Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AL8206

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2003
Datum publicatie
31-10-2003
Zaaknummer
1384
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AL8206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Nr. 1384 31 oktober 2003 Za in de zaak van de Landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling "[A]", gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres tot cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen, tegen [Verweerder], als rechtsopvolger van de erven [betrokkene 1], wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans. 1. Het geding in cassatie...

Wetsverwijzingen
Landinrichtingswet 182
Landinrichtingswet 217
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 722
RvdW 2003, 166
JWB 2003/411
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 1384

Derde Kamer B

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR TH. GROENEVELD

ADVOCAAT-GENERAAL

Landinrichting

Conclusie van 5 september 2003 inzake:

DE LANDINRICHTINGSCOMMISSIE VOOR DE RUILVERKAVELING [A]

tegen

[Verweerder]

1. Feiten en procesverloop

1.1. [Betrokkene 1] was betrokken in de ruilverkaveling [A](1).

1.2. De Landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling [A] (hierna: de LIC) heeft de lijst der geldelijke regelingen (hierna: LGR) opgemaakt.(2)

1.3. Namens de erfgenamen van [betrokkene 1](3) is tegen de LGR bezwaar gemaakt(4). Dat bezwaar betrof de consequenties van de vervuiling van de bij deze ruilverkaveling aan [betrokkene 1] toegedeelde gronden. Het perceel waarop dat bezwaar betrekking had, is in eigendom overgedragen aan [verweerder](5). Na behandeling van dat bezwaar door achtereenvolgens de LIC en de rechter-commissaris(6) is het verwezen naar de terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de Rechtbank)(7).

1.4. Bij vonnis van 15 februari 2002(8) heeft de Rechtbank - kort samengevat - het bezwaar voor onbepaalde tijd aangehouden, gelast dat met betrekking tot dat bezwaar een schriftelijk deskundigenbericht zal worden uitgebracht en drie deskundigen benoemd.

1.4. Die deskundigen hebben op 21 augustus 2002 hun rapport ter griffie van de Rechtbank gedeponeerd.

1.5. Bij vonnis van woensdag 22 januari 2003 heeft de Rechtbank - onder meer - het bezwaar van [verweerder] gegrond verklaard en de LIC veroordeeld aan [verweerder] een bedrag van € 27.558,50 te betalen.

1.6. Op woensdag 19 februari 2003 heeft de LIC, door middel van een verklaring ter griffie van de Rechtbank(9), cassatie ingesteld tegen het vonnis van woensdag 22 januari 2003.

1.7. Op donderdag 6 maart 2003 is deze verklaring "met een ontwikkeling van de gronden der cassatie" aan [verweerder] betekend. Daarbij heeft de LIC één middel van cassatie, onderverdeeld in twee onderdelen, voorgesteld.

1.8. [Verweerder] heeft (primair) geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep en (subsidiair) tot verwerping van één onderdeel van het cassatiemiddel en ten aanzien van het andere onderdeel tot referte. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten.

1.9. Onder nummer 1385 is een tweede zaak over deze ruilverkaveling aanhangig. In die zaak neem ik heden een conclusie van identieke strekking.

2. Ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

2.1.1. Art. 217, lid 2, Liw bepaalt dat tegen de uitspraak van de rechtbank behalve cassatie geen rechtsmiddel openstaat en behelst verder dat "[a]rtikel 182 (...) van overeenkomstige toepassing" is.

2.1.2. Art. 182 Liw luidt(10):

1. De cassatie wordt ingesteld binnen dertig dagen te rekenen van de dag, waarop het vonnis is uitgesproken.

2. Zij geschiedt door een verklaring ter griffie van de rechtbank, die het vonnis heeft gewezen.

3. Deze verklaring wordt binnen veertien dagen met een ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij betekend en gaat vergezeld van dagvaarding tegen de eerstvolgende terechtzitting na verloop van de in het volgende lid bepaalde termijn.

4. De tegenpartij is bevoegd te antwoorden binnen veertien dagen na de betekening ingevolge het vorige lid.

5. In de genoemde terechtzitting nemen de partijen haar conclusies, desverkiezende bij pleidooi, mits in dezelfde terechtzitting, nader te ontwikkelen.

