Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AL8469

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2003
Datum publicatie
19-12-2003
Zaaknummer
C02/249HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AL8469
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

19 december 2003 Eerste Kamer Nr. C02/249HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: aanvankelijk mr. R.G.E. de Vries, thans mr. J.G. Pherai, t e g e n 1. AEGON SCHADEVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer, 2. [Verweerster 2], gevestigd te [vestigingsplaats], 3. [Verweerder 3], wonende te [woonplaats], en 4. [Verweerder 4], wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. R.V. Kist. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 697
JWB 2003/493
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer C02/249HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 31 oktober 2003

Conclusie inzake

[Eiser]

eiser tot cassatie

tegen

de naamloze vennootschap Aegon Schadeverzekeringen N.V.,

[Verweerster 2],

[Verweerder 3]

en

[Verweerder 4],

verweerders in cassatie.

Feiten en procesverloop

1) De in cassatie tot uitgangspunt te nemen feiten zijn gedeeltelijk vastgesteld in de rov. 1.1 - 1.5 van het in eerste aanleg op 13 december 1995 gewezen vonnis, waarnaar het hof in zijn interlocutoir arrest van 20 april 1999 verwijst. Zij komen, kort samengevat, hier op neer:

- de eiser tot cassatie, [eiser], heeft in 1992 via de tweede verweerder in cassatie, [verweerster 2], bij de eerste verweerder in cassatie, Aegon, een verzekering gesloten betreffende een auto, o.a. tegen het risico van diefstalschade;

- de rechten op schade-uitkeringen onder de verzekeringsovereenkomst zijn bij (cessie)akte van oktober 1992 overgedragen aan de leasemaatschappij VDL. Deze cessie is in april 1993 aan Aegon meegedeeld;

- In mei 1993 is aangifte gedaan van diefstal van de verzekerde auto. VDL heeft [eiser] aangesproken tot betaling van resterende huurkooptermijnen m.b.t. de auto, en [eiser], die tegen deze vordering geen verweer heeft gevoerd, is in februari 1995 veroordeeld om uit dien hoofde f 22.884,80 aan VDL te betalen.

2) Uit het dossier blijkt verder dat [eiser] Aegon en [verweerster 2] en haar beide vennoten heeft aangesproken. Van Aegon vorderde [eiser] uitkering van de schade als gevolg van de diefstal van de verzekerde auto, en van [verweerder] c.s. schadevergoeding uit hoofde van het feit, kort gezegd, dat [verweerster 2] tekort zou zijn geschoten in haar verplichtingen als assurantietussenpersoon.

Deze vorderingen zijn in eerste aanleg afgewezen. De afwijzing m.b.t. Aegon berustte op de overweging dat de aanspraken op schadepenningen aan VDL waren gecedeerd, zodat [eiser] die aanspraken niet (meer) geldend kon maken, en op de overweging dat [eiser] geen door de verzekeringsovereenkomst gedekt belang had, omdat de gestolen auto niet aan hem, [eiser], toebehoorde, maar aan zijn zoon [betrokkene 1](1). De afwijzing ten opzichte van [verweerder] c.s. berust o.a. op de overweging dat ook wanneer [verweerster 2] bepaalde mededelingen die volgens [eiser] c.s. ten onrechte achterwege waren gebleven, wèl aan Aegon zou hebben gedaan, onverminderd zou (blijven) gelden dat er wegens gebrek aan verzekerd belang geen aanspraak aan de verzekeringsovereenkomst kon worden ontleend.

3) In appel bestreed [eiser] de zojuist in vogelvlucht weergegeven oordelen van de rechter in eerste aanleg. Het hof overwoog in een tussenarrest van 20 april 1999 dat de overweging van de rechtbank met betrekking tot de cessie aan VDL inhoudelijk juist was, zodat toewijzing van de vorderingen jegens Aegon (al daarom) niet mogelijk was. In het eindarrest van 7 mei 2002 kwam het hof tot het oordeel dat ook de hiervóór weergegeven bevindingen van de rechtbank met betrekking tot [verweerder] c.s. juist waren. Daarbij ging het hof voorbij aan het aanbod van [eiser] om te bewijzen dat hij, [eiser], de gestolen auto voornamelijk tot duurzaam gebruik onder zich had en dat [betrokkene 1] de auto veelal in de weekends gebruikte. Die feiten zouden, als zij kwamen vast te staan, er niet aan afdoen dat het verzekerbare (eigenaars)belang bij de auto uitsluitend bij [betrokkene 1] berustte(2).

