Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AL9062

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-12-2003
Datum publicatie
16-12-2003
Zaaknummer
00450/03 J
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AL9062
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Redelijke termijn in jeugdzaken. Art. 40 lid 2 sub b van het Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 107) stelt geen verdere eisen aan de redelijke termijn dan reeds uit art. 14 IVBPR en art. 6 EVRM voortvloeien. 2. Aanhoudingsverzoek – van in het buitenland verblijvende jeugdige verdachte - onvoldoende gemotiveerd afgewezen.

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 14
Verdrag inzake de rechten van het kind 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 665
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00450/03 J

Mr. Vellinga

Zitting: 7 oktober 2003 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf.

2. Namens verdachte heeft mr. K.D. Regter, advocaat te Lelystad, zes middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, niettegenstaande een schending van art. 40 lid 2 sub II en III Verdrag inzake de Rechten van het Kind, het Openbaar Ministerie niet niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, geen gevolgen heeft verbonden aan niet-betekening van de aanzegging hoger beroep door het Openbaar Ministerie en aan de "onwenselijk lange termijn" tussen de datum van instellen van het hoger beroep en de dagvaarding van verdachte in hoger beroep.

5. Beide middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2002 gehechte pleitnota van de raadsman heeft deze aldaar aangevoerd, voor zover thans van belang:

"geldigheid dagvaarding/behandeling ter zitting

Akte hoger beroep betekend aan cliënt? Cliënt heeft mij medegedeeld dat hij behoudens de thans gewijzigde dagvaarding niets anders heeft ontvangen van het parket uit Nederland. Er is aan hem derhalve geen akte hoger beroep betekend. Dit blijkt ook niet uit de stukken van het dossier. Strekking van art. 409 Sv is te voorkomen dat de verdachte na een vrijspraak plots (na geruime tijd) wordt overvallen door een dagvaarding in hoger beroep. Strekking is ook de verdachte duidelijk te maken waartoe het door het OM ingesteld appel zich uitstrekt. Dit klemt temeer nu ik niet weet op welke datum cliënt uiteindelijk een dagvaarding is uitgereikt.

Blijkens de jurisprudentie kan dit probleem worden ondervangen door een appeldagvaarding. Echter, in die jurisprudentie is er telkens sprake geweest van spoedige dagvaarding, nadat vrijspraak is gewezen door de Rechtbank in eerste aanleg.

I.c. is cliënt vrijgesproken op 7 december 2000 en is de dagvaarding (zoals gewijzigd) eerst onlangs door cliënt ontvangen. De vergelijking met de in de jurisprudentie genoemde gevallen gaat hier dus niet op.

Op grond van art. 409 tweede lid Sv kan behandeling van de zaak derhalve geen doorgang vinden.

(...)

Ontvankelijkheid OM

Op grond van art. 40 Kinderverdrag moet igv minderjarige zonder vertraging worden beslist en onverwijld en zonder vertraging in kennis wordt gesteld van tegen hem ingebrachte beschuldigingen. Ik merk uitdrukkelijk op dat bij minderjarigen niet het criterium van het EVRM (undue delay, de onredelijke vertraging) van toepassing is.

Er is geen sprake van dat art. 40 Kinderverdrag is nageleefd.

Art. 40 heeft directe werking.

Cliënt is op 12 juni 2000 aangehouden.

Op (uiteindelijk) 23 november 2000 heeft een inhoudelijke zitting plaatsgevonden. Op 7 december 2000 is vonnis gewezen, waarbij cliënt is vrijgesproken van deelname aan de overval op [het slachtoffer].

Op 20-12-2000 is door het OM hoger beroep ingesteld.

Cliënt is eerst gedagvaard ter zitting van uw Hof op 3 april 2002. Dat is 21 maanden nadat cliënt is aangehouden. Dagvaarding is gedateerd 4 februari 2002.

Nu art. 40 Kinderverdrag duidelijk niet is nageleefd, dient in mijn ogen niet-ontvankelijkheid van het OM te volgen."

7. Het Hof heeft blijkens zijn arrest terzake het volgende overwogen:

"De raadsman heeft betoogd dat de aanzegging van het hoger beroep van de officier van justitie niet aan verdachte is betekend en dat op grond daarvan de strafzaak tegen verdachte in hoger beroep niet behandeld mag worden.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende:

Uit het strafdossier is niet gebleken dat aan verdachte is betekend de aanzegging van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep.

Echter, verdachte heeft wel kennisgenomen van de dagvaarding in hoger beroep. Deze dagvaarding kan mede als kennisgeving in de zin van artikel 409 van het wetboek van strafvordering worden aangemerkt.

Wel zal het hof bij een eventuele strafoplegging rekening houden met de ernst van dit verzuim, met name omdat het lange tijd heeft geduurd voordat verdachte kennis kreeg van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep.

(...)

Voor wat betreft het door de raadsman aangevoerde in verband met artikel 40 van het Verdrag voor de rechten van het kind, heeft hij aangevoerd dat de verdachte onverwijld en zonder vertraging in kennis moet worden gesteld van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen (zie ter nadere adstructie de pleitnota pagina 2).

Het hof is van oordeel dat tussen het instellen van het hoger beroep en de dagvaarding van verdachte in hoger beroep een onwenselijk lange termijn is verstreken. Dit verzuim dient echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te leiden, doch wel haar weerslag te vinden in een eventuele strafoplegging."

8. 's Hofs oordeel dat de dagvaarding mede als kennisgeving in de zin van art. 409 Sv kan worden aangemerkt, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.(1)

9. In HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH heeft de Hoge Raad beslist, dat het bepaalde in art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR meebrengt dat in geval - zoals in casu - het strafrecht voor jeugdigen is toegepast de zaak in eerste aanleg niet meer dan zestien maanden in beslag mag nemen en in hoger beroep ook niet meer dan zestien maanden.

10. Het Hof is geheel voorbij gegaan aan het feit dat de berechting in hoger beroep meer dan zestien maanden in beslag heeft genomen en heeft zich ook niet uitgelaten over de vraag of deze periode kan worden gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden. Het heeft volstaan met de constatering dat zijns inziens de termijn van berechting onwenselijk lang is en dat deze omstandigheid bij de strafoplegging in aanmerking zal worden genomen zonder evenwel aan te geven hoe en in hoeverre deze omstandigheid in de straf is verdisconteerd.(2) Een en ander brengt mee dat het arrest van het Hof onvoldoende met redenen is omkleed.

11. Nu het arrest van het Hof reeds om bovenstaande reden vernietigd moet worden, behoeven de middelen voor zover zij klagen over de termijn van berechting geen verdere bespreking meer. Toch wijd ik nog een enkele opmerking aan het hiervoor genoemde art. 40 lid 2 Verdrag inzake de rechten van het kind (Verdrag van 20 november 1989, Trb. 1990, 170(3); hierna: IVRK)(4) voor zover daarin wordt bepaald dat een zaak tegen een kind "zonder vertraging" moet worden afgedaan. Het ligt immers voor de hand dat bij berechting na verwijzing opnieuw een beroep zal worden gedaan op het bepaalde in art. 40 lid 2 van dit verdrag.

