Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AM0212

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2003
Datum publicatie
11-12-2003
Zaaknummer
00703/03
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AM0212
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn en ontvankelijkheid OM. Indien er vanuit wordt gegaan dat het vonnis van 27-11-1996 eerst op 22-10-2001 geldig aan de verdachte is betekend na aanbieding op het adres waar de verdachte sinds 2-10-1998 in de GBA stond ingeschreven, leidt dat niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00703/03

Mr. Vellinga

Zitting: 7 oktober 2003 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens diefstal meermalen gepleegd schuldig verklaard zonder oplegging van straf.

2. Namens verdachte hebben mrs. J.L.A.M. le Cocq d'Armandville en J.Y. Taekema, advocaten te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

4. Het Hof heeft naar aanleiding van een ter terechtzitting gevoerd verweer overwogen:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Van de zijde van de verdachte is een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens overschrijding van een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, op grond dat sedert het wijzen van het vonnis slechts een enkele maal is getracht het vonnis te betekenen.

Dit verweer wordt verworpen.

Naar het oordeel van het hof moet meegewogen worden dat de verdachte de dagvaarding om ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen in persoon betekend heeft gekregen. Daarnaast heeft er binnen een jaar na het wijzen van het vonnis een rechtsgeldige betekening plaatsgevonden, zodat geen sprake is van een schending van de redelijke termijn in de zin van die verdragsbepaling.

Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging."

5. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat er geen geldige rechtsgeldige betekening heeft plaatsgevonden binnen een jaar na het wijzen van het vonnis, doch slechts een poging daartoe is gedaan.

6. De stukken van het geding houden het volgende in:

- de inleidende dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting van de Politierechter te Rotterdam op 11 juli 1996 is op 17 april 1996 aan de verdachte in persoon betekend;

- blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting zou de verdachte die dag niet worden aangevoerd door de parketpolitie;

- de oproeping voor de terechtzitting van de Politierechter te Rotterdam op 27 november 1996 is blijkens de daaraan gehechte akte van uitreiking op 2 september 1996 aangeboden op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]. Aldaar werd meegedeeld dat de verdachte daar niet woonde of verbleef. Uit het aan de akte gehechte resultaat van gba-onderzoek d.d. 15 september 1996 blijkt dat de verdachte sinds 2 maart 1993 op genoemd adres in de bevolkingsadministratie van de gemeente Rotterdam stond ingeschreven. Op 17 september 1996 is de oproeping aan de griffier van de rechtbank uitgereikt en als gewone brief naar genoemd adres verzonden.

7. Tevens bevindt zich bij de stukken een mededeling uitspraak die het vonnis van de Politierechter betreft. Aan de mededeling uitspraak zijn twee aktes van uitreiking gehecht. De eerste akte van uitreiking houdt in dat de mededeling op 31 januari 1997 is aangeboden op het adres [a-straat 1] te [woonplaats] en dat werd meegedeeld dat de verdachte/geadresseerde aldaar niet woonde of verbleef. Aan de akte is een uitdraai van een gba-controle d.d. 9 februari 1997 gehecht die inhoudt dat de verdachte sinds 2 maart 1993 op dit adres stond ingeschreven in de bevolkingsadministratie van de gemeente Rotterdam. De akte behelst niet wat met deze informatie is gedaan.

De tweede akte houdt in dat de mededeling uitspraak op 18 oktober 2001 is aangeboden op het adres [b-straat 1] te [woonplaats], dat aldaar niemand werd aangetroffen en een bericht van aankomst is achtergelaten en dat de mededeling uitspraak op 22 oktober 2001 aan de verdachte in persoon is uitgereikt op het postkantoor Keizerswaard 15 te Rotterdam.

8. Tevens is aan de mededeling uitspraak gehecht een printeruitdraai d.d. 3 mei 2001 waarop met ballpoint is aangetekend: "[Irene], Svp signaleren via Petip [lees Betip?;WHV] Geslipt?? Groet, [Lou]".

9. Uit deze stukken kan worden opgemaakt dat pas op 22 oktober 2001 een geldige betekening van de mededeling van de uitspraak van de Politierechter van 27 november 1996 heeft plaatsgevonden. Uit de ten behoeve van de aanzegging in cassatie verrichte gba-controle blijkt in dat de verdachte sinds 2 maart 1993 stond ingeschreven op het adres [a-straat 1], [postcode] te [woonplaats] en sinds 2 oktober 1998 op het adres [b-straat 1], [postcode] te [woonplaats].

10. In zijn arrest van 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 heeft de Hoge Raad overwogen:

"3.19. Van overschrijding van de redelijke termijn kan eveneens sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.

Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake:

a. Indien de verstekmededeling binnen 1 jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend

1. hetzij aan de verdachte in persoon,

2. hetzij op de voet van het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv.

In de onder 2 bedoelde gevallen komt een na de betekening opgetreden vertraging immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak.

b. Indien de verstekmededeling binnen 1 jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, én indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv."