4) Namens [eiser] is tijdig cassatieberoep ingesteld. Aegon en [verweerder] c.s. hebben ieder tot verwerping van het cassatieberoep laten concluderen, en ieder hun standpunten schriftelijk laten toelichten - van de kant van [eiser] is nadere (schriftelijke) toelichting achterwege gebleven.

Namens [eiser] is ook geen arrest gevraagd (en niet gefourneerd). De verweerders hebben dat echter wèl gedaan. Het eerste - het stilzitten aan de kant van [eiser] - is geen beletsel voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep; en het tweede - namelijk de opstelling van de verweerders - betekent dat daarop thans wel beslist behoort te worden.

Bespreking van het cassatiemiddel

5) De eerste klacht van het middel, te vinden in alinea's 1 en 2 van de cassatiedagvaarding, houdt in - in mijn parafrase - dat de cessie van de aanspraken uit de verzekering aan VDL niet aan toewijzing van de vorderingen van [eiser] tegen Aegon in de weg stond, en wel met het oog op "de verbintenisrechtelijke gevolgen" tussen [eiser] en VDL. Daarmee bedoelt de klacht - zo begrijp ik het - dat VDL [eiser] ook aansprakelijk houdt voor de onbetaald gebleven termijnen uit de huurkoopovereenkomst met betrekking tot de gestolen auto. Dat zou - nog steeds in mijn lezing van de klacht - meebrengen dat VDL niet tegelijk te goeder trouw beroep zou kunnen doen op de cessie van de rechten uit de verzekeringsovereenkomst; en althans zou gelden dat een aan [eiser] gedane uitkering van de schade "middels [eiser]" aan VDL zou worden betaald. Het ene of het andere argument, of beide tezamen, zou(den) dan meebrengen dat ook Aegon zich niet "rechtsgeldig" op de plaatsgevonden cessie zou kunnen beroepen.

6) Deze klacht lijkt mij ongegrond. Of er in de rechtsverhouding tussen [eiser] en VDL argumenten bestonden die ertoe kunnen leiden dat VDL zich niet langer op de plaatsgevonden cessie zou mogen beroepen, kon in het onderhavige geding, waarin VDL geen partij was en waarin omtrent de verhouding tussen [eiser] en VDL slechts een minimum aan informatie voorhanden was, niet (of hoogstens uiterst marginaal) worden beoordeeld. Wat daarover gesteld was lijkt mij volstrekt onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat Aegon, die bij de rechtsverhouding tussen [eiser] en VDL geen partij was, zich niet op de rechtsgevolgen van de cessie zou mogen beroepen. Het oordeel van het hof dat de cessie aan verdere beoordeling van de vordering van [eiser] tegen Aegon in de weg stond, is daarom niet rechtens onjuist, en wel bij uitstek begrijpelijk(3).

7) Voorzover de tweede klacht van het middel, kenbaar uit alinea's 3 en 4 van de cassatiedagvaarding, ook betrekking heeft op de vordering van [eiser] tegen Aegon, faalt die klacht al daarom, omdat het oordeel over de cessie dat met de eerste klacht tevergeefs wordt bestreden, de beslissing dat de vordering tegen Aegon moet worden afgewezen al zelfstandig draagt.

Ofschoon het hof dat niet in de beoordeling heeft betrokken, zou ik denken dat voor de vordering tegen [verweerder] c.s. hetzelfde geldt: omdat [eiser] vanwege de cessie geen rechten aan de verzekeringsovereenkomst kan ontlenen, ontvalt ook de grondslag aan de vordering tegen [verweerder] c.s. Die vordering berust immers op de stelling dat de verzekeringsuitkering [eiser] wegens door [verweerder] c.s. gemaakte fouten is ontgaan; en die vordering kan niet slagen als [eiser] al uit anderen hoofde geen reëel vorderingsrecht uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst bezit.

