art. 440 Sv)(2)

12. Volgens Blok-Besier II, blz. 30 heeft "verstek verleenen" in het wetboek "de betekenis van ambtelijk vaststellen, dat de verdachte niet in persoon of, waar dit is toegelaten, bij gemachtigde(3) tegenwoordig is. Onder het huidige wetboek meen ik dat het verlenen van verstek meer inhoudt dan alleen de constatering dat verdachte niet is verschenen. Het huidige art. 280 Sv bepaalt dat de rechter als verdachte niet is verschenen pas verstek verleent wanneer de dagvaarding geldig is betekend, hij geen aanleiding ziet een bevel tot medebrenging te geven en er geen gemachtigd raadsman voor verdachte is verschenen. In het verlenen van verstek ligt dus het oordeel van de rechter besloten dat verdachte kennelijk afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht(4) dan wel dat verdachtes aanwezigheidsrecht niet van zo groot gewicht is dat verdachte nog een kans moet krijgen om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn. Zo gezien heeft het verlenen van verstek het karakter van een beslissing(5) waartegen in cassatie (tegelijk met de einduitspraak: art. 428 Sv) kan worden opgekomen.(6)

13. Dan kom ik nu toe aan bespreking van de middelen. Aan de middelen ligt de opvatting ten grondslag dat indien een zaak eenmaal is aangevangen op tegenspraak, de zaak ook na schorsing wordt behandeld als een zaak op tegenspraak, ongeacht of een verdachte of een gemachtigd raadsman na die schorsing is verschenen. Door de Hoge Raad is op grond van de tekst van art. 271 Sv, zoals deze bepaling luidde tot 1 februari 1998, beslist dat deze opvatting juist is. Art. 271 (oud) Sv bepaalde dat verstek werd verleend tegen de verdachte "die in gebreke blijft op de aan hem gedane dagvaardig op de terechtzitting te verschijnen": Met deze bepaling achtte de Hoge Raad niet verenigbaar dat tegen een verdachte die op de dagvaarding wel, maar op een nadere terechtzitting, dus op een oproeping, niet was verschenen, alsnog verstek werd verleend, en wel ongeacht of op die nadere terechtzitting de behandeling wegens gewijzigde samenstelling van het rechterlijk college opnieuw werd aangevangen.(7) Het in art. 271 (oud) Sv ten aanzien van het verlenen van verstek bepaalde komt in de kern van de zaak terug in het huidige art. 280 lid 1 Sv(8), zij het dat in die bepaling - anders dan in art. 272 (oud) Sv - ondubbelzinnig duidelijk wordt gemaakt dat geen verstek wordt verleend als een bevel tot medebrenging wordt gegeven. Ik kom daar later op terug. Het voorgaande leidt tot de conclusie, dat het niet zo is dat de middelen reeds falen omdat genoemde aan het middel ten grondslag liggende opvatting niet juist is en het het Hof dus zonder meer vrij zou hebben gestaan op de nadere terechtzitting na opnieuw aanvangen van de behandeling verstek te verlenen. Aan de door het middel opgeworpen vraag of het Hof op goede gronden verstek heeft verleend kan dus niet worden voorbijgegaan.

14. Door het verlenen van verstek beslist de rechter niet alleen dat verdachtes aanwezigheidsrecht, zo al niet kan worden aangenomen dat hij dit heeft prijsgegeven, moet wijken voor andere belangen, in het bijzonder het belang van een behoorlijke rechtspleging(9), maar ook dat er niet een raadsman ter verdediging kan optreden. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 23 april 2002, NJ 2002, 338, m.nt. Sch met nadruk(10) heeft bepaald, kan de niet-gemachtigd raadsman geen van de hem bij de wet toegekende bevoegdheden uitoefenen, behoudens het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging tot verdediging.(11)