12. Art. 40 lid 2 IVRK(5) luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

"2. Hiertoe, en met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van internationale akten, waarborgen de Staten die partij zijn met name dat:

a. (...)

b. ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit, ten minste de volgende garanties heeft:

(i) (...)

(ii) dat het onverwijld en rechtstreeks in kennis wordt gesteld van de tegen hem of haar ingebrachte beschuldigingen, indien van toepassing door tussenkomst van zijn of haar ouders of wettige voogd, en dat het juridische of andere passende bijstand krijgt in de voorbereiding en het voeren van zijn of haar verdediging;

(iii) dat de aangelegenheid zonder vertraging wordt beslist door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie in een eerlijke behandeling overeenkomstig de wet, in aanwezigheid van een rechtskundige of anderszins deskundige raadsman of -vrouw, en, tenzij dit wordt geacht niet in het belang van het kind te zijn, met name gezien zijn of haar leeftijd of omstandigheden, in aanwezigheid van zijn of haar ouders of wettige voogden".

13. Deze bepaling roept twee vragen op: leent deze bepaling zich voor rechtstreekse toepassing en noopt deze bepaling tot het in acht nemen van een kortere termijn dan de in het kader van art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR door de Hoge Raad gehanteerde termijn van 16 maanden per "aanleg"?

14. Voor rechtstreekse toepassing van art. 40 lid 2 zie ik geen beletsel. De bepaling leent zich daar immers voor omdat de rechter een termijn kan vaststellen binnen welke de zaak moet zijn berecht, wil van berechting "zonder vertraging" sprake zijn, en deze kan sanctioneren. De wijze waarop de rechtspraak met het beroep op overschrijding van de "redelijke termijn" als bedoeld in art. 6 EVRM omgaat laat zien dat de rechter daartoe in staat is en deze termijn kan effectueren door aan overschrijding daarvan sancties te verbinden zoals strafvermindering en - in uitzonderlijke gevallen - niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.(6)

15. Thans de vraag of afdoening binnen zestien maanden nog als afdoening "zonder vertraging" in de zin van art. 40 lid 2 IVRK kan gelden. Ook mijn ambtgenoot Wortel heeft deze vraag onlangs behandeld en wel in zijn conclusie van 9 september 2003 in de zaak [...] (00439/03 J). Hij beantwoordt deze vraag - anders dan ik hierna zal doen - bevestigend.

16. Mijnarends(7) betoogt dat het belangrijkste verschil tussen enerzijds een beslissing "zonder vertraging" als bedoeld in art. 40 lid 2 sub b onder iii IVRK en anderzijds het bepaalde in art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR is dat "vertraging" in het jeugdstrafrecht reeds schending van genoemd art. 40 lid 2 oplevert. Niet noodzakelijk is een excessieve (undue) vertraging of berechting binnen een redelijke termijn. Dit standpunt onderschrijf ik in zoverre dat van een zaak nog wel kan worden gezegd dat deze binnen de redelijke termijn is afgedaan terwijl toch (nodeloze) vertraging is opgetreden. Niet iedere vertraging in de afdoening maakt dat de afdoening niet binnen redelijke termijn is geschied. Het kan immers heel wel zijn dat een zaak nodeloos enkele maanden blijft liggen zonder dat de redelijke termijn daardoor overschreden raakt, bijvoorbeeld omdat desondanks afdoening binnen een jaar gerealiseerd kan worden. Voor het maken van verschil tussen enerzijds afdoening "binnen redelijke termijn/within reasonable time" als vervat in art. 6 EVRM respectievelijk afdoening "zonder onredelijke vertraging/witthout undue delay" als bedoeld in art. 14 IVBPR en anderzijds "zonder vertraging/without delay" (art. 40 lid 2 IVRK) pleit ook dat de verdragssluitende partijen voor de formulering van art. 40 lid 2 in belangrijke mate aansluiting hebben gezocht bij eerstgenoemde bepalingen doch voor de termijn waarbinnen een zaak zou moeten zijn berecht een - ongetwijfeld door de belangen van het kind ingegeven - afwijkende terminologie hebben gevolgd: "zonder vertraging/without delay" in plaats van "binnen een redelijke termijn/within a reasonable time" (art. 6 EVRM) of het daarmee in de rechtspraak van de Hoge Raad corresponderende "zonder onredelijke (mijn cursief; WHV) vertraging/without undue delay" (art. 14 IVBPR). Er moet dus kennelijk aan een kortere termijn worden gedacht.

17. In de literatuur wordt in het kader van de vraag welke termijn in jeugdstrafzaken nog als redelijk in de zin van art. 6 EVRM kan worden aangemerkt, met het oog op de pedagogische bedoeling van het jeugdstrafrecht verdedigd dat een termijn die voor jeugdigen nog als redelijk mag gelden de helft zou moeten zijn van die welke bij volwassenen wordt aanvaard.(8) De duur van deze termijn is ingegeven door de bepaling dat de verjaringstermijn in het jeugdstrafrecht de helft bedraagt van die in het volwassenenstrafrecht (art. 77d lid 1 Sr) en het daarom ook aangewezen zou zijn voor de afdoening binnen redelijke termijn de helft te hanteren van de termijn die daarvoor in het volwassenenstrafrecht wordt gehanteerd.(9)

18. Voor de vraag hoe het begrip "zonder vertraging" binnen de Nederlandse rechtsorde moet worden ingevuld is van belang hoe de wetgever heeft voorzien in een termijn binnen welke een strafzaak moet zijn voltooid. In zijn algemeenheid ontbreekt die termijn. Ten aanzien van verdachten die zich in voorlopige hechtenis bevinden heeft de wetgever de rechter wel aan enige strakke termijnen gebonden. De behandeling van een zaak in eerste aanleg dient plaats te vinden uiterlijk 106 dagen nadat de verdachte in verzekering is gesteld (art. 58, 64 en 66 Sv), de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient aan te vangen 180 dagen na de datum van de eind-uitspraak in eerste aanleg (art. 75, derde lid, Sv). Daarbij moet wel worden aangetekend dat de aanvang van de behandeling nog niet wil zeggen dat de behandeling dan steeds ook in één keer voltooid moet worden. Art. 282 Sv voorziet immers in schorsing van de behandeling in het belang van het onderzoek wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt. De rechter wordt dan wel weer aan strakke termijnen gehouden: één maand, om klemmende redenen ten hoogste drie maanden, zij het dat herhaalde schorsing niet is uitgesloten.

19. Voor de invulling van het begrip "zonder vertraging" is bij uitstek de inrichting van het jeugdstrafrecht van belang. Het strafrecht voor jeugdigen is van toepassing op minderjarigen, die ten tijde van het begaan van het feit twaalf tot achttien jaar oud zijn (art. 77a Sr). Het is dus in beginsel van toepassing gedurende een periode van ten hoogte zes jaar. Dit brengt mee dat een lange termijn van afdoening er reeds spoedig toe kan leiden dat de verdachte op het moment dat hij veroordeeld wordt het jeugdstrafrecht al is ontgroeid. Pleegt iemand op zijn zestiende een misdrijf en wordt hij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep net binnen zestien maanden, dus binnen redelijke termijn zoals deze thans in de rechtspraak wordt verstaan, berecht, dan is hij ten tijde van de berechting in hoger beroep al achttien jaar oud. Zelfs als berechting in eerste aanleg en in hoger beroep in (twee keer) een jaar plaatsvinden zal hij doorgaans achttien jaar zijn en hoewel het jeugdstrafrecht nog op hem van toepassing is, meerderjarig zijn. Nu voorziet de wet in art. 77b Sr(10) wel in de mogelijkheid volwassenenstrafrecht toe te passen in geval de verdachte tijdens het plegen van het feit zestien of zeventien jaar oud was, maar dat verandert de situatie niet. Zeker is daarin geen reden gelegen om niet te streven naar een voortvarende berechting van jeugdigen.