8) Ik ga aan het aan het slot van alinea 7 opgemerkte verder voorbij, en bespreek de verdere klachten van het middel, beginnend met de tweede klacht (cassatiedagvaarding, alinea's 3 en 4), voorzover betrekking hebbend op [verweerder] c.s.:

die klacht bestrijdt het oordeel van het hof dat er bij [eiser] geen verzekerbaar belang bestond, omdat niet hij eigenaar van de verzekerde auto was, maar zijn zoon. Daarbij ga ik voorbij aan de stelling, in alinea 4 van de cassatiedagvaarding "dat [eiser] het gezamenlijk eigendom ...van het voertuig met zijn zoon deelde". Het hof heeft in rov. 6 van het eindarrest op alleszins plausibele gronden vastgesteld dat dat niet zo was; en het middel voert tegen die vaststelling niets steekhoudends aan (afgezien van de in alinea 4 opgenomen en niet nader toegelichte (loutere) bewering, dat het in werkelijkheid anders zou zijn; en behoudens het in alinea's 14 e.v. hierna te besprekene met betrekking tot de derde klacht van het middel).

9) Bij de beoordeling van het restant van (de argumenten uit) deze klacht is het goed, zich een beeld te vormen van wat, in het kader van een schadeverzekeringsovereenkomst, wordt bedoeld met het (verzekerde of verzekerbare) "belang".

De meerderheidsopvatting in de literatuur vat ik aldus samen, dat ieder vermogensrechtelijk nadeel dat een verzekerde in relatie tot een verzekerd voorval kan lijden, een verzekerbaar belang kan opleveren(4). Wat in concreto het belang is dat door een bepaalde verzekering gedekt wordt, moet echter worden vastgesteld door uitleg van de verzekeringsovereenkomst in kwestie(5). Bij verzekeringen die op een bepaalde zaak betrekking hebben, wordt vaak tot uitgangspunt genomen dat de verzekering in elk geval het belang van de eigenaar, en daarnaast eventueel het belang van andere goederenrechtelijk gerechtigden en/of van degeen die voor het betreffende object risico draagt(6), beoogt te dekken; dit is echter slechts een vuistregel - wat de overeenkomst beoogt, moet door uitleg worden vastgesteld(7).

10) In de thans te beoordelen zaak hebben de partijen aan de uitleg van de verzekeringsovereenkomst expliciet nauwelijks aandacht besteed, zodat te begrijpen is dat ook de tot oordelen geroepen rechters dat niet hebben gedaan. Dat is ook daarom niet verbazend, omdat van de kant van [eiser] effectief geen belang naar voren is gebracht dat onder een verdedigbare uitleg van de verzekeringsovereenkomst als verzekerd/verzekerbaar belang in aanmerking zou (kunnen) komen (daarbij moet ik een uitzondering maken voor het wèl door [eiser] gestelde belang dat hij als mede-eigenaar van de auto zou hebben - maar hier was er voor uitleg van de overeenkomst geen aanleiding, zowel omdat de wederpartijen niet betwistten dat dit belang onder de overeenkomst begrepen kon zijn; alsook omdat nu eenmaal is vastgesteld dat [eiser] geen mede-eigenaar van de auto was).

11) De hier aan de orde zijnde tweede klacht van het middel noemt als aanknopingspunten voor (het aannemen van) een belang van [eiser]: het gezamenlijke gebruik dat hij met zijn zoon van de auto zou maken; het feit dat hij de premie betaalde, en het feit dat er schadeuitkeringen in het verleden zouden zijn gedaan.

