Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AN7444

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2003
Datum publicatie
19-12-2003
Zaaknummer
C02/252HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AN7444
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

19 december 2003 Eerste Kamer Nr. C02/252HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 699
JWB 2003/489

Conclusie

Rolnr. C02/252HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 31 oktober 2003

Conclusie inzake:

[de man]

tegen

[de vrouw]

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Eiser tot cassatie, de man, en verweerster in cassatie, de vrouw, zijn op 13 oktober 1990 onder huwelijksvoorwaarden met elkaar gehuwd. In de akte van huwelijksvoorwaarden is, voorzover in cassatie van belang, het volgende bepaald:

"Art. 3: De echtgenoten zijn, voorzover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking. Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar.

Art. 7: Diegene der echtgenoten, die een uitkering ontvangt krachtens een overeenkomst van levensverzekering (...) draagt de deswege verschuldigde of betaalde premies of koopsommen.

Art. 8: De echtgenoten verplichten zich over elk kalender jaar hetgeen van hun netto-inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 5, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. (...)"

1.2 Partijen hebben voor hun huwelijk gezamenlijk in eigendom verworven een onroerende zaak aan de [a-straat] te [plaats]. Deze onroerende zaak is in 1995 verkocht. Op 1 september 1995 heeft de vrouw twee panden aangekocht aan de [b-straat] te [plaats]. De aankoopsom heeft zij gefinancierd met een hypothecaire geldlening.

1.3 De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 21 april 1999 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 22 juni 1999 is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

1.4 Bij inleidende dagvaarding van 14 januari 2000 heeft de man de vrouw gedagvaard voor diezelfde rechtbank en gevorderd dat zij zou worden veroordeeld tot betaling van: 1. een bedrag van ƒ 260.000,--; 2. de helft van de afkoopwaarde van een polis bij Nationale Nederlanden (polisnummer [001]); 3. een bedrag van ƒ 10.836,76 en 4. een bedrag van ƒ 571,50. Het bedrag van ƒ 260.000,-- was samengesteld uit hetgeen de man, naar hij stelde, in de woning aan de [b-straat] had geïnvesteerd en uit de helft van de waardevermeerdering van die woning tot oktober 1998. De overige bedragen bestonden uit de helft van de afkoopwaarde van een aantal (levens)verzekeringen van partijen.

1.5 Nadat de vrouw van antwoord had geconcludeerd, heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Bij conclusie van repliek heeft de man zijn eis terzake van de woning vermeerderd tot ƒ 278.000,--(2). Bij conclusie van dupliek heeft de vrouw zich tegen de vermeerdering van eis verzet.

1.6 Bij vonnis van 20 december 2000 heeft de rechtbank het onder 4. gevorderde bedrag van ƒ 571,50 toegewezen, omdat de vrouw had erkend dit bedrag aan de man schuldig te zijn. Voor het overige heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen, omdat zij, kort gezegd, van oordeel was dat de man onvoldoende had gesteld dan wel zijn vordering onvoldoende begrijpelijk had onderbouwd.

1.7 De man is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bij arrest van 24 april 2002 bekrachtigd.

1.8 De man heeft tegen dit arrest tijdig(3) cassatieberoep ingesteld. De vrouw is niet verschenen. De man heeft zijn cassatiemiddel schriftelijk toegelicht.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Middel I richt zich met 9 subonderdelen tegen rechtsoverweging 3. Daarin heeft het hof, voorzover hier van belang, het volgende overwogen:

"De rechtsrelatie tussen echtgenoten brengt in zijn algemeenheid met zich mede dat echtgenoten op een deugdelijke wijze inzicht dienen te verschaffen in het door partijen gevoerde financiële beleid betreffende de huwelijksgemeenschap. In het onderhavig geschil volgt impliciet uit de overeenkomst van huwelijksvoorwaarden dat de echtgenoten over en weer rekening en verantwoording dienen af te leggen voor het door hen gevoerde financiële beleid betreffende de kosten van de huishouding en de vaststelling van het bedrag dat mogelijk op grond van artikel 8 van de overeenkomst van huwelijksvoorwaarden tussen partijen moet worden verrekend. Voorts zijn partijen verplicht om op een deugdelijke wijze rekening en verantwoording af te leggen inzake vergoedingsrechten die mogelijk over en weer kunnen bestaan."