11. Nu de mededeling uitspraak niet binnen de termijn van één jaar na de uitspraak aan de verdachte is uitgereikt hetzij aan de verdachte in persoon, hetzij op enige andere in de wet voorziene wijze heeft het Openbaar Ministerie bij de betekening van het vonnis niet de nodige voortvarendheid betracht. De redelijke termijn van één jaar voor de betekening van de verstekmededeling is overschreden met drie jaar en bijna elf maanden. De verstekmededeling van het vonnis van de Politierechter van 27 november 1996 is immers pas op 22 oktober 2001 aan de verdachte in persoon uitgereikt terwijl de verdachte al die tijd ingeschreven heeft gestaan in het GBA-register van de gemeente Rotterdam.

12. De vraag rijst nu of een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn voor wat betreft de betekeningsfase zoals de toelichting op het middel voorstaat inderdaad met niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moet worden gesanctioneerd. In het verleden is die sanctie wel toegepast. Zo werd in HR 8 oktober 1991, NJ 1992, 157 een periode van drieëneenhalf jaar waarin de verdachte onbekend bleef met de uitspraak zo lang geacht dat de Officier van Justitie alsnog door de Hoge Raad niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn vervolging. In die zaak speelde mee dat de verdachte al die tijd ingeschreven stond in de bevolkingsadministratie. (1)

13. Tegenover die rechtspraak stond andere rechtspraak waarin meespeelde dat wanneer de verdachte niet had voldaan aan zijn verplichting op de voorgeschreven wijze zijn verhuizingen te melden en/of naliet de in het maatschappelijke verkeer gebruikelijke voorzieningen te treffen opdat hij kennis krijgt van stukken die naar zijn oude adres zouden kunnen worden verstuurd, terwijl hij op de hoogte is van de tegen hem ingestelde vervolging, waardoor de inspanningen van het Openbaar Ministerie zonder resultaat blijven, hij zich niet met vrucht op art. 6, eerste lid, EVRM kan beroepen, zie HR 1 juli 1996, NJ 1997, 6.

14. In HR 6 april 1999, LJN ZD1372 werd het drie jaar lang niet trachten een arrest mee te delen niet bestraft met niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, maar met strafvermindering. Hetzelfde geldt voor de twee jaar van inactiviteit waarvan in HR 19 december 2000, NJ 2001, 69 sprake was. In beide gevallen stond de verdachte ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. In het hierboven onder 10 reeds genoemde standaardarrest heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.21 bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn in de regel behoort te leiden tot strafvermindering en dat voor niet-ontvankelijk-verklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is.(2)

15. De in het middel voorgestane sanctie van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie is hier dan ook niet de aangewezen sanctie op overschrijding van de redelijke termijn nu niet sprake is van een uitzonderlijk geval in vorenbedoelde zin.(3) Feiten en omstandigheden die dit geval uitzonderlijk maken zijn niet aangevoerd, noch ter terechtzitting in hoger beroep, noch in de schriftuur. In cassatie wordt weliswaar een beroep gedaan op HR 12 november 2002, NJB 3 januari 2003, nr. 1, p. 35, maar dat arrest betreft een geval waarin de verdachte bij arrest van 22 november 1995 is veroordeeld voor winkeldiefstallen uit 1993 en hij de mededeling van die uitspraak pas op 14 augustus 2001 in persoon ontvangt. In dat geval heeft de Hoge Raad de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging. Die periode is echter aanmerkelijk langer dan die in de onderhavige zaak.

16. Uit het voorgaande volgt dat de redelijke termijn is overschreden en dat verdachte daarvoor moet worden gecompenseerd door strafvermindering. Verdachte is echter geen straf opgelegd. Betekent dat dat er in het onderhavige geval een andere vorm van compensatie moet worden gezocht zoals niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ? Ik meen van niet. In het onderhavige geval kan gelet op de niet extreem grote overschrijding van de redelijke termijn en de omstandigheid dat verdachte op geen enkele wijze heeft aangegeven dat hij buitengewoon heeft geleden onder de dreiging van de strafvervolging worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Daarbij kan ook worden meegewogen, dat de schade van het tijdsverloop voor verdachte ook in die zin niet groot zal zijn dat hij blijkens de strafmotivering van het Hof dat tijdsverloop heeft benut om zijn leven een andere wending te geven hetgeen het Hof ertoe heeft gebracht te volstaan met schuldigverklaring zonder toepassing van straf.

17. Het voorgaande brengt mee dat verdachte uiteindelijk bij zijn cassatieberoep geen belang heeft. Het middel leidt dus niet tot vernietiging van het bestreden arrest.

18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie voor vergelijkbare gevallen HR 15 december 1993, NJ 1993, 376: negen jaar waarvan de verdachte zes en een half jaar ingeschreven stond; HR 20 december 1994, NJ 1995, 471: achttien en een halve maand waarin de verdachte ingeschreven stond. In deze zaak speelde mee dat de feiten oud waren en van een geringe ernst.

2 Zie bijvoorbeeld recentelijk HR 15 april 2003, LJN AF6589, waarin sprake was van een aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen periode van bijna drie jaar en een feit van geringe ernst. Van feiten van geringe ernst was ook sprake in het in de tekst genoemde arrest van 6 april 1999.

3 Zie voor zo'n uitzonderlijk geval HR 22 mei 2001, NJ 2001, 440, waarin tussen het wijzen van het arrest bij verstek en het instellen van cassatie een periode van ruim vijf jaar was verstreken zonder dat bleek dat ooit enige poging was gedaan de verstekmededeling te betekenen.