20. Van de termijnen die bij voorlopige hechtenis worden gehanteerd kan worden gezegd dat deze er toe leiden dat zaken waarin een verdachte voorlopig gehecht is, voortvarend worden afgedaan. Bedacht moet immers worden dat deze zaken op relatief zware strafbare feiten betrekking hebben en daarom doorgaans een grote onderzoeksinspanning vergen. Voortvarende afdoening eist art. 40 lid 2 IVRK niet. Tegen de achtergrond van de korte periode in het leven van een verdachte waarin het strafrecht voor jeugdigen van toepassing is zou ik menen dat wil een zaak waarin een jeugdige verdachte niet in voorlopige hechtenis zit "zonder vertraging" in de zin van art. 40 IVRK worden afgedaan, een zaak in beginsel, dat wil zeggen bij gebreke van bijzondere omstandigheden die een langere termijn kunnen rechtvaardigen, binnen negen maanden nadat door de Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaruit de verdachte redelijkerwijs kan opmaken dat hij zal worden vervolgd - in de terminologie van het EHRM: "the official notification given to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal offence" of "other measures which carry the implication of such an allegation and which likewise substantially affect the situation of the suspect"(11) - in eerste aanleg beslist moet zijn, en dat een zelfde periode geldt voor de fasen van hoger beroep en cassatie. Hierin heb ik meegewogen dat de verdachte niet in voorlopige hechtenis zit, dat het daarom doorgaans om relatief eenvoudige zaken zal gaan en dat er in het belang van de jeugdige verdachte naar moet worden gestreefd feiten, begaan tijdens diens minderjarigheid, zoveel mogelijk tijdens diens minderjarigheid en met toepassing van het strafrecht voor minderjarigen af te doen. Dat belang beoogt genoemd art. 40, tweede lid, immers te beschermen. Deze bepaling is er tegen de achtergrond van het Nederlandse strafrecht mede op gericht te voorkomen dat alvorens verdachte wordt berecht zoveel tijd verloopt dat de rechter gezien de leeftijd die de verdachte inmiddels heeft bereikt in de persoon van de dader aanleiding vindt om op grond van het bepaalde in art. 77b Sr recht te doen overeenkomstig het strafrecht voor meerderjarigen.

21. Tot organisatorische problemen behoeft een afdoeningstermijn van negen maanden na een korte periode van aanpassing en gewenning door de feitenrechter niet te leiden. Uiteraard noopt een termijn van negen maanden tot termijnbewaking. Afgezien van de voorrang die aan zaken van strafrechtelijk minderjarigen zal moeten worden gegeven behoeft een termijn van negen maanden evenwel geen aanpassing van betekenis in het traject van vervolging en afdoening mee te brengen. Zelfs als zaken worden geappointeerd op een termijn van drie maanden zijn er immers nog zes maanden om een zaak rond te krijgen. Ik citeer uit de Aanwijzing verbaliseringsbeleid en procesbeschrijving minderjarigen (Aanwijzing i.d.z.v. artikel 130 lid 4 Wet RO van 27 januari 1999, in werking getreden 1 mei 1999):

"(...) van groot belang is dat er op consistente wijze wordt gestraft, dat er in elk geval consequent een reactie op ieder strafbaar feit volgt, en wel binnen korte termijn na het plegen van het feit. (12)

(...)

Doelstellingen

* De beleidsnorm is een afdoening van 75 % van de kinderzaken binnen 6 maanden na het eerste verhoor. Deze doorlooptijd van 6 maanden betreft de deeltrajecten 'opsporing', 'OM-afdoening' en 'afdoening door tussenkomst rechter'.

* Indien als uitgangspunt wordt gekozen dat het eerste verhoor van verdachte onverwijld plaatsvindt na bekend worden van de identiteit van de verdachte, dan is in het merendeel van de zaken 1 maand voldoende om het proces-verbaal op te maken en in te zenden."

22. Is een jeugdzaak niet afgedaan "zonder vertraging" in vorenbedoelde zin, dan zou ik menen dat in beginsel kan worden volstaan met strafvermindering. Slechts in uitzonderlijke gevallen zie ik plaats voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie(13), met dien verstande dat zo'n geval zich eerder zal voordoen dan bij overschrijding van de "redelijke termijn" omdat hier de in acht te nemen termijnen korter zijn.

23. De middelen treffen doel.

24. In het derde middel wordt geklaagd dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd de verzoeken heeft afgewezen tot respectievelijk aanhouding teneinde het aanwezigheidsrecht van verdachte te effectueren en tot het gelasten aan het Openbaar Ministerie dat verdachte (tijdelijk) zou worden overgebracht van zijn plaats van detentie in Spanje naar Nederland.

25. De raadsman heeft terzake het volgende aangevoerd:

"Herhaald verzoek aanhouding zodat cliënt ter terechtzitting aanwezig kan zijn. Op voorhand aan uw Hof toegestuurd copie vonnis uit Spanje, waaruit blijkt dat cliënt is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaren en een flinke geldboete. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Thans is de procedure in gang gezet om cliënt op grond van de WOTS te laten overbrengen naar Nederland.

Het OM had overigens via kleine rechtshulp cliënt tijdelijk kunnen laten overbrengen, zodat cliënt de terechtzitting had kunnen bijwonen. Uit informatie uit Spanje blijkt dat Spanje aan dergelijke verzoeken wel meewerkt. Dit is een veel snellere procedure dan de procedure via de WOTS en het achterliggende verdrag.

Ter zitting van 3 april 2002 heeft uw Hof gesteld dat er geen rechtsregel is, die het OM verplicht de verdachte ter zitting te laten verschijnen. Daarmee ben ik het niet eens. Ik wijs op het volgende.

Op grond van art. 6 EVRM heeft cliënt het recht ter terechtzitting aanwezig te zijn. Niet licht mag worden aangenomen dat cliënt niet ter zitting aanwezig hoeft te zijn teneinde berechting te doen plaatsvinden. Aanwezigheid van een raadsman is in de ogen van het EHRM niet steeds een afdoende middel om de afwezigheid ter terechtzitting te compenseren. Dit geldt met name in ernstige zaken.

(...)

Ik verwijs naar de in T&C in art. 6 EVRM aantekening 16 aangehaalde jurisprudentie en dan met name de uitspraak van Botten 1996 in 1e aanleg vrijgesproken. ln appel vonnis vernietigd en verdachte veroordeeld omdat delictsomschrijving anders werd geinterpreteerd. Hoewel feitenonderzoek door appelinstantie niet meer plaatsvond, toch schending, ook al was raadsman aanwezig en mocht deze verdediging voeren en had verd. niet aangegeven ter terechtzitting aanwezig te willen zijn. Procedure had grote invloed op carriere van verd. Gerecht in hoger beroep heeft de verplichting zich actief op te stellen bij realisering van de aanwezigheidplicht.