15. Art. 278, tweede lid, Sv bepaalt dat de rechter zo hij dat wenselijk acht kan bevelen dat de verdachte in persoon verschijnt en daartoe eventueel een bevel tot medebrenging kan geven. Hoewel de wet dat niet zegt moet worden aangenomen dat de rechter dan tegelijkertijd het onderzoek schorst. Anders heeft een bevel als hiervoor bedoeld immers geen zin. Uit de wettelijke regeling, met name art. 280, eerste lid, Sv, volgt dat de rechter in zo'n geval geen verstek verleent. Weliswaar noemt art. 280, eerste lid, Sv alleen de situatie waarin een bevel tot medebrenging is gegeven, maar niet valt in te zien waarom die bepaling niet ook van toepassing is indien de rechter volstaat met het geven van een bevel tot persoonlijke verschijning van de verdachte. Zo dacht de wetgever er kennelijk ook over. In de Memorie van toelichting op art. 280 Sv(12) staat immers:

"Tegen de niet verschenen verdachte, aan wie de dagvaarding op een geldige wijze is uitgereikt, wiens aanwezigheid door de rechtbank niet wordt vereist en wiens verzoek om uitstel niet is gehonoreerd, verleent de rechtbank verstek."

Dit citaat geeft voorts aan dat ook in geval een verzoek als bedoeld in art. 278, derde lid, Sv wordt gedaan terwijl verdachte niet ter terechtzitting is verschenen - art. 280 lid 2 Sv noemt deze mogelijkheid kennelijk bij abuis niet - geen verstek wordt verleend.(13) Pas indien de verdachte geen gehoor geeft aan het bevel tot persoonlijke verschijning of niet gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid op een nadere terechtzitting te verschijnen komt de rechter voor de vraag te staan of hij de zaak wil afdoen buiten aanwezigheid van de verdachte. Hij kan opnieuw tot uitstel besluiten maar hij kan ook van oordeel zijn dat verdachtes belang moet worden achtergesteld bij het belang van een voortvarende afdoening van strafzaken. In het laatste geval verleent hij verstek en wordt de zaak buiten tegenwoordigheid van verdachte behandeld. Dat ligt ook voor de hand, omdat de rechter door een bevel tot medebrenging te geven juist te kennen geeft de zaak niet buiten verdachtes aanwezigheid te willen afdoen.

16. Is voor verdachte een raadsman verschenen doch is deze niet is gemachtigd de verdediging te voeren, dan brengt dat in het voorgaande geen verandering. Dat is niet anders indien verdachtes raadsman wel gemachtigd is de verdediging te voeren. Doet deze een verzoek tot aanhouding opdat verdachte de zaak kan bijwonen (art. 278, derde lid, Sv) en houdt de rechter de zaak aan, dan is de omstandigheid dat de raadsman gemachtigd is tot verdediging immers niet relevant: of deze nu gemachtigd is of niet, hij mag, zoals wij hiervoor zagen, voor verdachte een verzoek tot uitstel doen. Gaat de rechter op dat verzoek in en schorst hij de behandeling dan hoeft de rechter pas op de nadere terechtzitting te beslissen of hij verstek zal verlenen of niet.

17. Verschijnt de verdachte op de nadere terechtzitting niet dan komt de rechter allereerst voor de vraag te staan of de oproeping op geldige wijze is uitgereikt. Is dat niet het geval, dan dient hij - naar analogie van het bepaalde in art. 280, eerste lid, Sv ten aanzien van de dagvaarding - deze nietig te verklaren, ook als een gemachtigd raadsman is verschenen. Voor het nietig verklaren van de oproeping geldt immers dezelfde reden als die welke de wetgever noemt voor nietigverklaring van de dagvaarding (Kamerstukken II, 1996-1997, 24692, nr. 5, blz 15):

"In de situatie bedoeld in artikel 278, eerste lid, gaat het om de vaststelling dat de dagvaarding niet op geldige wijze is uitgereikt gecombineerd met de omstandigheid dat de verdachte niet op een terechtzitting is verschenen. In een dergelijk geval ligt nietigverklaring van de dagvaarding voor de hand, omdat zij kennelijk heeft gefaald in haar oproepingsfunctie. Het geding kan geen aanvang nemen; voor behandeling bij verstek dient vast te staan dat de verdachte behoorlijk is opgeroepen. Als dat niet het geval is, is de eenvoudigste beslissing: nietigheid van de dagvaarding.