2.2 Subonderdeel 1.2 klaagt in samenhang met 1.3 dat het hof heeft miskend dat partijen niet alleen op basis van art. 8 van de huwelijksvoorwaarden jegens elkaar (ver)rekenplichtig zijn, maar ook op basis van andere bepalingen uit die voorwaarden.

2.3 De subonderdelen missen feitelijke grondslag.

Dit blijkt niet alleen uit het hiervoor gegeven citaat uit rechtsoverweging 3, maar onder meer ook uit rechtsoverweging 4 waarin het hof overweegt: "Om de mogelijke vergoedingen op grond van artikel 3 van de akte van huwelijksvoorwaarden te kunnen vast stellen, zijn partijen rekenplichtig.", alsmede uit rechtsoverweging 5: "Ten overvloede overweegt het hof dat de man zijn vordering op de vrouw niet heeft gebaseerd op het verrekenbeding zoals opgenomen in artikel 8 van de huwelijksvoorwaarden.".

2.4 Subonderdeel 1.5 klaagt dat het hof ten onrechte nalaat in zijn overweging te betrekken dat de man en de vrouw tijdens het huwelijk niet met elkaar hebben verrekend (aldus subonderdeel 1.4), zodat zij jegens elkaar verplicht zijn samen te werken aan een reconstructie van hun financiële verkeer gedurende de jaren van hun huwelijk.

2.5 Ook deze klacht mist feitelijke grondslag. In de hiervoor weergegeven rechtsoverweging 3 overweegt het hof juist wel dat partijen daartoe gehouden zijn, in die zin dat ze over en weer rekening en verantwoording verschuldigd zijn.

2.6 Subonderdeel 1.6 neemt als uitgangspunt dat beide partijen verplicht zijn alle betrekkelijke bescheiden in het geding te brengen en klaagt vervolgens dat voorzover het hof van oordeel zou zijn dat de vrouw daartoe niet verplicht is, dit oordeel onjuist is. De subonderdelen 1.7 en 1.9 betogen dat de bedoelde verplichting tot reconstructie naar aard en karakter meebrengt dat het totale betalingsverkeer van partijen gedurende hun huwelijk wordt geïnventariseerd. Daaraan wordt de kennelijke conclusie verbonden dat het oordeel van het hof, dat de echtgenoot die stelt dat hij uit privémiddelen kosten heeft voldaan, dit dient te bewijzen, onjuist is. Ter ondersteuning van dit betoog verwijst subonderdeel 1.8 nog naar de beschikkingen van de Hoge Raad van 26 oktober 2001, NJ 2002, 93 m.nt. WMK en van 2 maart 2001, NJ 2001, 583 en 584 m.nt. S.F.M. Wortmann.

2.7 Ik begrijp het middel aldus dat het de vraag aan de orde stelt naar de verhouding tussen regels van stelplicht, bewijslastverdeling en bewijsrisico enerzijds en uit huwelijksvoorwaarden voortvloeiende verplichtingen tot het wederzijds afleggen van rekening en verantwoording anderzijds.

2.8 Allereerst geldt dat ook in een procedure over de verdeling van het vermogen van de echtelieden na echtscheiding of over het nakomen van verplichtingen tot vergoeding of verrekening op grond van de huwelijksvoorwaarden, de regels van stelplicht en bewijslast gelden. Het bestaan van huwelijksvoorwaarden tussen partijen, waaruit wederzijdse verplichtingen volgen tot het doen van rekening en verantwoording, kan van invloed zijn op de vraag op wie de stelplicht en de bewijslast rust. Zo kunnen die voorwaarden meebrengen dat de partij, die de beschikking heeft over relevante administratieve bescheiden, deze in het geding dient te brengen(4). Wanneer vervolgens de relevante feiten niet komen vast te staan, zal een van beide partijen met het bewijs ervan dienen te worden belast. Indien een der partijen niet die informatie verstrekt die van hem verlangd kan worden, kan de rechter daaraan de gevolgtrekking verbinden die hij geraden acht. De man heeft echter niet gesteld en ook overigens is niet gebleken dat de vrouw over informatie zou beschikken die zij ten onrechte niet heeft overgelegd.