6. Het openbaar ministerie neemt zijn conclusie uiterlijk veertien dagen na de terechtzitting.

7. Uiterlijk zes weken na de terechtzitting doet de Hoge Raad uitspraak.

8. De Hoge Raad zendt een afschrift van de uitspraak aan de rechter-commissaris.

2.2.1. [Verweerder] voert aan dat de cassatieverklaring - in strijd met lid 3 van art. 182 Liw - pas op de vijftiende dag nadat zij is afgelegd aan hem is betekend.

2.2.2. De LIC bestrijdt niet dat die verklaring op de vijftiende dag is betekend. Zij "stelt zich daarentegen op het standpunt, dat in het onderhavige geval een termijn geldt van dertig dagen voor het instellen van het beroep in cassatie, art. 182 lid 2 Liw, en dat de termijn van veertien dagen, bedoeld in art. 182 lid [3] - net als in art. 53 lid 1 Onteigeningswet - begint te lopen na ommekomst van die dertig dagen. Daarom is de cassatiedagvaarding tijdig uitgebracht." Zij beroept zich daarbij op de geschiedenis van de totstandkoming van de Liw.

2.2.3. Ik zet die geschiedenis - deels in herhaling van de uiteenzetting van de LIC in haar schriftelijke toelichting - hieronder, aangevuld met enige jurisprudentie, uiteen.

2.3.1. Art. 52 Ow luidt(11):

1. Tegen het vonnis wordt geen hooger beroep toegelaten.

2. De voorziening in cassatie moet binnen drie dagen(12) na de uitspraak plaats hebben.

3. Zij geschiedt door eene verklaring ter griffie der regtbank, die het vonnis heeft gewezen.

2.3.2 Art. 53 Ow luidde tot 1 februari 1973(13)

1. Deze verklaring wordt binnen acht dagen(14) met eene ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij beteekend, en gaat vergezeld van dagvaarding tegen de eerstvolgende voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde, teregtzitting na den in het volgend lid bepaalden termijn.

2. De tegenpartij heeft veertien dagen om, des verkiezende, te antwoorden.

3. (...)

2.3.3. HR 15 juli 1910, W 9053(15) overwoog:

dat volgens art. 52 de O.W. de voorziening in cassatie moet geschieden binnen 3 dagen na de uitspraak door eene verklaring ter griffie der Rechtbank, - en die verklaring volgens art. 53 binnen 8 dagen aan de wederpartij moet worden beteekend en moet vergezeld gaan met eene ontwikkeling der gronden en met dagvaarding;

O. dat noch de woorden noch de geschiedenis der wet eenigen grond geven om aan te nemen dat de termijn voor de beteekening der verklaring reeds zoude ingaan met de dag der uitspraak van het vonnis;

dat deze uitspraak in het eerste lid van art. 53 niet wordt genoemd doch daarin alleen van de verklaring sprake is en deze bepaling niet ander is uit te leggen dan dat de termijn voor de beteekening der verklaring zal loopen van den dag dat de verklaring wordt gedaan - gelijk ook aan de tegenpartij voor haar antwoord in het 2e lid van art. 53 een termijn van 14 dagen is toegestaan, loopende van den dag dat de verklaring haar is beteekend, en niet van dien der uitspraak;

2.4.1. Art. 47 en 48 van de Ruilverkavelingswet luidden bij de invoering(16):

Artikel 47.

1. Tegen de uitspraak van de rechtbank is geen verzet, noch ook eenige andere voorziening dan die in cassatie toegelaten.

2. De cassatie wordt ingesteld binnen eene maand, te rekenen van den dag, waarop het vonnis is uitgesproken.

3. Zij geschiedt door eene verklaring ter griffie der rechtbank, die het vonnis heeft gewezen.

Artikel 48.

1. Deze verklaring wordt binnen veertien dagen met eene ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij beteekend, en gaat vergezeld van dagvaarding tegen de eerstvolgende voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde terechtzitting na den in het volgende lid bepaalden termijn.

2. De tegenpartij is bevoegd om uiterlijk binnen veertien dagen te antwoorden.

3. (...)

