Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AL8450

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2003
Datum publicatie
12-12-2003
Zaaknummer
C02/221HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AL8450
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

12 december 2003 Eerste Kamer Nr. C02/221HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], België, EISER tot cassatie, advocaat: mr. R.T.R.F. Carli, t e g e n NEDERLANDSE PHILIPSBEDRIJVEN B.V., gevestigd te Eindhoven, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.A.A. Duk. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2003-12-12
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 67, geldigheid: 2003-12-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 656
JWB 2003/471
PJ 2004/56

Conclusie

Rolnummer C02/221

Mr. Keus

Zitting 10 oktober 2003

Conclusie inzake

[Eiser]

(hierna: [eiser])

tegen

NEDERLANDSE PHILIPSBEDRIJVEN B.V.

(hierna: Philips)

1. Feiten en procesverloop

1.1 In deze zaak, waarin [eiser] Philips verwijt onrechtmatig jegens hem te hebben gehandeld door bewust na te laten hem te informeren over zijn rechtspositie met betrekking tot hem door Philips toegezegde extra pensioenjaren, is in het bijzonder de vraag aan de orde of aan de vordering van [eiser] in de weg staat dat in een eerdere procedure is geoordeeld dat partijen onder meer over de betrokken pensioentoezegging een onaantastbare dading hebben getroffen.

1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan(1).

(a) [Eiser] is met ingang van 1 januari 1978 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Philips en te werk gesteld als schade-expert bij de besloten vennootschap Taxatie- en Expertisebureau [A] B.V., destijds een 100% dochter van N.V. Philips Gloeilampenfabrieken. Eerder was [eiser] van 1 december 1951 tot 31 mei 1965 als accountant bij Philips in dienst geweest.

(b) In 1983 is tussen [eiser] en Philips een arbeidsconflict ontstaan.

(c) [Eiser], meermalen bijgestaan door een raadsman, en Philips - in de persoon van [betrokkene 1], hoofd personeelszaken - onderhandelden vervolgens over een beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden, echter zonder resultaat. De onderhandelingen werden op 23 november 1983 door Philips afgebroken.

(d) Philips startte een ontbindingsprocedure en bij beschikking van de kantonrechter van 22 oktober 1984 werd de dienstbetrekking ontbonden onder toekenning aan [eiser] van een vergoeding van fl. 200.000,- netto.

(e) Naar aanleiding van deze ontbindingsbeschikking onderhandelden [eiser] en Philips over de inhoud van het bedrag van fl. 200.000,- netto en sloten daarover in december 1984 een overeenkomst van dading. In de considerans daarvan wordt enerzijds verwezen naar de door de kantonrechter vastgestelde schadevergoeding, anderzijds naar de aanspraken welke [eiser] pretendeert in verband met een tweetal hem toegezegde extra pensioenvoorzieningen. In de akte van dading is onder meer opgenomen dat, zakelijk en samengevat weergegeven, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt gehandhaafd en dat Philips een bedrag van fl. 500.000,- bruto afstort ten behoeve van een periodieke uitkering aan [eiser]. Partijen verlenen elkaar over en weer finale kwijting ter zake van alle tussen hen bestaande, c.q. bestaand hebbende rechtsbetrekkingen.

(f) Bij vonnis van 23 mei 1996 heeft de kantonrechter een vordering van [eiser] tegen Philips, strekkende tot toekenning aan [eiser] van vijf extra pensioenjaren alsmede de helft van het aantal pensioenjaren ter zake van eerder vermeld dienstverband van [eiser] bij Philips, afgewezen. De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft het vonnis van de kantonrechter op 21 november 1997 bekrachtigd. [Eiser] heeft geen beroep in cassatie ingesteld.

(g) Bij verzoekschrift van 3 juli 1998 heeft [eiser] een voorlopig getuigenverhoor verzocht. Bij beschikking van 17 juli 1998 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen, welke beslissing bij beschikking van het hof 's-Hertogenbosch van 23 december 1998 is vernietigd. Vervolgens heeft de rechtbank het getuigenverhoor gelast. Het verhoor heeft op 31 maart 1999 plaatsgevonden. Bij gelegenheid van dit verhoor hebben [eiser] en [betrokkene 1] verklaringen afgelegd.