2.9 De oordelen van het hof in rechtsoverweging 3 inhoudende: a) dat de echtgenoot die stelt dat hij uit privémiddelen kosten van een mogelijke gemeenschap of kosten van de andere echtgenoot heeft voldaan, dit op een deugdelijke wijze dient te bewijzen, b) dat van hem of haar mag worden verlangd dat hij of zij aan de hand van een deugdelijke administratie aantoont dat de betaling uit zijn of haar privévermogen is geschied en c) dat indien de betreffende echtgenoot niet over deugdelijke administratieve bescheiden beschikt en ook anderszins niet aannemelijk kan maken dat de gelden uit privémiddelen afkomstig zijn, dit voor zijn of haar risico komt, zijn niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd en geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het ligt voor de hand dat het bewijsrisico terzake van de stelling dat bepaalde bestedingen ten laste van het privévermogen zijn verricht, wordt gelegd bij de rechthebbende op dit vermogen, die immers ook over de betreffende bankafschriften en dergelijke zal beschikken. Bovendien is in dit geval de man ook degene die zich op de rechtsgevolgen van deze stelling beroept (art. 149 Rv.).

2.10 Het lijkt alsof met subonderdeel 1.8 een rechtsklacht wordt beoogd, inhoudende dat rechtsoverweging 3 onjuist is gezien de overwegingen van de Hoge Raad in de uitspraken van 26 oktober 2001, NJ 2002, 93 en van 2 maart 2001, NJ 2001, 583 en 584. Het middel vermeldt echter niet welke rechtsregel het hof zou hebben miskend, noch waarom het hof met zijn bestreden oordeel het recht, als gevormd in de genoemde beschikkingen heeft geschonden. Om die reden voldoet het niet aan art. 407 lid 2 BW.

2.11 Verder klaagt dit subonderdeel dat het hof miskent dat de man een geldvordering heeft gesteld ten titel van verrekening.

Zoals hiervoor vermeld heeft het hof echter in rechtsoverweging 5 geoordeeld dat de man zijn vordering op de vrouw niet heeft gebaseerd op het verrekenbeding zoals opgenomen in artikel 8 van de huwelijksvoorwaarden. "In de inleidende dagvaarding", aldus het hof, "heeft de man zijn vordering ter zake de waarde vermeerdering gebaseerd op de verbouwing die hij aan de panden heeft verricht. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen vaststellen of de man wellicht op de vrouw een vordering heeft uit hoofde van het verrekenbeding." Het subonderdeel geeft niet aan waarom dit oordeel van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zou zijn, zodat het om die reden niet aan de eisen van art. 407 lid 2 voldoet.

2.12 Middel II richt zich tegen rechtsoverweging 4 van het bestreden arrest en bevat 11 onderdelen.

Alvorens op deze onderdelen in te gaan, merk ik op dat in diverse subonderdelen veelvuldig wordt verwezen naar stellingen en feiten ten aanzien waarvan niet wordt gespecificeerd waar zij in de gedingstukken eerder zijn aangevoerd, noch op welke grond in cassatie van de juistheid ervan moet worden uitgegaan. Bovendien komen verschillende klachten op tegen een zuiver feitelijk oordeel, dat in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. In zoverre stuiten de klachten al af op art. 407 lid 2 Rv of vergen zij een verdergaande toetsing dan art. 79 RO mogelijk maakt(5). Bovendien is in een aantal subonderdelen geen duidelijke klacht geformuleerd.

Voorts merk ik op dat rechtsoverweging 4 zo uitgebreid is dat ik mijn gebruikelijke weergave van de rechtsoverweging waartegen de klachten zich richten, achterwege laat.

2.13 Subonderdeel 2.1 bevat geen klacht.

Strikt genomen bevat subonderdeel 2.2 evenmin een klacht. In ieder geval legt het subonderdeel niet uit waarom het oordeel van het hof in het licht van de genoemde stellingen onjuist, onbegrijpelijk, of onvoldoende gemotiveerd zou zijn(6).

Hetzelfde geldt voor subonderdeel 2.3. Voorzover dit subonderdeel een klacht inhoudt met betrekking tot betalingen die de man op de polissen van partijen zou hebben gedaan, faalt deze omdat deze polissen in de bestreden rechtsoverweging in het geheel geen rol spelen.

2.14 Subonderdeel 2.4 kan evenmin tot cassatie leiden. De man heeft gesteld dat partijen tot zekerheid voor de hypotheek een levensverzekering hadden afgesloten bij Stad Rotterdam, met polisnummer [002], met de vrouw als verzekeringneemster en verzekerde, en dat hij de premie van die levensverzekering tot 1 september 1999 heeft voldaan(7). De man heeft een en ander in eerste aanleg echter uitsluitend gesteld als grondslag voor zijn vordering tot verdeling van de afkoopwaarde van deze polis. De vrouw heeft niet betwist dat de man de premie van deze polis heeft voldaan(8), maar heeft gesteld dat de man niet heeft bijgedragen aan de hypotheeklasten(9).

