Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AN7555

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2003
Datum publicatie
12-12-2003
Zaaknummer
R03/123HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AN7555
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

12 december 2003 Eerste Kamer Rek.nr. R03/123HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. E. Huineman-Lindt. 1. Het geding in feitelijke instantie...

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 5
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 15
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 648
JWB 2003/470
BJ 2004/2 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R03/123HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 31 oktober 2003 (Wet Bopz)

Conclusie inzake:

[verzoeker]

In deze Bopz-zaak gaat het om de vraag of de onderzoekende psychiater, indien de betrokkene medewerking aan het onderzoek weigert, het medisch oordeel in de geneeskundige verklaring mag baseren op informatie die hij van anderen heeft verkregen.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verzoeker van cassatie (hierna: betrokkene) is ingevolge een eerdere machtiging opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis te Gouda. De officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage heeft op 23 juni 2003 aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging te verlenen tot het voortgezet verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis.

1.2. De geneesheer-directeur(1) [betrokkene 1], die klaarblijkelijk zelf bij de behandeling was betrokken, heeft betrokkene laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater, [betrokkene 2](2). Op 17 juni 2003 is een geneeskundige verklaring opgemaakt. In deze verklaring wordt geconcludeerd dat betrokkene lijdt aan schizofrenie en dat gevaar bestaat dat hij zichzelf of een ander van het leven zal beroven of ernstig letsel zal toebrengen, dat hij door hinderlijk gedrag agressie tegen zichzelf zal afroepen en dat hij de psychische gezondheid van een ander in gevaar zal brengen. Verder wordt opgemerkt dat betrokkene zeer weinig ziektebesef of inzicht heeft, dat hij van mening is geen medicatie nodig te hebben en vaak minder gebruikt dan de voorgeschreven dosering en dat zonder adequate medicatie het risico op psychotische episoden fors wordt vergroot. In de verklaring wordt aangegeven dat al jaren wordt getracht betrokkene ambulant te behandelen, maar dat dit tot nog toe steeds heeft geresulteerd in gedwongen opnamen. Tenslotte wordt vermeld dat de betrokkene ondanks herhaald aansporen heeft geweigerd de onderzoekende psychiater persoonlijk te spreken. Volgens de geneeskundige verklaring is de gebruikte informatie afkomstig van de behandelend arts, [betrokkene 3], en van een verpleegkundige van de afdeling waar betrokkene was opgenomen.

1.3. Bij gelegenheid van het verhoor door de rechtbank heeft de raadsvrouw van betrokkene onder meer aangevoerd dat de geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke eisen voldoet, in welk verband zij heeft gewezen op HR 21 februari 2003, BJ 2003, 20 m.nt. W. Dijkers.

1.4. De rechtbank heeft bij beschikking van 1 augustus 2003 een machtiging tot voortgezet verblijf gegeven voor de periode tot en met 10 september 2003 en iedere verdere beslissing aangehouden. De rechtbank stelde vast dat aan de vereisten als bedoeld in art. 15 Wet Bopz is voldaan. Daarna overwoog zij:

"dat uit de medische verklaring en het verhandelde tijdens het verhoor is gebleken dat geen zelfstandig onderzoek door een onafhankelijke psychiater heeft plaatsgehad, doch dat deze voor zijn oordeel uitsluitend is afgegaan op dat van de behandelend arts en een verpleegkundige, dat zulks ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet is toegestaan;

dat de rechtbank het evenwel gelet op de omstandigheden van het geval niet opportuun heeft geoordeeld hieraan een verderstrekkende consequentie te verbinden dan hieronder is aangegeven;

dat in verband met het vorenstaande de rechterlijke machtiging vooralsnog met slechts twee maanden wordt verlengd en de behandeling voor het overige wordt aangehouden, teneinde de inrichting in de gelegenheid te stellen een nieuwe medische verklaring in te zenden, waarin bovengemeld gebrek niet voorkomt."

1.5. Vervolgens heeft de waarnemend geneesheer-directeur, de psychiater [betrokkene 4], op 28 augustus 2003 een nieuwe geneeskundige verklaring opgesteld. Deze arts komt tot dezelfde diagnose en, op iets andere gronden, tot dezelfde gevaarcodering. Met betrekking tot de gebruikte informatiebronnen vermeldt de verklaring:

"Patiënt weigert demonstratief een gesprek met mij aan te gaan. Ondanks dit heb ik voldoende gegevens om mijn beoordeling te doen. Gebruikte gegevens zijn: Mededelingen van [betrokkene 3], behandelend arts; zorgvuldig dossier onderzoek; observatiegegevens van de verpleging en opnamearts ([betrokkene 5]) tijdens de opname in Leidschendam".

1.6. De officier van justitie heeft op 29 augustus 2003 opnieuw een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis verzocht. De rechtbank heeft bij beschikking van 26 september 2003 de gevraagde machtiging tot voortgezet verblijf verleend voor het tijdvak tot en met 10 juli 2004.

1.7. Namens betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 1 augustus 2003 en tegen de beschikking van 26 september 2003.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel 1 is gericht tegen de beschikking van 1 augustus 2003. De klacht komt hierop neer dat wanneer de medische verklaring niet aan de wettelijke eisen voldoet, zoals de rechtbank overweegt, de rechtbank ook niet de vrijheid had om een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen voor de duur van (bijna) twee maanden.

2.2. Betrokkene heeft bij deze klacht geen belang omdat het tijdvak waarvoor de machtiging werd gegeven is verstreken(3). Een eventuele vernietiging van de beschikking van 1 augustus 2003 en een daarop volgende afdoening na verwijzing kunnen geen wijziging brengen in de machtiging van 26 september 2003. Een bijzonder belang om een retrospectief oordeel te verkrijgen is in dit geding niet aangevoerd. Reeds hierop stuit de klacht af.