1.3 In de onderhavige procedure heeft [eiser] gevorderd dat Philips zal worden veroordeeld om aan hem te betalen c.q. te vergoeden (I) de koopsomwaarde van de hiervóór onder 1.2.f bedoelde pensioenrechten, (II) de schade geleden ten gevolge van de afwijzing van een (in het kader van de hiervóór onder 1.2.c bedoelde onderhandelingen door [eiser] gedaan) tegenvoorstel betreffende de vertreksom en (III) de gevolgschaden vanaf 23 november 1983, de datum waarop de hiervóór onder 1.2.c bedoelde onderhandelingen werden afgebroken, onder meer bestaande uit zowel de gerechtelijke als de buitengerechtelijke kosten.

[Eiser] heeft aangevoerd dat Philips gedurende lange tijd en in het bijzonder op voor [eiser] cruciale momenten in de periode eind 1983 - begin 1984 bewust heeft nagelaten hem over zijn rechtspositie te informeren. Volgens [eiser] heeft Philips tijdens de onderhandelingen, in het bijzonder over de pensioenaanspraken van [eiser], steeds gesproken over een voor [eiser] onbekende "verklaring van de NV", zonder deze verklaring aan hem ter hand te stellen of de datum daarvan te noemen. Pas op 30 november 1995 heeft [eiser] van voormelde verklaring kunnen kennisnemen en werd hem duidelijk dat Philips hem destijds verkeerd heeft geïnformeerd. Volgens [eiser] is dat bewust gebeurd om te bereiken dat Philips veel minder pensioen zou moeten uitbetalen dan aan [eiser] toekwam, dan wel om een voor Philips betere afvloeiingsregeling te bewerkstelligen. Daarnaast zou, nog steeds volgens [eiser], Philips onzorgvuldig hebben gehandeld door in de onderhandelingen een tegenvoorstel van [eiser] voor een vertreksom van fl. 650.000,- af te wijzen, terwijl [eiser] achteraf is gebleken dat dit bedrag binnen de door Philips aan onderhandelaar [betrokkene 1] als indicatief gegeven onderhandelingsruimte van fl. 700.000,- viel. Na afwijzing van het bedoelde tegenvoorstel heeft Philips de onderhandelingen afgebroken, terwijl zij in dat stadium en onder die omstandigheden had moeten dooronderhandelen, althans een formeel eindbod had moeten doen. Door zulks na te laten was het eenzijdig afbreken van de onderhandelingen door Philips jegens [eiser] onrechtmatig.

Philips heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Primair heeft Philips zich op het standpunt gesteld dat het in de onderhavige procedure aan de orde gestelde al onderwerp van geschil was in de hiervóór onder 1.2.f bedoelde procedure. Aangezien het door de rechtbank op 21 november 1997 in die procedure gewezen vonnis inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan, stuit de vordering van [eiser] af op het bepaalde in art. 67 Rv (oud)(2). Subsidiair heeft Philips de stellingen van [eiser] inhoudelijk bestreden.

1.4 Bij vonnis van 29 december 2000 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch de vorderingen van [eiser] afgewezen. [Eiser] ging in hoger beroep. Philips stelde incidenteel appel in. Bij arrest van 8 april 2002 heeft het hof 's-Hertogenbosch in het principale appel het vonnis waarvan beroep bekrachtigd en het incidentele appel verworpen. Het hof overwoog daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt.

(a) [Eiser] baseert de vordering betreffende de koopsomwaarde van de pensioenrechten (de vordering onder I(3)) op twee door Philips gedane pensioentoezeggingen: de "halve jarenregeling" en de "vijfjarenregeling". Volgens [eiser] zijn beide pensioentoezeggingen onvoorwaardelijk; volgens Philips zijn zij afhankelijk van de voorwaarde dat [eiser] tot de pensioengerechtigde leeftijd bij Philips in dienst zou blijven. Met betrekking tot dit geschilpunt is door [eiser] reeds een vordering ter beoordeling aan de kantonrechter voorgelegd. De kantonrechter heeft die vordering bij vonnis van 23 mei 1996 afgewezen, omdat de kwestie van het aanvullende pensioen naar zijn oordeel onderdeel van de tussen partijen getroffen dading uitmaakte. Het beroep van [eiser] op vernietiging van die dadingsovereenkomst op grond van een wilsgebrek is eveneens afgewezen. In hoger beroep is het vonnis van de kantonrechter door de rechtbank bekrachtigd. Nu het vonnis van de rechtbank in kracht van gewijsde is gegaan, heeft deze beslissing in een geding tussen dezelfde partijen in beginsel gezag van gewijsde op grond van art. 67 Rv (oud). Het feit dat [eiser] deze vordering thans op een ander grondslag - onrechtmatige daad - baseert, laat het gezag van gewijsde volgens het hof onverlet; de gevorderde schade is dezelfde (rov. 4.4).