Daarbij verdient opmerking dat het verschijnen van de gemachtigde raadsman deze nietigheid niet kan dekken (HR 11 februari 2003, NJ 2003, 390, m.nt. Sch over een betekeningsgebrek in de dagvaarding). Is de oproeping geldig en verdachtes raadsman gemachtigd tot verdediging dan kan de zaak worden behandeld en geldt deze als behandeling op tegenspraak (art. 279, tweede lid, Sv) (14); voor het verlenen van verstek is ondanks verdachtes afwezigheid ingevolge art. 280, tweede lid, Sv geen plaats.(15) Is verdachtes raadsman niet tot diens verdediging gemachtigd dan besluit de rechter verstek te verlenen.

18. Betekent het enkele verschijnen van verdachtes ter verdediging gemachtigd raadsman nu dat de behandeling van verdachtes zaak, zoals de steller van het middel wil, daarmee geldt als op tegenspraak gedaan ? Art. 270 Sv biedt voor een bevestigend antwoord geen houvast. Deze bepaling houdt immers in dat door het uitroepen van de zaak het onderzoek ter terechtzitting wordt aangevangen. Van dat onderzoek maakt deel uit de vraag of de zaak op tegenspraak zal worden behandeld of niet. Die vraag gaat vooraf aan de behandeling van de zaak. Pas wanneer de rechter overgaat tot behandeling van de zaak is het bepaalde in art. 279, tweede lid, Sv van toepassing:

"De behandeling van de zaak tegen de verdachte die zijn advocaat tot zijn verdediging heeft gemachtigd, geldt als een procedure op tegenspraak."

19. In het onderhavige geval heeft het Hof ter terechtzitting van 1 oktober 2002 waar verdachte niet maar zijn tot verdediging gemachtigd raadsman wel verscheen, het namens verdachte gedaan verzoek tot uitstel van de behandeling toegewezen. Op de nadere terechtzitting verscheen verdachte opnieuw niet, zijn raadsman opnieuw wel. De laatste verklaarde nu niet gemachtigd te zijn verdachte te verdedigen. Hij deed opnieuw een verzoek tot uitstel van de behandeling. In aanmerking genomen dat - naar het Hof heeft geoordeeld - de oproeping (niet in persoon) geldig was betekend kwam het voor de vraag te staan of hij de zaak buiten tegenwoordigheid van de verdachte wilde behandelen of niet. Het Hof koos gezien de afwijzing van het verzoek tot uitstel voor het eerste. Hij heeft dit tot uitdrukking gebracht door verstek te verlenen. Gezien het systeem van de wettelijke regeling, zoals ik dit hiervoor heb uiteengezet, behoefde het Hof zich door het verschenen zijn van verdachtes raadsman op de eerste terechtzitting als gemachtigd tot verdediging niet van het verlenen van verstek te laten weerhouden. Het was integendeel de juiste beslissing nu het Hof op de nadere terechtzitting een nieuw verzoek tot aanhouding afwees.

20. Ook anderszins valt in te zien dat het Hof in de gegeven omstandigheden terecht besloot tot het verlenen van verstek. Zou het Hof geen verstek hebben verleend dan was het een procedure op tegenspraak geweest. Meer smaken kent de wet immers niet. Dan zou ter terechtzitting iemand aanwezig moeten zijn geweest die het woord zou hebben mogen voeren ter verdediging. Die persoon was er echter niet: verdachtes raadsman was niet tot verdediging gemachtigd en mocht dus niet het woord voeren ter verdediging. Ik wijs nog eens op de hiervoor onder nr. 14 aangehaalde rechtsoverweging 3.2 uit HR 23 april 2002, NJ 2002, 338, m.nt. Sch.