Op zichzelf is denkbaar dat iemand zijn belang als gebruiksgerechtigde van een zaak - bijvoorbeeld: als bruiklener of huurder daarvan - verzekert(8); maar een dergelijke verzekering is vrij ongewoon - en dat geldt a fortiori voor het blijkbaar informeel tussen [eiser] en zijn zoon overeengekomen gebruiksrecht, dat [eiser] in dit verband aanvoerde. Het verbaast dan ook niet dat rechtbank en hof voetstoots hebben aangenomen dat de verzekering niet op dat belang gericht was - dat valt inderdaad ver buiten de "gangbare" strekking van een casco-verzekeringsovereenkomst(9).

12) Waarom het betalen van premie en het feit dat er in het verleden schadeuitkeringen hebben plaatsgehad, ertoe zou kunnen bijdragen dat een verzekerd/verzekerbaar belang aan de kant van [eiser] zou bestaan, is mij eerlijk gezegd niet duidelijk geworden. Deze gegevens zijn goed te rijmen met het - kennelijk door rechtbank en hof voor juist gehouden - feit dat [eiser] en jr. het ten opzichte van Aegon zo hebben willen voorstellen, dat de verzekering die eigenlijk de auto van [betrokkene 1] betrof ten gunste van [eiser] liep (omdat daardoor een lagere premie berekend zou worden). Door deze verkeerde voorstelling van zaken ten opzichte van de verzekeraar wordt echter geen enkele vorm van belang aan de kant van [eiser] teweeg gebracht, en kan zelfs niet bij [eiser] de schijn zijn gewekt dat het anders zou zijn: de betrokkenen moeten immers hebben geweten dat zij de zaak anders voorstelden, dan die in werkelijkheid was. Dat sluit niet uit dat zij wèl meenden dat de verzekering dekking bood - maar dat was dan vanwege een verkeerd begrip van het belangenvereiste en van de invloed daarvan op de strekking en uitleg van de verzekerings-overeenkomst, en niet omdat er in werkelijkheid toch een belang bij [eiser] zou zijn of omdat op dat punt door Aegon of [verweerder] c.s. een onjuiste indruk teweeg zou zijn gebracht(10).

13) In weerwil van het hiervóór besprokene kan het ook zo zijn dat een verzekering het belang dekt van een derde die bij de verzekeringsovereenkomst geen partij is (bijvoorbeeld, in de context van de onderhavige zaak: het belang van de zoon van [eiser]) - de eerder aangehaalde literatuur behandelt die mogelijkheid uitvoerig, en de dissertatie van Salomons is geheel aan dit onderwerp gewijd.

In dit cassatiegeding is die mogelijkheid echter niet aan de orde: van de kant van [eiser] is daarover in de feitelijke instanties niets gesteld, en het middel bevat ook geen op deze mogelijkheid gerichte klacht. Ik laat dus maar daar dat, ware van deze variant sprake, die een vordering van [betrokkene 1] zou kunnen opleveren, maar dat er meer voor nodig is om ook voor een vordering van [eiser] grond op te leveren.

14) De derde klacht van het middel, in alinea's 5 en 6 van de cassatiedagvaarding, stelt zich teweer tegen de vaststelling (van het hof) dat op geen enkele wijze geadstrueerd of aannemelijk is gemaakt dat [eiser] naast zijn zoon een verzekerbaar belang bij de auto had.

Voorzover deze klacht gericht is tegen de beoordeling, door het hof, van de desbetreffende stellingen van [eiser] en van de met het oog op bewijs in dit opzicht ingebrachte stukken (waaronder met name het ten verzoeke van Aegon uitgebrachte schaderapport), faalt de klacht omdat die aan het hof voorbehouden feitelijke oordelen betreft, en bovendien niet aangeeft waarom die oordelen niet juist of niet voldoende begrijpelijk zouden zijn.

15) De toelichting bij de klacht betreft intussen een ander thema, namelijk de stelling dat [eiser] op grond van mededelingen en/of adviezen van een medewerker van [verweerster 2] ([betrokkene 2], die door [eiser] c.s. volledig over de feitelijke achtergrond zou zijn ingelicht) zou hebben mogen menen dat de verzekering te zijnen bate (en laste) liep.