(b) In verband met de stelling van [eiser] dat Philips hem bewust onjuist heeft voorgelicht om te bewerkstelligen dat minder pensioen zou behoeven te worden betaald alsmede om de afvloeiingsregeling voor Philips gunstiger te maken, heeft het hof overwogen dat het gezag van gewijsde moet worden geacht niet enkel op de pensioenkwestie, maar ook op de afvloeiingsregeling betrekking te hebben gehad (rov. 4.5).

(c) Voor zoveel nodig heeft het hof nog aandacht besteed aan de vraag of er aanwijzingen zijn dat Philips [eiser] verkeerd heeft geïnformeerd (rov. 4.6). Volgens het hof kan niet worden gezegd dat Philips onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door hem tijdens de onderhandelingen niet de "verklaring van de NV" ter hand te stellen (rov. 4.6.2).

(d) De schadevordering onder II heeft betrekking op schade die [eiser] stelt te hebben geleden, doordat Philips jegens hem onzorgvuldig heeft gehandeld door in de onderhandelingen omtrent de afvloeiingsregeling een tegenvoorstel van [eiser] met betrekking tot een vertreksom van fl. 650.000,- af te wijzen, terwijl [eiser] achteraf is gebleken dat dit bedrag binnen de door Philips als indicatief aangegeven onderhandelingsruimte bleef. Volgens het hof is het zeer de vraag of [betrokkene 1] heeft verklaard dat Philips hem een ruimte van fl. 700.000,- als indicatie had meegegeven. Maar zelfs als ervan zou moeten worden uitgegaan dat [betrokkene 1] die ruimte had, dan nog kan [eiser] daaraan volgens het hof geen rechten ontlenen. [Betrokkene 1] voerde de onderhandelingen namens Philips - overigens onder de voorwaarde dat het door hem bereikte resultaat door de hoofddirectie moest worden gefiatteerd - en de afspraken die in dat kader tussen Philips en [betrokkene 1] zijn gemaakt, gelden derhalve alleen tussen Philips en [betrokkene 1]. [Eiser] kan daaraan als derde geen rechten ontlenen. Het hof heeft overwogen dat reeds hieruit volgt dat de onderhandelingen door Philips niet onrechtmatig zijn afgebroken. Het stond Philips immers vrij het tegenvoorstel van [eiser] als niet reëel af te wijzen en om diezelfde reden stond het haar vrij de onderhandelingen af te breken, nu partijen het niet eens konden worden (rov. 4.7- 4.9).

1.5 [Eiser] heeft tijdig(4) cassatieberoep ingesteld. Philips heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun onderscheiden standpunten schriftelijk doen toelichten. Namens [eiser] is gerepliceerd, namens Philips gedupliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 [Eiser] heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat hij "(a)ls voorschot op de te volgen schriftelijke toelichting" nader heeft toegelicht onder de nummers 1a-1h van de cassatiedagvaarding.

2.2 Het middel klaagt erover dat zich blijkens de rov. 4.3-4.5 een spraakverwarring heeft voorgedaan, waardoor een wezenlijk onderdeel van het betoog van [eiser] terzijde is gebleven en in verband waarmee het arrest niet naar behoren is gemotiveerd. Het terzijde gelaten deel van het betoog hield volgens het middel in dat de vordering van [eiser] niet op boek 7, maar op de boeken 2 en 6 BW was gebaseerd en terugverkrijging beoogde van een schadeloosstelling die Philips aan [eiser] had betaald in ruil voor het doen van afstand van rechten op 49% van de aandelen in een familiebedrijf. Het feit dat verwarring veroorzaakte, was dat deze schadeloosstelling in 1982 in de vorm van "5 jaren pensioen" was gegoten. De onderhandelaar van Philips echter ging in de hiervóór onder 1.2.c bedoelde onderhandelingen ervan uit dat deze "5 jaren" afkomstig waren uit een gewone arbeidsrechtelijke rechtsverhouding, aldus nog steeds het middel.

2.3 Het middel richt zich tegen de rov. 4.3-4.5 van het arrest van het hof.

In rov. 4.3 heeft het hof de vordering van [eiser] en de grondslagen daarvan omschreven. Tegen deze omschrijving lees ik in het middel geen - voldoende omlijnde - klacht.