2.4.2. Deze artikelen zijn als volgt toegelicht(17):

Tegen de beslissing van de rechtbank is aan belanghebbenden geen hoogere voorziening toegelaten met uitzondering van die omtrent de rechten, waar het rechtsmiddel van cassatie partijen ten dienst staat; deze regeling is ontleend aan de Onteigeningswet.

2.5.1. Art. 62 en 63 van de Ruilverkavelingswet 1938 luidden bij de invoering(18):

Artikel 62.

1. (...)

2. Tegen de uitspraak is geen verzet noch eenige andere voorziening dan die in cassatie toegelaten.

Artikel 63.

1. De cassatie wordt ingesteld binnen een maand, te rekenen van den dag, waarop het vonnis is uitgesproken.

2. Zij geschiedt door een verklaring ter griffie der rechtbank, die het vonnis heeft gewezen.

3. Deze verklaring wordt binnen veertien dagen met een ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij beteekend en gaat vergezeld van dagvaarding tegen de eerstvolgende, voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde, terechtzitting na den in het volgende lid bepaalden termijn.

4. De tegenpartij is bevoegd om uiterlijk binnen veertien dagen te antwoorden.

5. (...)

2.5.2. De regeling van de cassatieprocedure was in de Ruilverkavelinsgwet 1938 dus gelijk aan de regeling daarvan in de oorspronkelijke Ruilverkavelingswet. Zie ik het goed, dan is aan die regeling in de parlementaire geschiedenis van de Ruilverkavelingswet 1938 dan ook geen aandacht besteed.

2.6.1. Art. 71 en 72 van de Ruilverkavelingswet 1954 luidden bij invoering:

Artikel 71. 1. (...)

2. Tegen de uitspraak is geen verzet noch enige andere voorziening dan die in cassatie toegelaten.

Artikel 72. 1. De cassatie wordt ingesteld binnen dertig dagen te rekenen van den dag, waarop het vonnis is uitgesproken.

2. Zij geschiedt door een verklaring ter griffie der rechtbank, die het vonnis heeft gewezen.

3. Deze verklaring wordt binnen veertien dagen met een ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij betekend en gaat vergezeld van dagvaarding tegen de eerstvolgende, voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemde, terechtzitting na den in het volgende lid bepaalde termijn.

4. De tegenpartij is bevoegd te antwoorden binnen veertien dagen na betekening ingevolge het vorige lid.

5. (...)

2.6.2. De regeling van de cassatieprocedure was in de Ruilverkavelinsgwet 1954 dus nagenoeg(19) gelijk aan de regeling daarvan in de oorspronkelijke Ruilverkavelingswet uit 1924. Aan die regeling is in de parlementaire geschiedenis van Ruilverkavelingswet 1954 evenmin (specifieke) aandacht besteed. De memorie van toelichting bevat de volgende algemeenheden(20):

Artikelen 66 tot en met 77

Deze artikelen zijn gelijk aan de artikelen 57 tot en met 68 van de bestaande wet, behoudens een enkele redactionele wijziging, in het tweede lid van artikel 68, het eerste lid van artikel 70 en het vijfde lid van artikel 75, terwijl in het vierde lid van artikel 72 de daar gestelde termijn nader is gepreciseerd.

2.7.1. Sinds 1 februari 1973 bedraagt de termijn voor het instellen van beroep in cassatie in onteigeningszaken twee weken(21). Art. 53 Ow luidt sindsdien(22):

1. Deze verklaring wordt binnen zes weken na afloop van de in het vorige artikel genoemde termijn van twee weken met een ontwikkeling van de gronden der cassatie aan de tegenpartij betekend en gaat vergezeld van een dagvaarding tegen de eerste terechtzitting, welke na verloop van twee weken na de betekening plaats vindt.

2. De conclusie van de eiser, bedoeld in artikel 412, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wordt genomen ten pleitdage.

2.7.2. De wijzigingen in deze artikelen zijn als volgt toegelicht:(23)

De verlenging van de termijn voor het instellen van beroep in cassatie is noodzakelijk omdat de praktijk uitwijst, dat het niet altijd en overal mogelijk blijkt, de grossen van het vonnis binnen acht dagen na de uitspraak uit te reiken.