21. De vraag rijst hoe valt te verklaren dat verdachtes raadsman eerst wel, later geen machtiging tot verdediging had. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 januari 2003 noch het arrest van het Hof verschaft op dit punt opheldering. Toch bevat het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 januari 2003 wel enige aanwijzing: de advocaat verklaart voor deze zitting niet uitdrukkelijk tot het voeren van de verdediging te zijn gemachtigd. Kennelijk heeft verdachtes raadsman van zijn cliënt alleen een machtiging tot verdediging gekregen voor de zitting van 1 oktober 2002 toen verdachte fysiek niet in staat was de terechtzitting bij te wonen, maar strekte die machtiging zich in de visie van de raadsman niet uit tot de terechtzitting van 31 januari 2003. Daarbij zal ongetwijfeld een rol hebben gespeeld dat het hem niet was gelukt voor de zitting van 31 januari 2003 nog contact met zijn cliënt te hebben. Daardoor werd de raadsman immers voor de vraag gesteld of hij zich voldoende gemachtigd kon achten om in het bijzonder de consequenties over de rechtsmiddelentermijnen voor zijn cliënt te aanvaarden.(16) Tegen deze achtergrond is er in de onderhavige zaak onvoldoende reden te spreken van - zoals in de toelichting op de middelen wordt geopperd - een processtrategie van verdachte en diens raadsman, die erop is gericht te voorkomen dat de termijn voor cassatie aanvangt op de dag na de uitspraak en welke door de door de middelen voorgestane uitleg van de wet onmogelijk gemaakt zou moeten worden.

22. Naar mijn mening kan een processtrategie als door de steller van het middel bedoeld overigens geen deugdelijke onderbouwing leveren voor de in de schriftuur verdedigde uitleg van de wet. Ik wijs op hetgeen de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 8 april 2003, 00664/02, LJN: AF4323 (rov. 3.5):

"Hierbij kan nog worden aangetekend dat - gelet op het vertrouwelijke karakter van het verkeer tussen de verdachte en zijn raadsman - het de rechter niet aangaat op welke wijze de op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman de verdediging wenst te voeren, zomin als het de rechter is toegestaan een onderzoek in te stellen naar de juistheid van de door de raadsman afgelegde verklaring dat hij door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd hem ter terechtzitting te verdedigen."

De gevolgtrekking, die de Hoge Raad hier verbindt aan het vertrouwelijke karakter van het verkeer tussen de verdachte en zijn raadsman geldt mijns inziens evenzeer voor de redenen waarom verdachte zijn raadsman niet heeft gemachtigd tot verdediging dan wel waarom hij op die machtiging terugkomt. Deze gaan de rechter niet aan. Daarom kan hij deze niet aan zijn beslissing ten grondslag leggen.

23. De middelen falen.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie daarvoor HR 11 februari 2003, NJ 2003, 390, m.nt. Sch, rov. 3.3.

2 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, blz. 17, wijst er op dat cassatie tegen handelingen niet verenigbaar is met het systeem van het wetboek van Strafvordering, zij het dat valt aan te nemen dat de Hoge Raad bereid is een handeling spoedig als een beslissing op te vatten.

3 Hier is uiteraard niet gedacht aan de gemachtigd raadsman als bedoeld in art. 279 Sv, maar aan vertegenwoordiging door een daartoe gemachtigde als art. 270 (oud) Sv in een aantal gevallen mogelijk maakte.

4 Verschijnt noch verdachte noch diens raadsman dan mag de rechter daarvan uitgaan, indien de dagvaarding rechtsgeldig is betekend aan een verdachte wiens GBA-adres, feitelijke woon- of verblijfplaats of adres in het buitenland bekend was: HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, m.nt.Sch.