In de rov. 4.4-4.5 heeft het hof in de kern overwogen, dat de daar besproken vorderingen van [eiser] afstuiten op het bepaalde in art. 67 Rv (oud):

"4.4. De schadevordering sub I betreffende de afkoopsom pensioenrechten is door de rechtbank terecht op grond van artikel 67 Rv afgewezen. [eiser] baseert deze schadevordering op twee door Philips gedane pensioentoezeggingen: de "halve jarenregeling" en de "vijfjarenregeling". Volgens [eiser] zijn beide pensioentoezeggingen onvoorwaardelijk, volgens Philips zijn ze voorwaardelijk, namelijk onder de voorwaarde dat [eiser] tot zijn pensioengerechtigde leeftijd bij Philips in dienst zou blijven. Met betrekking tot dit geschilpunt is door [eiser] reeds eerder een vordering ter beoordeling aan de kantonrechter voorgelegd. De kantonrechter heeft die vordering bij vonnis van 23 mei 1996 afgewezen, omdat naar het oordeel van de kantonrechter de kwestie van het aanvullend pensioen onderdeel uitmaakte van de eerder tussen partijen getroffen dading. Het beroep van [eiser] op vernietiging van die dadingsovereenkomst op grond van een wilsgebrek is eveneens afgewezen. In hoger beroep is dit vonnis door de rechtbank bij vonnis van 21 november 1997 bekrachtigd. Nu dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, heeft deze beslissing in een geding tussen dezelfde partijen in beginsel gezag van gewijsde, bindende kracht, op grond van artikel 67 Rv. Het feit dat [eiser] deze vordering thans op een andere grondslag - onrechtmatige daad - baseert, laat het gezag van gewijsde onverlet; de gevorderde schade is immers dezelfde.

4.5 (...) Het gezag van gewijsde moet (...) geacht worden niet enkel betrekking te hebben gehad op de pensioenkwestie, maar ook op de afvloeiingsregeling. Deze maakte immers ook deel uit van de dading waarop het vonnis van de kantonrechter van 23 mei 1996 zag."

2.4 Voor zover het middel erop is gebaseerd dat het oordeel van het hof aan een motiveringsgebrek lijdt omdat het hof niet op essentiële stellingen van [eiser] is ingegaan, kan het niet slagen. Het middel vermeldt onvoldoende concreet om welke stellingen van [eiser] het gaat, waar die stellingen in de feitelijke instanties zijn betrokken en waarom daaraan een essentieel karakter zou toekomen in verband met het aan Philips gemaakte verwijt dat Philips [eiser] de verklaring van de NV op onrechtmatige wijze heeft onthouden(5).

2.5 Mogelijk strekt het middel (mede) ten betoge dat het gezag van gewijsde van het vonnis van 21 november 1997 niet aan toewijzing van de vordering met betrekking tot de koopsomwaarde van de litigieuze pensioenrechten in de weg staat, omdat, terwijl de eerdere procedure was gebaseerd op de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Philips, [eiser] in de onderhavige procedure onrechtmatig handelen door Philips (waardoor hij van het realiseren van zijn aanspraken uit een andere overeenkomst zou zijn afgehouden) aan de betrokken vordering ten grondslag heeft gelegd.

2.6 Ook aldus gelezen kan het middel om meer redenen niet slagen.

2.7 Allereerst niet, omdat het hof niet slechts heeft geoordeeld dat het gevorderde afstuit op het bepaalde in art. 67 Rv (oud), maar ook dat Philips niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door hem de verklaring van de NV niet tijdens de onderhandelingen ter hand te stellen (rov. 4.6.2). In het middel ontwaar ik geen klachten tegen rov. 4.6.2, welke overweging de bestreden beslissing zelfstandig kan dragen. [Eiser] mist bij zijn klachten daarom belang.

2.8 In de tweede plaats meen ik dat het gezag van gewijsde van het vonnis van 21 november 1997 aan toewijzing van de ingestelde vordering in de weg staat, ook als in aanmerking wordt genomen dat daaraan thans onrechtmatig handelen door Philips ten grondslag is gelegd. Aangenomen wordt(6), dat artikel 67 Rv (oud) niet meebrengt dat alle mogelijke feitelijke grondslagen voor een bepaalde vordering in één procedure naar voren moeten worden gebracht. De eiser bepaalt zelf de omvang van de rechtsstrijd. Het feit dat een vordering in een eerdere procedure op een andere (feitelijke) grondslag werd ingesteld en dat die vordering toen werd afgewezen, sluit op zichzelf niet uit dat eenzelfde vordering in een volgende procedure tussen dezelfde partijen op een andere grondslag wordt toegewezen. Beukers(7) noemt in dit verband als voorbeeld de revindicatie van een schilderij. De vordering tot revindicatie, gegrond op door middel van koop verkregen eigendom, wordt afgewezen, omdat de rechter de koopovereenkomst niet bewezen acht. Eiser kan in een nieuwe procedure alsnog stellen dat hij ten tijde van het eerste geding eigenaar was, zij het niet op grond van de eerder beweerde koopovereenkomst, maar op grond van een andere titel, bijvoorbeeld op grond van erflating.