2.3. In onderdeel 2 wordt geklaagd dat de aan de beschikking van 26 september 2003 ten grondslag liggende geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Het middel stelt dat de onderzoekend psychiater uitsluitend is afgegaan op de verklaringen van de behandelend arts en op de inhoud van het door deze en het verplegend personeel opgestelde dossier. Volgens het onderdeel blijkt niet dat de onderzoekend psychiater al het mogelijke heeft gedaan om tot eigen waarneming te komen. Ten onrechte ontbrak volgens het middel het persoonlijk contact dat nodig is voor een zo zwaar oordeel dat ten grondslag ligt aan een vrijheidsberoving.

2.4. De klacht bouwt voort op het in feitelijke aanleg gevoerde verweer. Inderdaad heeft de Hoge Raad in zijn beschikking van 21 februari 2003 gewezen op het belang dat in de rechtspraak wordt gehecht aan het oordeel van een onafhankelijke medische deskundige die de betrokkene zelf heeft onderzocht. Ook heeft de Hoge Raad in die beschikking en in HR 21 juni 1996, NJ 1997, 343 m.nt. JdB, overwogen dat de eis van "objective medical expertise" aldus moet worden verstaan dat het - behoudens in noodsituaties - een persoonlijk voorafgaand onderzoek van de betrokkene door de specialist veronderstelt.

2.5. Dit betekent niet dat een patiënt een dwangopneming kan tegenhouden door zijn medewerking aan het onderzoek van de onafhankelijke medische deskundige te weigeren. In de aangehaalde beschikking van 21 februari 2003 heeft de Hoge Raad overwogen dat in gevallen waarin de betrokkene niet meewerkt aan het in art. 5 lid 1 Wet Bopz bedoelde onderzoek, de psychiater moet doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden om het vereiste persoonlijk onderzoek, dat wil zeggen een onderzoek waarin de psychiater de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert, te doen plaatsvinden. De Hoge Raad verwees in dit verband naar HR 6 november 1998, NJ 1999, 103 en HR 24 september 1999, NJ 1999, 752.

2.6. In HR 6 november 1998(4) heeft de Hoge Raad overwogen:

"Wel zal in een geval als hier besproken de psychiater in zijn verklaring uiteen dienen te zetten, waarom hij de betrokkene niet of slechts in beperkte mate heeft kunnen onderzoeken, en op welke gronden hij, mede aan de hand van van derden verkregen informatie, niettemin tot de slotsom is gekomen dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 zich voordoet. De rechtbank zal dan dienen na te gaan of de psychiater gedaan heeft wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden. Voorts zal de rechtbank dienen na te gaan of ondanks de aan de verklaring klevende beperking voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 zich voordoet."

2.7. Het criterium van HR 6 november 1998 is aan de orde gekomen in gevallen waarin de onderzoekend psychiater de betrokkene niet heeft gesproken. In HR 24 september 1999, NJ 1999, 752, had de psychiater diverse pogingen ondernomen om met de patiënt in contact te komen, maar stuitten deze pogingen af op de houding van de betrokkene. Daarmee was aan de eisen van HR 6 november 1998 voldaan(5). In het huidige geval was betrokkene reeds opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis en dus bereikbaar voor de onderzoekende psychiater. De onderzoekende psychiater [betrokkene 4] heeft twee pogingen ondernomen om met betrokkene in gesprek te geraken. De geneeskundige verklaring vermeldt hieromtrent (blz. 2): "Patient zelf weigert tot 2 maal toe met mij te spreken en houdt demonstratief zijn mond dicht." De rechtbank heeft op basis hiervan mogen oordelen dat de onderzoekende psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht om het vereiste persoonlijk onderzoek te doen plaatsvinden. In feitelijke aanleg is niets aangevoerd dat erop zou kunnen wijzen dat de weigering van betrokkene werd ingegeven door bijv. het gebruik van medicijnen, angst voor het onderzoek die de psychiater met een toelichting had kunnen wegnemen of door een andere factor die het nodig maakte dat de onderzoekende psychiater op een ander tijdstip of op een andere wijze nogmaals een poging ondernam om tot een gesprek te komen(6).

2.8. De onderzoekend psychiater heeft in zijn verklaring uiteengezet waarom hij betrokkene niet of slechts in beperkte mate heeft kunnen onderzoeken. De rechtbank is, op basis van de geneeskundige verklaring, tot het oordeel kunnen komen dat de psychiater voldoende heeft aangegeven op welke gronden hij, mede aan de hand van van derden verkregen informatie, niettemin tot de slotsom is gekomen dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat het geval als bedoeld in art. 15 Wet Bopz zich voordoet. Een verdergaande toetsing van het overwegend feitelijke oordeel van de rechtbank is in cassatie niet mogelijk.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 In dit geval de Eerste geneeskundige; zie art. 1 lid 3 Wet Bopz.

2 Zie art. 15 lid 2 in verbinding met art. 5 lid 1 Wet Bopz.

3 Vgl. HR 13 oktober 2000, kBJ 2000, 57 m.nt. red. In de daaraan voorafgaande conclusie is oudere rechtspraak over dit onderwerp vermeld.

4 Ook gepubliceerd in kBJ 1998, 60 m.nt. W. Dijkers.

5 Zie nadien nog: HR 3 november 2000, NJ 2000, 717; HR 25 oktober 2002, NJ 2002, 599.

6 Vgl. alinea 2.3 van de conclusie in NJ 2000, 717.5