Art. 6 EVRM is een instructienorm voor de overheid, waaraan burgers direct rechten aan kunnen ontlenen. Het EHRM heeft in voormeld arrest uitgesproken dat het desbetreffende gerecht de verplichting heeft zich actief op te stellen teneinde het aanwezigheidsrecht te kunnen realiseren. In mijn ogen had u dan ook het OM moeten gelasten zorg te dragen voor tijdelijke overbrenging, zodat berechting bij aanwezigheid van cliënt had kunnen plaatsvinden. Zowel uw Hof als het OM dienen in dit kader te worden beschouwd als deel van de overheid, tot wie art. 6 EVRM zich richt. Volgens mij dienen deze overheidsorganen zich actief op te stellen, teneinde het mogelijk te maken cliënt ter zitting aanwezig te laten zijn.

Cliënt wil graag ter terechtzitting verschijnen om zijn zaak/procedure bij te wonen en eventueel zelf de verdediging te voeren. Als advocaat van een verdachte beschik ik niet over de mogelijkheid al het door de politie geproduceerde onderzoeksmateriaal te beoordelen, zoals cliënt dat wel kan; alleen cliënt weet dat onderzoeksmateriaal en de resultaten van dat onderzoek af te zetten tegen wat er in zijn ogen is voorgevallen.

Daar komt nog bij dat cliënt moet worden beschouwd als een minderjarige verdachte die op grond van Strafvordering verplicht is om te verschijnen.

Op grond van voorgaande handhaaf ik mijn verzoek tot aanhouding van de behandeling van deze zaak, zodat cliënt in de mogelijkheid wordt gesteld deze procedure, zijn procedure, bij te wonen. Behandeling buiten aanwezigheid van cliënt is volgens mij in strijd met art 6 EVRM."

26. Het Hof heeft als volgt gerespondeerd:

"De aanwezigheid van verdachte is van groot belang, ook binnen het jeugdstrafrecht, maar er is geen rechtsregel die bepaalt dat een in het buitenland gedetineerde verdachte in staat gesteld moet worden de behandeling van de tegen hem aanhangige strafzaak bij te wonen.

Nu de raadsman uitdrukkelijk gemachtigd is in deze zaak op te treden de in het buitenland gedetineerde en tot 9 jaar veroordeelde verdachte, en kennelijk ook contact met hem over de onderhavige zaak heeft kunnen onderhouden, acht het hof geen redenen tot aanhouding van de zaak aanwezig, daar de raadsman de belangen van verdachte genoegzaam kan behartigen.

Het verzoek tot aanhouding en persoonlijke verschijning van verdachte tegen een nadere terechtzitting wordt derhalve verworpen."

27. In HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 m.nt. Sch overwoog de Hoge Raad, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

"3.3. Het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht heeft ook uitdrukking gevonden in art. 14, derde lid aanhef en onder d, IVBPR. Doel en strekking van art. 6 EVRM brengen mee dat bedoeld recht moet worden geacht ook besloten te liggen in die verdragsbepaling. In het bijzonder met het oog op de verwezenlijking van dat aanwezigheidsrecht zijn in de rechtspraak van de Hoge Raad voor bepaalde situaties enige aanvullende regels geformuleerd. Toepassing daarvan leidt in de regel tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting teneinde enig verzuim te doen herstellen en/of de verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen op een nadere terechtzitting te verschijnen.

(...)

3.33. Indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in een GBA of wiens feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland of wiens adres in het buitenland bekend is, rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, kan de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht.

Ook indien de dagvaarding van een persoon die geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, overeenkomstig de wettelijke, hiervoor nader uiteengezette regels is betekend, mag de rechter overgaan tot berechting van de zaak. Het recht van de verdachte op berechting in zijn tegenwoordigheid moet dan worden afgewogen tegen het algemeen belang, in het bijzonder het belang van een behoorlijke rechtspleging, waaronder de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn. Dat belang zou immers in het gedrang kunnen komen in gevallen waarin de woon- of verblijfplaats van de verdachte die verstek heeft laten gaan, onbekend is. Daar komt bij dat indien in eerste aanleg de rechter in een dergelijke situatie tot berechting bij verstek is overgegaan, voor de verdachte steeds een rechtsmiddel openstaat, nadat hij van het vonnis in eerste aanleg op de hoogte is gekomen, zodat hij in de gelegenheid is zijn zaak opnieuw te laten beoordelen. Van hem mag dan, indien hij een rechtsmiddel aanwendt, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat een dagvaarding voor die aanleg hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt.

3.34. Het vorenoverwogene lijdt slechts uitzondering wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dan behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn.

Die schorsing behoort in de regel plaats te hebben:

a. in het geval dat op de terechtzitting blijkt dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde is gedetineerd.

b. in het hiervoren onder 3.23 behandelde geval dat de verdachte een postbus heeft.

c. in de hiervoren onder 3.20 sub d en 3.22 sub a behandelde gevallen waarin het adres van de verdachte in het buitenland bekend is, en hetzij blijkt dat bij de toezending van de dagvaarding aan de verdachte de ter zake geldende verdragsverplichtingen niet zijn nageleefd, hetzij het ernstige vermoeden bestaat dat de buitenlandse autoriteit of instantie geen uitvoering heeft gegeven aan het verzoek tot uitreiking van de dagvaarding.

In die gevallen dient het onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst opdat het desbetreffende verzuim wordt hersteld, dan wel de gedetineerde verdachte alsnog in de gelegenheid wordt gesteld op een nadere terechtzitting aanwezig te zijn.

3.35. Wat betreft de behandeling van de zaak in hoger beroep geldt voorts het volgende.

3.36. Vooropgesteld dient te worden dat wanneer door of namens de verdachte appèl is ingesteld - maar overigens ook indien het beroep is ingesteld door de officier van justitie - rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken.

3.37. Daarom mag van degene die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appèldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Dat geldt niet alleen indien de verdachte in hoger beroep is gegaan maar ook wanneer de eerder in de zaak gewezen uitspraak door de Hoge Raad is vernietigd met verwijzing of terugwijzing van de zaak naar de feitenrechter. Tot zodanige maatregel kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman - die uit eigen hoofde een afschrift van de appèldagvaarding ontvangt indien hij zich in hoger beroep heeft gesteld of is toegevoegd - opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt.

(...)

3.39. Ook wanneer door de verdachte hoger beroep is ingesteld in of vanuit de plaats waar hij is gedetineerd, moet rekening worden gehouden met de waarschijnlijkheid dat hij in hoger beroep gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht. In dat geval mag de zaak eerst in behandeling worden genomen nadat is onderzocht of die detentie voortduurt ten tijde van de behandeling van het beroep en deze op enigerlei wijze aan zijn verschijning ter terechtzitting in de weg staat.

Wanneer uit dat onderzoek blijkt dat de verdachte ten tijde van de behandeling van de zaak nog gedetineerd is, moet de behandeling worden geschorst teneinde hem in de gelegenheid te stellen om alsnog bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn, tenzij hij alsnog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

Dat onderzoek kan evenwel achterwege blijven indien bij de betekening van de appèldagvaarding is gebleken dat de verdachte toen niet meer was gedetineerd."