In eerste aanleg, namelijk in de conclusie van repliek, alinea 6, zijn inderdaad stellingen van de hier omschreven strekking aangevoerd (en, voeg ik toe, te bewijzen aangeboden). Aan die stellingen is de rechtbank echter in het in de eerste aanleg gewezen (eind)vonnis voorbij gegaan.

Over dat laatste had [eiser] zich in appel kunnen beklagen; maar dat heeft hij - als appellant in de appelinstantie - niet gedaan. In appel is alleen aangevoerd dat [verweerder] c.s. hadden verzuimd relevante informatie (te weten dat [eiser] en zijn zoon samen eigenaar en gebruiker van de auto zouden zijn), aan Aegon door te geven. Bij die stand van zaken had het hof, gezien het voor de appelprocedure geldende zgn. "grievenstelsel"(11) geen ruimte, en dus ook geen aanleiding, om op het eerder bedoelde (en wezenlijk andere) betoog van [eiser] in te gaan: dat viel buiten het kader, dat door de grieven aan het hof ter beoordeling was voorgelegd.

16) De vierde klacht van het middel gaat over het passeren van [eiser]'s bewijsaanbod. Het hof heeft dat bewijsaanbod zo opgevat, dat het erop zag dat [eiser] naast zijn zoon (en wel: voornamelijk) gebruiker van de verzekerde auto was. Het is, gezien de formulering van het bewijsaanbod(12), ook bij uitstek begrijpelijk dat het hof dat zo heeft opgevat. Over de uitleg van het bewijsaanbod wordt trouwens niet - althans niet in een voor de Hoge Raad verstaanbare klacht - geklaagd.

Het middel voert aan dat aangetoond had kunnen worden dat sprake was van een gedeeld feitelijk gebruik c.q. bezit van het voertuig, waardoor sprake zou zijn van een eigenaarsbelang. Het bewijsaanbod had echter in de door het hof daaraan gegeven uitleg geen betrekking op bezit van de auto (maar alleen op feitelijk gebruik daarvan), en al helemaal niet op het bestaan van een eigenaarsbelang. Het valt ook niet in te zien waarom het hof zou hebben moeten begrijpen dat uit louter feitelijk gebruik van de auto een eigenaarsbelang zou kunnen blijken; ik voor mij begrijp dat althans (ook) niet.

17) De vijfde klacht van het middel, in alinea's 9 en 10 van de cassatiedagvaarding, bevat geen argumenten die niet al in de eerdere klachten zijn aangevoerd (of in verband daarmee onder ogen zijn gezien). De klachten waarnaar hier wordt verwezen missen bovendien in die mate concretisering c.q. verduidelijking, dat ik meen dat zij niet als deugdelijk geformuleerd(e onderdelen van een) cassatiemiddel kunnen gelden.

18) Ik meen dat het middel geen vragen aan de orde stelt die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling een antwoord behoeven.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Rov. 3.1 - 3.3 van het vonnis in de eerste aanleg van 13 december 1995.

2 Rov. 8 en 9 van het eindarrest.

3 Dit zo zijnde, kan worden voorbijgegaan aan het namens Aegon ingebrachte verweer dat slechts tegen het eindarrest cassatieberoep is ingesteld (en middelen zijn ingebracht), terwijl het onderhavige punt al definitief was afgedaan in het interlocutoire arrest van 20 april 1999. Ik beschouw dat verweer overigens als niet-doeltreffend. Een cassatieberoep tegen een eindarrest behoort te worden opgevat als tevens gericht tegen voorafgaande (tussen)arresten, voorzover het middel beslissingen uit zulke tussenarresten bestrijdt. Dit voor het appelprocesrecht nog niet zo heel lang aanvaarde beginsel (HR 26 oktober 2001, NJ 2001, 665, rov. 3.4; HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 509 m.nt. HJS, rov. 3.2; HR 14 oktober 1983, NJ 1984, 47 m.nt. WHH, rov. 3.5) had in cassatie al eerder ingang gevonden, zie bijvoorbeeld alinea 31 van de conclusie van A-G Ten Kate bij het arrest uit 1983. Bovendien vermeldt de cassatiedagvaarding in dit geval expliciet dat het beroep ook tegen het tussenarrest gericht is; en betreft het middel onder nrs. 1 en 2 onmiskenbaar (ook) de beoordeling van de tegen Aegon gerichte vordering uit dat tussenarrest.