De wijziging van artikel 53 strekt er toe, de algemene regels van de rechtspleging in cassatie in de plaats te doen treden van de bijzondere regeling van de onteigeningswet. Aan deze bijzondere regeling bestaat geen behoeft en deze bijzondere voorschriften blijken in de praktijk ook niet toepasbaar te zijn, zo b.v. de verplichting te pleiten op dezelfde dag, waartegen gedagvaard is. Ook de termijn van dertig dagen voor de uitspraak kan in de praktijk veelal niet worden nageleefd.

(...)

2.8. Met de inwerkingtreding van de Landinrichtingswet per 15 oktober 1985 is de Ruilverkavelingswet 1954 ingetrokken. Aan de Memorie van Toelichting ontleen ik:(24)

Artikelen [162-188]

(...)

De procedures voor de ter inzagelegging van de lijst van rechthebbenden en de uitkomsten van de eerste schatting en van de daaropvolgende behandeling van de ingediende bezwaren, zoals beschreven in artikelen [168-188], komen overeen met die in de Ruilverkavelingswet 1954, behoudens enkele aanpassingen in de tekst.

(...)

Even verderop valt te lezen(25):

Artikelen [214-218]

De bepalingen betreffen de goedkeuring van de lijst der geldelijke regelingen; de terinzagelegging en de indiening en behandeling van de bezwaren tegen de lijst der geldelijke regeling komen overeen met de bepalingen hieromtrent in de Ruilverkavelingswet 1954, met dien verstande dat het rechtsmiddel van de cassatie, behalve voor de procureur-generaal bij de Hoge Raad in het belang van de wet, ook openstaat voor de eigenaar.

(...)

In de Memorie van Antwoord is het volgende betoog te vinden:(26)

Artikel [181], tweede lid

De leden van de S.G.P.-fractie zien gaarne toegelicht, waarom in een procedure over de lijst van rechthebbenden een feitelijke instantie wegvalt. Zoals de leden zelf reeds opmerken is deze procedure dezelfde als in de Ruilverkavelingswet 1954 is neergelegd ten aanzien van de lijst van rechthebbenden. Deze procedure komt reeds voor in de Ruilverkavelingswet 1924. In de memorie van toelichting bij deze wet werd de keuze voor de daarin neergelegde procedures gemotiveerd door de gedachte de duur der gedingen zoveel mogelijk te bekorten, aangezien een langzaam verloop grote bezwaren en veel kosten met zich zou meebrengen. De motivering die bij de totstandkoming van deze procedure gold, geldt nog onverminderd. Wij zijn van oordeel, dat een procedure waarin is voorzien in een behandeling van bezwaren door de landinrichtingscommissie, vervolgens door de rechtercommissaris en tenslotte door de rechtbank, met voldoende waarborgen is omgeven. Indien daarin nog een feitelijke instantie een plaats moet krijgen, zou dat ongewenste en onnodige vertragingen tot gevolg hebben. Daarbij is van een behoefte aan nog een feitelijke instantie in de praktijk der ruilverkavelingen niet gebleken.

2.9.1. HR 2 maart 1988, NJ 1988, 491 (De Haan / Dantumadeel) oordeelde:

De gemeente heeft haar beroep op de niet-ontvankelijkheid van De Haan gegrond op de omstandigheid dat de op 22 juli 1987 ter griffie afgelegde verklaring omtrent het instellen van het beroep in cassatie haar niet binnen de bij art. 54l van de Onteigeningswet voorgeschreven termijn van twee weken doch eerst op 21 augustus 1987 is betekend.

Door de verklaring dat De Haan beroep in cassatie instelde tegen het op 9 juli 1987 gewezen vonnis, op 22 juli 1987, derhalve tijdig, ter griffie afgelegd, stond voorshands de voorziening in cassatie vast. Wordt echter die verklaring ter griffie niet gevolgd door een betekening ervan aan de tegenpartij met ontwikkeling van de gronden der cassatie, vergezeld van dagvaarding, dan gaat het vonnis alsnog in kracht van gewijsde, daar het cassatiegeding zonder die betekening geen aanvang kan nemen. Nu de bij art. 54l bepaalde termijn, van twee weken na 22 juli 1987, is verstreken zonder dat betekening plaatsvond, was daarmede het vonnis in kracht van gewijsde.