28. Ook in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is herhaaldelijk benadrukt dat het recht van een verdachte om bij de behandeling van zijn strafzaak in persoon aanwezig te zijn een fundamenteel karakter heeft.(14) In een Italiaanse zaak waarin de klager werd verdacht van een gewapende overval, moord en poging tot moord werd klager (F.C.B.) door het Hof van Beroep te Milaan in zijn afwezigheid berecht en veroordeeld. Het EHRM overwoog terzake:

"33. The Court points out firstly that Mr. F.C.B., who was not present at the hearing before the Milan Assize Court of Appeal despite the fact that he was charged with very serious crimes, had not expressed the wish to waive attendance. Moreover, that court had learnt from concurring sources (Mr F.C.B.'s counsel and two co-defendants) that apparently he was in custody in the Netherlands. Yet it did not adjourn the trail, nor dit it investigate further to see whether the applicant had indeed consented to not being present; it merely stated that it had not been provided with proof that he was unable to attend.

It must also be borne in mind that the Dutch authorities had requested the co-operation of the Italian authorities, thereby informing them that the applicant was in prison in the Netherlands, but the Italian authorities did not draw the necessary inferences as regards the proceedings pending against Mr F.C.B. in Milan. That behaviour was scarcely compatible with the diligence which the Contracting States must exercise in order to ensure that the rights guaranteed by Art. 6 are enjoyed in an effective manner (see the Colozza judgment already cited, Series A no. 89, NJ 1986, 685, § 28)."(15)

29. Het in art. 6 EVRM vervatte aanwezigheidsrecht vergt niet steeds dat verdachte de behandeling van zijn zaak in persoon kan bijwonen. Zo overwoog het EHRM in een Oostenrijkse zaak:

"58. The Court recalls that Art. 6 extends to nullity and appeal proceedings such as those involved in the present case. However, the personal attendance of the defendant does not necessarily take on the same significance for an appeal or nullity hearing as it does for a trial hearing (see inter alia the above-mentioned Kamasinski v. Austria judgment, Series A no. 168, p. 44, § 106).

Indeed, even where an appeal court has full jurisdiction to review the case on questions both of fact and of law, Art. 6 does not always require a right to a public hearing and a fortiori a right to be present in person (see inter alia the Fejde v. Sweden judgment of 29 October 1991, Series A no. 212-C, p. 68, § 31).

(...)

63. The Court observes that under Austrian law the Supreme Court in dealing with nullity proceedings is primarily concerned with questions of law that arise in regard to the conduct of the trial and other matters. While the Supreme Court is bound by the findings of fact made by lower courts, it may be required, as in the present case, to examine whether a motion to take evidence has been properly refused by the trial court and whether the excluded facts might have influenced the jury's verdict.

In the Court's view, taking into consideration that the applicant was legally represented, neither para. 1 nor 3 (c) of Art. 6 required his presence at such proceedings. In particular, it notes that the diary sheets in question had been submitted to him before the Supreme Court's hearing and he was able, through his lawyer, to make submissions on them in the course of the hearing. Moreover, it has not been established, as alleged by the applicant, that the Supreme Court took any steps as regards the cheques in question.

It follows that there has been no breach on this point.

(...)

67. The Court observes that the Supreme Court was called upon in the appeal proceedings to examine whether the applicant's sentence should be increased from twenty years to life imprisonment and whether the sentence should be served in a normal prison instead of a special institution for mentally deranged offenders. In the event, the Supreme Court answered both questions in the affirmative. Unlike the jury which had been unable to establish a motive for the offence, it also found that the applicant had carried out the murder to cover up his own "financial misdeeds".

These proceedings were thus of crucial importance for the applicant and involved not only an assessment of his character and state of mind at the time of the offence but also his motive. In circumstances such as those of the present case, where evaluations of this kind were to play such a significant role and where their outcome could be of major detriment to him, it was essential to the fairness of the proceedings that he be present during the hearing of the appeals and afforded the opportunity to participate in it together with his counsel.

68. It is true that, for reasons which remain unclear, the applicant failed to make a request in his appeal or counter-statement to attend the hearing. However, Section 296 § 3 also provides that in the absence of a request he should be brought before the Court "if his personal presence appears necessary in the interest of justice".

The Court considers that, given the gravity of what was at stake for the applicant, he ought to have been able "to defend himself in person" as required by Art. 6 § 3 (c) and that the State was under a positive duty, notwithstanding his failure to make a request, to ensure his presence in court in such circumstances."(16)

30. In zijn noot onder deze uitspraak merkt Knigge terecht op dat bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een verdachte het recht heeft om bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep en in cassatie aanwezig te zijn in de Straatsburgse rechtspraak diverse factoren een rol spelen. Daaronder vallen de aard van de tegen het vonnis in eerste aanleg aangevoerde bezwaren en de belangen die voor de verdachte op het spel staan. Wanneer die belangen groot zijn en van dien aard dat deze door verdachtes aanwezigheid kunnen worden gediend, mag van de overheid een substantiële inspanning - in de bewoordingen van het EHRM: "positive duty" - worden verwacht om de aanwezigheid van de verdachte te bewerkstelligen. Niettemin kan het zijn dat een verdachte zijn belangen bij afwezigheid in voldoende mate kan laten behartigen door een advocaat. Relevant in dit verband is, naast de hiervoor genoemde uitspraak in de Oostenrijkse zaak, een uitspraak van het EHRM in een Poolse zaak:

"37. (...)(ii) A person charged with a criminal offence should, as a general principle based on the notion of a fair trial, be entitled to be present at the first-instance trial hearing. However, the personal attendance of the defendant does not necessarily take on the same significance for an appeal hearing. Indeed, even where an appellate court has full jurisdiction to review the case on questions both of fact and law, Article 6 does not always entail rights to a public hearing and to be present in person. Regard must be had in assessing this question to, inter alia, the special features of the proceedings involved and the manner in which the defence's interests are presented and protected before the appellate court, particularly in the light of the issues to be decided by it and their importance for the appellant (see, inter alia, the above-mentioned Ekbatani judgment, p. 12, § 25; the Helmers v. Swedenjudgment of 29 October 1991, Series A no. 212-A, p. 15, § 31- 32; and the Kremzow v. Austria judgment of 21 September 1993, Series A no. 268-B, p. 43, § 58-59)."(17)

31. In een Nederlandse strafzaak waarin de verdachte tengevolge van zijn detentie in Engeland niet ter terechtzitting kon verschijnen en er geen enkel uitzicht bestond op welke termijn de verdachte zou kunnen verschijnen, oordeelde het Gerechtshof dat het belang van een behoorlijke strafvordering - welke omvat een afdoening van de zaak binnen een afzienbare termijn - ernstig in het gedrang zou komen indien het onderzoek ter terechtzitting wederom zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden, waaronder dat het Hof de raadsman in de gelegenheid heeft gesteld de verdediging te voeren, zwaarder woog dan dat van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Dat oordeel kon volgens de Hoge Raad de toets aan art. 6 EVRM doorstaan.(18) Daarbij lijkt betekenis toe te komen aan de omstandigheid dat het Gerechtshof in die zaak de behandeling had aangehouden mede om de raadsman in de gelegenheid te stellen zijn cliënt te vragen of deze bij de behandeling van zijn zaak aanwezig wilde zijn, terwijl op de nadere terechtzitting niet bleek dat de verdachte persoonlijk aanwezig wenste te zijn en bovendien de raadsman op zijn daartoe strekkend verzoek het woord heeft mogen voeren. Dusdoende had het Gerechtshof in de ogen van de Hoge Raad kennelijk de eerder weergegeven inspanningsverplichting vervuld.