4 Zie bijvoorbeeld Van Huizen c.s., Grondslagen verzekeringsrecht, 1999, p. 85 - 86; Scheltema-Mijnssen, Polak's Handboek voor het Nederlandse Handels- en Faillissementsrecht deel 4, Algemeen deel van het schadeverzekeringsrecht, 1998, p. 135 - 136; Clausing, Inleiding verzekeringsrecht, 1998, p. 73; Wery, Hoofdzaken verzekeringsrecht, 1995, p. 25; Van der Burg, Schade- en sommenverzekeringsrecht, 1990, p. 24 - 26.

5 Scheltema-Mijnssen, a.w. p. 138; Wery, a.w. p. 31 - 34; Van der Burg, a.w. p. 24.

6 Van Huizen c.s., a.w. p. 87; Scheltema-Mijnssen, a.w. p. 138; Wery, a.w. p. 29 - 30; zie ook het (geschrapte) art. 7.17.2.3 en, bijvoorbeeld, Salomons, Verzekering ten behoeve van een derde, diss. 1996, p. 168 e.v.

7 Zie voor interessante voorbeelden van minder voor de hand liggende "belangen" Van Huizen c.s., a.w., p. 86 en 87.

8 Van Huizen c.s., a.w., p. 87.

9 In dit verband moet overigens onderscheid worden gemaakt tussen het verzekerbare aansprakelijkheidsbelang van de bruiklener of huurder (dwz. diens belang bij het risico van aansprakelijkheid, wanneer de zaak niet onbeschadigd aan de bruikleengever/verhuurder kan worden teruggegeven), en het belang bij het voortgezette genotsrecht. Ofschoon bijvoorbeeld in het kader van onteigening, het verlies van genotsrechten van een huurder wel als een schadefactor voor vergoeding in aanmerking komt, is verzekering van dit belang, naar ik meen te weten, een zeldzaamheid; en dat geldt ongetwijfeld in aanmerkelijk versterkte mate voor het gebruiksbelang van de (informele) "gebruiker"/bruiklener.

10 Zie intussen voor wat [verweerder] c.s. betreft ook alinea 15 hierna.

11 Zie hierover bijvoorbeeld Snijders-Wendels, Civiel Appel, 2003, nrs.162 - 163, 216 - 224 en 254 - 256; Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep (etc.), 2001, nrs. 16 - 19 en 61 - 82.

In de discussie over toetsing, door de appelrechter, van in de eerste aanleg onbehandeld gebleven stellingen van de appellant kies ik voor de duidelijkheid die Snijders - Wendels, a.w. nr. 224 en Ras- Hammerstein, a.w. p. 71 verdedigen, en niet voor de nuancering t.a.v. stellingen die in de eerste aanleg "impliciet" zijn beoordeeld waarop Snijders - Wendels, a.w. p. 216 zinspeelt. Eenvoudiger gezegd: als de eiser in eerste aanleg in het ongelijk wordt gesteld, moet deze als appellant alle gronden die hij in appel beoordeeld wenst te zien, voldoende duidelijk naar voren brengen; en moet de appelrechter aan gronden die door de appellant in eerste aanleg zijn aangevoerd maar die in appel niet (opnieuw) naar voren zijn gebracht, voorbij gaan, ongeacht of de eerste rechter daarover expliciet, impliciet of helemaal niet heeft geoordeeld. De andere opvatting zou een zodanige uitholling van het "grievenstelsel" en daarbij een dusdanige verzwaring van de positie van de verweerder in appel meebrengen, dat die niet aanvaard behoort te worden.

12 Zie alinea 3 van de "Akte na memorie van antwoord" van 2 september 1999.