5 In HR 20 december 1977, NJ 1978, 226 wordt het verlenen van verstek aangemerkt als een tussenbeslissing waartegen beroep in cassatie slechts gelijktijdig met een einduitspraak kan worden aangewend. Zie ook Kamerstukken II, 1996-1997, 24692, nr. 5, blz. 6: "De rechtbank zal vervolgens moeten beslissen of zij verstek verleent dan wel beveelt dat de verdachte in persoon zal verschijnen."

6 Een voorbeeld daarvan biedt HR 4 december 1984, NJ 1985, 340, waar de Hoge Raad oordeelt over het middel, dat inhield dat de Rechtbank vonnis had gewezen naar aanleiding van een onderzoek ter terechtzitting waarop ten onrechte tegen verdachte verstek was verleend. Ook in HR 2 maart 1982, DD 82.241 behandelde de Hoge Raad een klacht inhoudende dat het Hof ten onrechte verstek had verleend.

7 HR 6 november 1951, NJ 1952, 41, m.nt. W.P., HR 17 november 1987, DD 88.104. In HR 25 februari 1964, NJ 1964, 365 werd de spiegelbeeldige situatie beslist: eenmaal verstek blijft verstek, ook al wordt de behandeling op een nadere terechtzitting opnieuw aangevangen, tenzij het verstek naderhand bij verschijnen van verdachte vervallen wordt verklaard.

8 M.J.A. Plaisier, Het verstek in strafzaken, diss. Tilburg, Tjeenk Willink Deventer 1999, blz.162 gaat zonder meer uit van toepasselijkheid van de op het oude recht gebaseerde rechtspraak op het nieuwe recht.

9 Zo reeds HR 29 november 1977, NJ 1978, 548. Zie voorts Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, vierde druk, blz. 543, 544 en daar genoemde rechtspraak, en HR 10 juni 2003, LJN AF7410.

10 Eerder al HR 23 oktober 2001, NJ 2002, 77, m.nt. JR (Bouterse).

11 Rov. 3.2

12 Kamerstukken II 1995-1996, 24692, nr. 3, blz. 20

13 In de zaak die ten grondslag lag aan HR 4 december 1984, NJ 1985, 340 was met voorbijgaan van en verzoek tot schorsing verstek verleend. Het middel luidde dat het vonnis van de Rechtbank nietig was omdat was beslist naar aanleiding van een onderzoek ter terechtzitting waarop ten onrechte verstek was verleend. De Hoge Raad oordeelde dat de Rechtbank in het verzoek tot schorsing aanleiding had moeten vinden om te doen blijken dat zij heeft onderzocht waarom de verdachte niet was verschenen en of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen en achtte het middel gegrond. Dit arrest wijst erop dat pas tot het verlenen van verstek kan worden overgegaan wanneer er geen reden is het onderzoek te schorsen teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen de behandeling van zijn zaak bij te wonen. Zo de Hoge Raad met zoveel woorden in zijn arrest van 5 november 1991, nr. 89513, NJB 1992, nr. 18, rov. 4.4

14 Art. 279 Sv en het daarin besloten liggende stelsel als uiteengezet in HR 23 april 2002, NJ 2002, 338, m.nt. Sch is van overeenkomstige toepassing als een zaak is aangehouden en het onderzoek wegens gewijzigd samenstelling van het college opnieuw wordt aangevangen: HR 8 april 2003, NJ 2003, 332 rov. 3.3.

15 Zie ook Kamerstukken II, 1996-1997, 24692, nr. 5, blz. 9: "De voorgestelde regeling beoogt mogelijk te maken dat in een aantal gevallen waarin thans nog (mijn cursief; WHV) verstek wordt verleend, de verdachte meer mogelijkheden krijgt om zijn verdediging te doen voeren, voor zover dat verenigbaar is met het oordeel van de rechtbank over de omvang en de volledigheid van het onderzoek."

16 De Hullu en Plaisier, DD 1996, blz. 630. Zie over die consequenties eveneens kritisch Knigge, DD 1996, blz. 997 e.v. Zie over de wettelijke regeling voorts Orie, DD 1996, blz. 1004-1015. en Wöretshofer, DD 1998, blz. 1034-1059