32. In de onderhavige zaak heeft het Hof met zijn hierboven weergegeven overwegingen klaarblijkelijk als zijn oordeel tot uitdrukking willen brengen dat de gemachtigde raadsman de belangen van verdachte voldoende kon behartigen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is evenwel niet inzichtelijk of het Hof de door het EHRM vereiste inspanning heeft verricht om te onderzoeken of verdachte, ondanks zijn detentie in Spanje, niet toch ter zitting aanwezig kon zijn, althans of de behandeling van het hoger beroep met het oog op een dergelijk onderzoek zou moeten worden aangehouden. Dit staat op gespannen voet met het feit dat verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken van het - betrekkelijk ernstige - feit waarop het hoger beroep betrekking had. In die zin stond er voor verdachte in hoger beroep immers veel - kennelijk een veroordeling wegens afpersing, en wel tot zes maanden gevangenisstraf - op het spel. Daar komt bij dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2002 gemotiveerd heeft aangevoerd dat verdachte, beter dan de raadsman, in staat was het door de politie geproduceerde onderzoeksmateriaal op zijn merites te beoordelen. Gezien de vraag waar het in hoger beroep om draaide, vertoont de onderhavige zaak dan ook belangrijke overeenkomsten(19) met EHRM 26 mei 1988, NJ 1991, 798 (Ekbatani), waarin het EHRM schending van het aanwezigheidsrecht aannam. Het EHRM overwoog:

"32. Here, the Court of Appeal was called upon to examine the case as to the facts and the law. In particular, it had to make a full assessment of the question of the applicant's guilt or innocence. The only limitation on its jurisdiction was that it did not have the power to increase the sentence imposed by the City Court. However, the above-mentioned question was the main issue for determination also before the Court of Appeal. In the circumstances of the present case that question could not, as a matter of fair trial, have been properly determined without a direct assessment of the evidence given in person by the applicant - who claimed that he had not committed the act alleged to constitute the criminal offence) - and by the complainant. Accordingly, the Court of Appeal's re-examination of Mr. Ekbatani's conviction at first instance ought to have comprised a full rehearing of the applicant and the complainant. The limitations on the Court of Appeal's powers as a result of the prohibition of reformatio in pejus related only to sentencing. They cannot be considered to be relevant to the principal issue before the Court of Appeal, namely the question of guilt or innocence. Neither can the fact that the case-file was available to the public.

33. Having regard to the entirety of the proceedings before the Swedish courts, to the role of the Court of Appeal, and to the nature of the issue submitted to it, the Court reaches the conclusion that there were no special features to justify a denial of a public hearing and of the applicant's right to be heard in person. Accordingly, there has been a violation of Art. 6 par. 1."

33. Een en ander brengt mee, dat de afwijzing van het verzoek tot aanhouding c.a. onvoldoende met redenen is omkleed.

34. Het middel slaagt.

35. Het vierde middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat de aanhouding van verdachte door de politie op 21 juni 2000 rechtmatig is geweest, althans dat die beslissing onvoldoende gemotiveerd is.

36. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2002 gehechte pleitnota heeft de raadsman aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

"Verbalisanten zijn binnengetreden ter aanhouding van cliënt op onrechtmatige wijze: immers machtiging binnentreden is geheel niet ingevuld: er is niemand gemachtigd tot binnentreden. Aanhouding en -daarmee- detentie dient derhalve als onrechtmatig te worden beoordeeld en derhalve dienen resultaten van verhoor/ onderzoek na aanhouding van gebruik te worden uitgesloten."

37. Het Hof heeft terzake het volgende overwogen:

"De bedoelde machtiging tot binnentreden in de woning van verdachte d.d. 20 juni 2000, afgegeven door de inspecteur van de Regiopolitie Flevoland G.W. van 't Ende, tevens hulpofficier van justitie, strekt ertoe dat verdachte in zijn woning zou kunnen worden aangehouden.

De machtiging vermeldt niet wie tot aanhouding van verdachte was gemachtigd.

Uit het proces-verbaal van aanhouding van verdachte (nr. 2000026748-15) blijkt dat L.F. Tan, hoofdagent van politie, dienstdoende bij de politie Flevoland, verdachte op 20 juni 2000 (ik lees: 21 juni 2000; WHV) heeft aangehouden en dat de reden hiervan was dat de aanhouding en voorgeleiding van verdachte was bevolen.

Uit het bevel tot inverzekeringstelling d.d. 21 juni 2000 van verdachte blijkt dat verdachte op 20 juni 2000 is geleid voor de inspecteur van de Regiopolitie Flevoland G.W. van 't Ende, tevens hulpofficier van justitie.

Hieruit leidt het hof af dat de verbalisant L.F. Tan door de hulpofficier van justitie G.W. van 't Ende was gemachtigd in de woning van verdachte binnen te treden en verdachte aan te houden.

38. De onderhavige zaak vertoont frappante gelijkenis met de zaak die ten grondslag lag aan HR 16 maart 1999, NJ 1999, 387. Voor beide zaken geldt dat de machtiging tot binnentreden ter aanhouding van verdachte is afgegeven door een hulpofficier van justitie verbonden aan de politie Flevoland en dat verdachte op bevel van de Officier van Justitie is aangehouden door een politiebeambte van de politie Flevoland. In de zaak die aan genoemd arrest ten grondslag lag overwoog de Hoge Raad onder verwijzing naar de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse:

"Dat is verzuimd op de machtiging tot binnentreden de namen van de aanhoudende verbalisant te vermelden wil niet zeggen dat hij niet gemachtigd was binnen te treden. Het proces-verbaal van aanhouding relateert dat de aanhouding is geschied op bevel van de officier van justitie. Niet kan blijken dat verzoeker van de binnentredende verbalisant opheldering wilde of bezwaar heeft gemaakt tegen het binnentreden door de politie. Er zijn ook geen aanwijzingen dat de verbalisant heeft besloten op eigen houtje, zonder daartoe gemachtigd te zijn, de woning waarin verzoeker verbleef te betreden om verzoeker aan te houden. Evenmin is in de pleitnota gesteld welk belang van verzoeker in concreto is geschaad doordat de binnentredende verbalisant niet in de machtiging is genoemd."

Dit bracht de Hoge Raad tot het oordeel dat het middel niet tot cassatie kon leiden.

39. Het hof heeft in de onderhavige zaak vastgesteld dat de machtiging tot binnentreden was afgegeven aan de hoofdagent Tan, die verdachte ook daadwerkelijk heeft aangehouden. Die vaststelling is niet onbegrijpelijk en leent zich als verweven met oordelen van feitelijke aard niet voor verdere toetsing in cassatie. In het licht van de feitelijke vaststelling van het hof en van hetgeen is overwogen in laatstgenoemd arrest kan het middel niet tot cassatie leiden.

40. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

41. Het vijfde middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan - kort gezegd - afpersing in vereniging, terwijl niet is voldaan aan het in art. 341 lid 4 Sv gestelde bewijsminimum. Blijkens de toelichting hangt dit middel samen met het vierde middel in die zin dat wanneer de aanhouding van verdachte onrechtmatig zou zijn geoordeeld, diens verklaringen niet zouden mogen meewerken tot het bewijs.

42. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 02 juni 2000 in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [het slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer fl. 21.000,--, toebehorende aan het bedrijf [A], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat een van zijn mededaders een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gepakt en vervolgens een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft doorgeladen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op de keel van die [slachtoffer] en die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd "Geef me je geld, geef me je geld"."

43. Daartoe heeft het Hof de volgende bewijsmiddelen gebruikt:

- een proces-verbaal, inhoudende als verklaring van [het slachtoffer]:

"Ik ben werkzaam als chauffeur bij [A]. Vandaag, 2 juni 2000, heb ik tegen de bijrijder gezegd dat we geld zouden storten bij de Albert Heijn op het Botplein te Almere. De bijrijder, [verdachte], werkt pas sinds een paar dagen bij ons. Vandaag was de tweede keer dat hij met me meereed.

Ik heb daarna niemand meer gesproken. De bijrijder heeft daarna nog wel telefonisch contact gehad met iemand. Ik kon het niet verstaan. Het was met zijn privé telefoon.

Toen we daar in Almere aangereden kwamen om ongeveer 17.20 uur, heb ik de auto ongeveer 5 meter vanaf de ingang geparkeerd. [Verdachte] vroeg of het goed was dat hij wat snoep ging halen. Ik zei dat dat geen probleem was en stapte met hem uit de auto.

Terwijl ik het portier op slot aan het doen was, zag ik een donkere jongen die mij voorbij liep. Ik zag dat de jongen zich omdraaide en met zijn rechterhand een beweging naar mij maakte. Ik zag dat hij in zijn rechterhand een zwart pistool had. Ik zag dat hij het pistool doorlaadde. Ik hoorde een klik-klik geluid. Ik zag dat hij dit pistool aan de linkerzijde op mijn keel zette. Hij zei:

'Geef me je geld, geef me je geld'. Ik heb hem vervolgens het geld gegeven. Het totaal bedrag zal ongeveer f 21.000,- zijn. Terwijl de daders wegreden, kwam [verdachte] terug en vroeg wat er aan de hand was."

- een proces-verbaal, inhoudende als verklaring van verdachte:

"Ik ben in loondienst bij [A], gevestigd aan de [b-straat] te [...] in [...]. Ik ben deze week begonnen als bijrijder in het bedrijf. Ik ben vandaag vrijdag 2 juni 2000 te 08:00 uur begonnen op het bedrijf. Ik mocht vandaag weer met [betrokkene 2] mee. Gedurende de werkdag tegen het einde van de dag bij een van de laatste klanten bij de Europalaan, kwam het afstorten van geld ter sprake. Ik vroeg [betrokkene 2] of hij in Amsterdam of in Almere ging afstorten. [Betrokkene 2] gaf aan in Almere af te storten."

- een proces-verbaal, inhoudende als verklaring van verdachte:

"U heeft mij geconfronteerd met de printergegevens die horen bij mijn telefoon met het BEN-abonnement. Aan de hand van deze gegevens is te zien dat ik met mijn telefoon diverse malen en tevens rond het tijdstip van de overval belde en sms-berichten verstuurde naar het nummer van [medeverdachte 1].

U kunt daar wel uit opmaken dat ik steeds tips heb gegeven. Ik zei steeds tijdens de rit waar we ons bevonden. [Betrokkene 2] (de chauffeur) heeft niet geweten dat ik met [medeverdachte 1] belde. Ik wist vantevoren wat er ging gebeuren.

[Medeverdachte 1] vroeg mij hier naar, een paar dagen vóór de overval. Ik vertelde hem dat er geld werd afgestort bij banken. Ik vertelde ook dat het om aanzienlijke bedragen ging.

Toen ik het [medeverdachte 1] vertelde dacht ik dat we zouden gaan afstorten bij de bank op het Botplein. [Betrokkene 2] had namelijk al een keer in mijn bijzijn geld afgestort bij het postkantoor op het Botplein.

Vlak bij het Botplein zag ik iets zwarts aankomen, ik bedoel donkere helmen en een scooter. Ik dacht toen, daar gaat het gebeuren. Hier wil ik niet bij zijn. Ik ben vervolgens naar de bakker gegaan."

- een proces-verbaal, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2]:

"Op de dag van de overval vroeg [medeverdachte 1] mij mee te doen aan een overval. [Medeverdachte 1] zei dat hij mijn brommer nodig had en zei toen tegen mij 'kom mee'.

U vraagt mij of ik gezien heb of [medeverdachte 1] een pistool bij zich had. Dat heb ik wel gezien. Het was een zwartkleurig plastic wapen.

Ik weet nog dat [medeverdachte 1] ging bellen met [verdachte]. Toen [medeverdachte 1] belde met [verdachte] duurde het nog even. Ik bedoel daarmee een uurtje of halfuurtje vóór de overval. Zoals ik zei zaten we eerst bij het houten bankje bij het Weerwater. Op een gegeven moment zijn we naar het plein gegaan waar de overval gebeurde.

Toen de vrachtwagen voorbij de brug kwam, waar wij stonden te wachten, reed [medeverdachte 1] achter de vrachtwagen aan. Ik zat achterop de brommer bij [medeverdachte 1]. De vrachtwagen stopte op het plein. [Medeverdachte 1] stopte met de brommer achter de vrachtwagen en stapte af. Ik moest op hem wachten tot na de overval en dan moest ik hem weer meenemen.

Op een gegeven moment reed ik langs de linkerkant van de vrachtwagen. Ik zag dat [medeverdachte 1] daar bij een man stond. Ik zag dat [medeverdachte 1] de man met het pistool bedreigde. Het pistool was op de man gericht, onder zijn gezicht. Ik zag dat de man geld aan [medeverdachte 1] gaf.

Op een gegeven moment sprong [medeverdachte 1] achterop de bromfiets bij mij. Dat was toen de man het geld had gegeven aan hem. Hij zei tegen mij: "rij,rij"."

- een proces-verbaal, inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik ben eigenaar van [A] te [...]. Vandaag is een overval gepleegd op een van onze chauffeurs. Dit was gebeurd bij de Albert Heijn bij het Botplein. ik ben vervolgens naar het Botplein toegegaan en hoorde dat ongeveer de gehele dagopbrengst tijdens de overval weggenomen was. Dit is een bedrag van ongeveer fl 21.000,-.

Ik doe hierbij namens het bedrijf aangifte. Ik heb aan niemand het recht of de toestemming gegeven om het geld, dat geheel eigendom is van het bedrijf, weg te nemen met het oogmerk om zich dit wederrechtelijk toe te eigenen."