Eerst in appel heeft de man zijn stelling geplaatst in de context van de waardevermeerdering van de woning.(10)

2.15 Het hof heeft deze stelling niet miskend, maar verworpen en wel in rechtsoverweging 5:

"In de toelichting op grief 3 stelt de man dat eveneens door de betaling van de premies levensverzekering recht heeft op de waardestijging van de onroerende zaak. Terzake premies levensverzekering zijn partijen in de overeenkomst van huwelijksvoorwaarden overeengekomen dat de degene die de uitkering ontvangt tevens de premie dient te voldoen. Naar het oordeel van het hof snijdt het argument van de man geen hout dat hij door betaling van de premies levensverzekering een aanspraak verkrijgt op de waarde stijging van het huis."

2.16 Subonderdeel 2.5 beperkt zich tot de stelling dat het erom gaat dat door de door de man gedane betalingen een vermogensaanwas aan de zijde van de vrouw kon ontstaan en bevat derhalve geen klacht.

2.17 Subonderdeel 2.6 faalt omdat de vrouw, anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, niet haar eigen kosten als te verrekenen investeringen heeft opgevoerd. Zij heeft gesteld dat aan de man voldoende financiële middelen ter beschikking zijn gesteld ter dekking van de verbouwingskosten, waarmee zij de stelling van de man heeft betwist dat hij voor de verbouwing bedragen aan zijn privémiddelen heeft onttrokken(11).

2.18 Subonderdeel 2.7 betoogt dat het oordeel van het hof dat de man ƒ 46.000,-- naar zijn privé-rekening heeft overgeboekt, onjuist althans onbegrijpelijk is.

Dit betoog mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in rechtsoverweging 4 op dit punt slechts de stelling van de vrouw weergegeven, en zich vervolgens over de juistheid van die stelling niet uitgelaten. Het hof behoefde dit ook niet te doen omdat het deze stelling kennelijk - en terecht - niet essentieel achtte voor de beantwoording van de vraag of de man heeft aangetoond dat hij uit privémiddelen een bedrag van ƒ 103.500,-- in de woning heeft geïnvesteerd.

2.19 Subonderdeel 2.8 klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een schenking van ƒ 31.000,-- van zijn ouders heeft gekregen en tevens ten onrechte een betalingsbewijs ter zake verlangde nu de vrouw die schenking heeft erkend.

2.20 De klacht faalt. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk uit de enkele erkenning van de vrouw dat de man vóór het huwelijk van zijn ouders een schenking heeft ontvangen(12), niet afgeleid dat zij zou hebben erkend dat die schenking ƒ 31.000,-- bedroeg en dat dit bedrag in de woning van partijen zou zijn geïnvesteerd. Dit oordeel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en daardoor in cassatie slechts beperkt toetsbaar. Het is, gelet op hetgeen de vrouw in eerste aanleg en in hoger beroep heeft gesteld(13), ook niet onvoldoende gemotiveerd.

2.21 Daarvan uitgaande geeft het - impliciete - oordeel van het hof dat de man aannemelijk dient te maken dat hij de schenking van dit bedrag van zijn ouders heeft ontvangen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel dat de man daarin niet is geslaagd, behelst een waardering van de stellingen en bewijsmiddelen van de man, en is derhalve overwegend van feitelijke aard. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

2.22 Subonderdeel 2.9 klaagt dat het oordeel van het hof dat de man geen inzicht geeft in zijn vermeerdering van eis, onbegrijpelijk is.

Wat er zij van deze klacht, het hof heeft - in cassatie niet bestreden - in rechtsoverweging 3 geoordeeld dat de man niet heeft gemotiveerd waarvoor hij deze bedragen heeft aangewend, terwijl dat in redelijkheid van hem kon worden verlangd. Dit brengt mee dat de man belang mist bij deze klacht.

2.23 Anders dan subonderdeel 2.10 tot uitgangspunt neemt, is niet gesteld (laat staan dat het vaststaat) dat in het bouwdepot privévermogen van de man was opgenomen(14). De erkenning van de vrouw dat er een verbouwing heeft plaatsgehad en dat terzake sprake was van een bouwdepot, brengt dus geenszins mee dat de man daaraan een vordering zou kunnen ontlenen. De klacht faalt derhalve.