Het vorenstaande brengt niet mee dat wanneer een vordering op een nieuwe feitelijke grondslag wordt ingesteld, het bepaalde in art. 67 Rv (oud) nimmer aan toewijzing daarvan in de weg staat. De "rechtsbetrekking in geschil" waarover in de eerdere procedure is beslist, kan ook betrekking hebben op een (rechts)feit dat aan de toewijzing van de vordering, op welke grondslag ook, in de weg staat. In de onderhavige procedure moet op grond van het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 november 1997 tussen partijen als vaststaand worden aangenomen, dat partijen als uitvloeisel van de tussen hen gesloten vaststellingsovereenkomst ter zake van de aan [eiser] toegezegde pensioenrechten niets meer van elkaar te vorderen hebben. Tegen die achtergrond (de vaststellingsovereenkomst die verdere discussie over de toegezegde pensioenrechten uitsluit) doet niet terzake op welke grondslag [eiser] die pensioenrechten in de onderhavige procedure opnieuw aan de orde stelt. Hetgeen tussen partijen vaststaat, belet iedere vordering van [eiser] die op de hem toegezegde pensioenrechten is gebaseerd.

2.9 Hetgeen in de cassatiedagvaarding onder de nummers 1a-1h is opgemerkt, vormt volgens het middel een voorschot op de schriftelijke toelichting. Onder 1a wordt een samenvatting van het oordeel van het hof gegeven die grotendeels feitelijke grondslag mist en overigens geen - voldoende omlijnde - klacht bevat. Onder 1b-1h wordt de visie van [eiser] op zijn geschil met Philips uiteengezet. Deze uiteenzetting bevat evenmin klachten tegen het bestreden arrest.

2.10 Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Rov. 4.1.1-4.1.8 van het bestreden arrest.

2 Thans art. 236 Rv.

3 Zie hiervóór onder 1.3 voor de door het hof gevolgde nummering van de vorderingen.

4 Het bestreden arrest dateert van 8 april 2002, de cassatiedagvaarding is op 8 juli 2002 uitgebracht.

5 Uit de bedoelde verklaring van de NV vloeit, in lijn met het door Philips in de onderhandelingen ingenomen standpunt, géén onvoorwaardelijke aanspraak op vijf extra pensioenjaren voort. Het valt dan ook niet zonder meer in te zien hoe de verklaring, als zij tijdig aan [eiser] ter hand was gesteld, de onderhandelingen ten gunste van [eiser] had kunnen doen keren. Mogelijk had [eiser] in die verklaring aanleiding gevonden nog eens te benadrukken dat zijn pensioenaanspraken op specifieke afspraken (en niet op de rechtspositieregelingen van Philips) waren gebaseerd. Met die specifieke afspraken (en het daaruit - mogelijk - voortvloeiende onvoorwaardelijke karakter van de litigieuze pensioentoezegging) was [eiser] echter ook zonder inzicht in de bedoelde verklaring bekend. Bovendien impliceren de stellingen van [eiser] allerminst dat bij Philips (slechts) een misverstand bestond over de grondslag van de pensioenaanspraken van [eiser], welk misverstand zich eenvoudig had laten ophelderen, als de verklaring van de NV ter sprake zou zijn gekomen. [Eiser] heeft aan zijn vordering immers juist ten grondslag gelegd dat Philips hem de bedoelde verklaring bewust heeft onthouden en er hoe dan ook op uit was zijn pensioenaanspraken zoveel mogelijk te beperken.

6 Y.E.M. Beukers, Eenmaal andermaal? Beschouwingen over gezag van gewijsde en ne bis in idem in het burgerlijk procesrecht (1994), p. 66 e.v.. Anders: Losbladige Rv (oud) (W.D.H. Asser), aant. 8 op art. 67. Uit HR 21 december 2001, NJ 2002, 145, kan worden afgeleid dat de "rechtsbetrekking in geschil" niet te ruim moet worden opgevat.

7 Y.E.M. Beukers, a.w., p. 71/72.