- een proces-verbaal, inhoudende als relaas van verbalisant:

"Op dinsdag 25 juli 2000 te 05.45 uur werd de verdachte [medeverdachte 1] aangehouden in zijn woning, perceel [a-straat 1] te [woonplaats]. Vervolgens vond een doorzoeking plaats onder leiding van de Rechter-Commissaris te Lelystad, mr. J.M. van Wegen. Bij deze doorzoeking werd een vuurwapen, een pistool, zwart van kleur, aangetroffen. Het betrof hier een vuurwapen van kunststof doch gelijkend op een echt vuurwapen. De slede van dit kunststof pistool kan naar achteren worden gehaald zodat de hamer zich spant. Het pistool is voor bedreiging of afdreiging geschikt."

44. Anders dan het middel wil, heeft het Hof de bewezenverklaring zonder miskenning van het bepaalde in art. 341 lid 4 Sv uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden. Daarbij kan in aanmerking worden genomen dat, naar hiervoor ten aanzien van het vierde middel is geconcludeerd, 's Hofs oordeel dat de aanhouding van verdachte rechtmatig is geschied geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De nadien door verdachte afgelegde verklaringen mochten aldus worden gebruikt voor het bewijs. Voorts heeft - anders dan kennelijk aan het middel ten grondslag ligt - het bepaalde in art. 341 lid 4 Sv betrekking op het bewijs van het gehele tenlastegelegde.(20) Deze bepaling staat er niet aan in de weg dat onderdelen van het tenlastegelegde bewezen worden verklaard op basis van uitsluitend de verklaring van de verdachte.

45. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

46. Het zesde middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als medeplegen van afpersing en niet als medeplichtigheid aan afpersing.

47. Hoewel het middel zich lijkt te keren tegen de door het hof aan het bewezenverklaarde gegeven kwalificatie, moet het middel blijkens de toelichting aldus worden verstaan dat het zich richt tegen het bewijs van het bewezenverklaarde medeplegen.

48. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen". Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat bij verdachte het opzet heeft voorgezeten om tezamen en in vereniging met anderen de delictsomschrijving van art. 317 Sr te vervullen ten aanzien van [het slachtoffer].

49. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte zich in nauwe, volledige en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan afpersing van [het slachtoffer]. De bewijsmiddelen, gelezen in onderling verband en samenhang, houden immers in dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en verdachte [het slachtoffer] doelbewust in een benarde situatie hebben gedreven teneinde hem vervolgens geld te kunnen afpersen. Dat verdachte ten tijde van de fysieke bedreiging met geweld even niet ter plaatse was, kan daaraan niet afdoen.(21) 's Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoeft geen nadere motivering.

50. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

51. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 16 februari 1993, NJ 1993, 604 m.nt. ThWvV en HR 17 oktober 1995, nr. 100.699, LJN ZD0251.

2 Vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. dH, rov. 3.23. onder b.

3 Voor Nederland in werking getreden op 8 maart 1995.

4 Zie over dit verdrag in het algemeen o.a. Eugeen Verhellen, Verdrag inzake de rechten van het kind, derde druk, 1997 en J.E. Doek, De ratificatie van het verdrag voor de rechten van het kind, NJCM-bulletin 20-1 1995, blz. 10-21.

5 Nederland heeft een voorbehoud gemaakt ten aanzien van art.40 in geval van "minor offences"; omdat we hier niet te maken hebben met een "minor offence" is dat voorbehoud in de onderhavige zaak niet van toepassing.

6 Ook de wetgever lijkt uit te gaan van directe werking: vgl. Kamerstukken II, 1991-1992, 21 327, nr. 6, p. 24 en Kamerstukken II, 1991-1992, 21 327, nr. 10, p. 6 en 10, alsmede Kamerstukken II, 1992-1993, 22 855, nr. 3, blz. 9, waar bij wijze van voorbeeld onder meer art. 40 lid 2 IVRK wordt genoemd als bepaling waarvan de wetgever rechtstreekse werking mogelijk acht. Zie daarover J.E. Doek, NJCM-bulletin 20-1 1995, blz. 14-15. Zie in het algemeen voor de vraag wanneer verdragsbepalingen directe werking hebben P.W.C. Akkermans e.a., Grondrechten, tweede druk, 1993, p. 13-14 en 47-48; M.C. Burkens e.a., Beginselen van de democratische rechtsstaat, vierde druk, 1997, p. 310-316 en A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet, derde druk, 2000, p. 465-478. Hof Den Haag 24 april 1997, NJ 1997, 477 neemt rechtstreekse werking aan van art. 40 lid 1 IVRK.

7 E.M. Mijnarends, Richtlijnen voor een verdragsconforme jeugdstrafrechtspleging, 'gelijkwaardig maar minderjarig', diss. Leiden, 1999, p. 235.

8 J.E. Doek, P. Vlaardingerbroek, Jeugdrecht en jeugdhulpverleningsrecht, vierde herziene druk, 2001, p. 426-427. Zie ook M.J.C. Koens, G. de Jonge, Het nieuwe strafrecht en strafprocesrecht voor jeugdigen, 1995, p. 113-114 en J.A.C. Bartels, Jeugdstrafrecht, derde druk, 2003, p. 128. Voorts de Commissie Jeugdcriminaliteit, Aanpak jeugdcriminaliteit, 1994, p. 33.

9 Zie voor kritiek op dit standpunt de conclusie van de Advocaat-Generaal Mok bij HR 12 oktober 1982, NJ 1983, 371.

10 Toepassing van het volwassenenstrafrecht op zestien- tot achttienjarigen is reeds ingevoegd bij de Wet van 9 februari 1901, Stb. 63 (art. 39 septies Sr). Bij de jongste substantiële wijziging van het jeugdstrafrecht in 1995 heeft de wetgever vastgehouden aan de bijzondere regeling ten aanzien van deze leeftijdscategorie.

11 O.a. EHRM 27 februari 1980, Publ. ECHR Series A Vol. 35, NJ 1980, 561 (Deweer).

12 Zo ook het Advies aanpak jeugdcriminaliteit (commissie Montfrans), blz. 12 en 33.

13 Hof Den Haag 24 april 1997, NJ 1997, 477 zag in art. 40 IVRK zelfs reden de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep. Het zal duidelijk zijn dat ik een dergelijke gevolgtrekking hier niet op het oog heb.

14 Zie o.a. EHRM 17 juni 1986, NJ 1986, 685 (Colozza) en EHRM 23 februari 1999, NJB 1999, p. 822-823, nr. 14 (De Groot).

15 EHRM 28 augustus 1991, NJ 1994, 27 m.nt. EAA (F.C.B.).

16 EHRM 21 september 1993, NJ 1994, 359 m.nt. Kn (Kremzow).

17 EHRM 25 maart 1998, nr. 45/1997/829/1035 (Belziuk). Zie ook EHRM 19 februari 1996, nr. 16206/90 (Botten).

18 HR 12 juni 1990, NJ 1990, 834 m.nt. ThWvV.

19 Met dien verstande dat in die zaak slechts een geldboete op het spel stond van 600 Zweedse kronen.

20 O.a.HR 15 juni 1976, NJ 1976, 551, m.nt. ThWvV. Zie voorts G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, vierde druk, 2002, blz. 627.

21 Zo ook in HR 17 november 1981, NJ 1983, 84 m.nt. ThWvV. Zie ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, tweede druk 2003, p. 448-454.