2.24 Ook subonderdeel 2.11 faalt. Zelfs al zou uit de berekening van de vrouw blijken dat zij erkent dat de man een bedrag van ƒ 114.624,-- aan de verbouwing heeft uitgegeven, dan nog volgt daaruit - anders dan ook dit subonderdeel veronderstelt - niet dat de man dit bedrag uit zijn privévermogen heeft voldaan. Dit laatste heeft de vrouw betwist. Dienaangaande heeft het hof in rechtsoverweging 4 overwogen:

"Het feit dat de man ƒ 56.000,- aan bonnen in zijn bezit heeft, geeft geen antwoord op de vragen of de bonnen betrekking hebben op de verbouwing van de woning aan de [b-straat] en of hij de bonnen uit zijn privé middelen heeft voldaan. De vrouw heeft bij conclusie van antwoord betwist dat de man uit eigen middelen gelden in de onroerende zaak heeft geïnvesteerd."

2.25 Middel III richt zich blijkens subonderdeel 3.1 tegen rechtsoverweging 5 van het bestreden arrest.

Subonderdeel 3.2 bouwt op de middelen I en II voort en mist zelfstandige betekenis.

2.26 Subonderdeel 3.3 richt zich tegen het oordeel van het hof dat de man door betaling van de premies levensverzekering geen aanspraak verkrijgt op de waardestijging van het huis. Het subonderdeel geeft niet aan waarom dit oordeel onjuist zou zijn en voldoet derhalve niet aan de eisen van art. 407 Rv.

Bovendien ziet het onderdeel over het hoofd dat het hof zijn oordeel baseert op de bepaling in de overeenkomst van huwelijksvoorwaarden dat degene die de uitkering ontvangt tevens de premie dient te voldoen.

2.27 Subonderdeel 3.4 voldoet evenmin aan de eisen van art. 407 Rv.

2.28 Subonderdeel 3.5 kan niet tot cassatie leiden omdat uit het oordeel van het Hof dat de man geen aanspraak kan maken op de waardestijging van de woning tot oktober 1998, nog niet volgt dat het hof zou hebben miskend dat de man geen aanspraak maakt op de waardestijging van na 1998.

2.29 Middel IV mist zelfstandige betekenis.

2.30 Nu geen vragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het beroep worden verworpen met toepassing van art. 81 RO.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het Hof heeft de feiten vastgesteld in rov. 1 van het bestreden arrest. Aangezien daarbij in enkele citaten uit de akte van huwelijksvoorwaarden fouten zijn gemaakt, zijn de onder 1.1 genoemde passages rechtstreeks uit de desbetreffende akte (overgelegd als prod. 2 bij CvE) overgenomen. Zie ook het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 december 2000 onder 1a t/m 1c. De eerste appelgrief richtte zich tegen het door de rechtbank onder 1c vastgestelde feit.

2 De man heeft daarbij ook zijn eis terzake van de polis bij Nationale Nederlanden (met nummer [001]) gewijzigd. Deze laatste eiswijziging is in cassatie niet van belang.

3 De cassatiedagvaarding is op 23 juli 2002 uitgebracht.

4 Vanuit de gedachte dat de partij in wiens 'sfeer' bepaalde informatie zich bevindt, gehouden zal zijn die informatie in de procedure te verstrekken. Vgl. de verzwaarde stelplicht in bijv. medische beroepsaansprakelijkheidszaken.

5 Zie HR 6 juni 2003, C02/058, JOL 2003, 307.

6 De stelling dat de vrouw heeft erkend dat de man een schenking van zijn ouders heeft gehad, komt ook ter sprake bij de behandeling van onderdeel II.2.8.

7 Inleidende dagvaarding, nrs. 13-14; CvR nrs. 35-37.

8 CvA nrs. 17-18; CvD nr. 23.

9 CvD nr. 13.

10 MvG nrs. 16, 42.

11 Zo overweegt ook het hof in rov. 4, p. 4.

12 MvA nr. 20.

13 CvD nr. 20 en MvA nr. 20.

14 In de dagvaarding rept de man niet van het bouwdepot; bij CvA nr. 8 stelt de vrouw slechts dat het bouwdepot ƒ 50.000,-- bedroeg; bij CvR nr. 27 stelt de man dat hij ƒ 46.000,-- in het bouwdepot heeft gestort. In de samenvatting van de vordering (MvG nr. 36) wordt niet over het bouwdepot gesproken.