De Haan is derhalve niet-ontvankelijk in zijn beroep.

2.9.2. In HR 16 juni 1989, NJ 1989, 820 (Person / Amsterdam) oordeelde

3.1. De Rechtbank heeft bij vonnis van 8 maart 1989 de onteigening uitgesproken. Op 17 maart 1989, derhalve tijdig, heeft Person de verklaring omtrent het instellen van het beroep in cassatie ter griffie afgelegd. Deze verklaring is de gemeente op 6 april 1989 betekend, derhalve niet binnen de bij art. 54l lid 1 in verbinding met art. 53 lid 1 Onteigeningswet bepaalde termijn van 2 weken, welke termijn in dit geval begon te lopen op 22 maart 1989 en eindigde met de 5e april 1989.

3.2. Zoals de HR bij zijn arrest van 2 maart 1988, NJ 1988, 491, heeft beslist, is in zodanig geval de eiser niet-ontvankelijk in zijn beroep in cassatie. De bij pleidooi hiertegen aangevoerde argumenten, hierop neerkomende dat in het onderhavige geval de wederpartij niet is geschaad, omdat de voor overschrijving van het onteigeningsvonnis benodigde griffiersverklaring toch niet had kunnen worden verkregen voordat de betekening van de onder 3.1 vermelde verklaring aan de gemeente plaatsvond, dienen te worden verworpen, gelet op het stringente karakter dat aan de onderhavige termijnen in de onteigeningsprocedure toekomt.

Person is derhalve niet-ontvankelijk in zijn beroep.

2.9.3. HR 19 november 1997, NJ 1998, 492 (Handelsonderneming Jola BV / 's-Gravenhage) beoordeelde de ontvankelijkheid in die zaak:

3.1. De Gemeente heeft haar beroep op de niet-ontvankelijkheid van Jola BV gegrond op de omstandigheid dat de op 28 oktober 1996 door Jola BV ter griffie afgelegde verklaring omtrent het instellen van het beroep in cassatie haar niet binnen de bij artikel 53, lid 1 van de Onteigeningswet voorgeschreven termijn van zes weken na afloop van de in artikel 52, lid 2 van die wet bedoelde termijn is betekend doch eerst op 24 december 1996.

3.2. Door de op 28 oktober 1996, derhalve tijdig, ter griffie afgelegde verklaring dat Jola BV beroep in cassatie instelde tegen het op 16 oktober 1996 gewezen vonnis, stond voorshands de voorziening in cassatie vast. Het vonnis is echter alsnog in kracht van gewijsde gegaan. Immers, de op 28 oktober 1996 afgelegde verklaring is niet binnen de bij artikel 53, lid 1 van de Onteigeningswet bepaalde termijn, die in dit geval eindigde op 11 december 1996, gevolgd door een betekening van die verklaring aan de tegenpartij en door een dagvaarding van die partij (HR 2 maart 1988, NJ 1988, 491 en HR 14 juni 1989, NJ 1989, 820). Jola BV is derhalve niet-ontvankelijk in haar beroep.

2.9.4. HR 17 juli 2001, LJN ZC3673 (Ekelenburg c.s / HML BV):

3.3. Hieromtrent moet worden vooropgesteld dat in het belang van een goede rechtspleging juist ook in zaken waarin een korte termijn voor beroep geldt, omtrent het tijdstip waarop die termijn aanvangt (en eindigt) duidelijkheid dient te bestaan en dat derhalve aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden. (...)

2.10. De LIC concludeert in haar schriftelijke toelichting dat "de wetgever van 1922 - en ook latere wetgevers - hebben willen aansluiten bij de cassatieregeling van de Onteigeningswet". Het vorengaande schraagt die conclusie niet. De enkele omstandigheid dat de regeling is "ontleend" aan de (oude) cassatieregeling van de Onteigeningswet (§ 2.4.2) is daarvoor onvoldoende. De tekst van art. 182, lid 3, Liw is immers "niet anders (...) uit te leggen dan dat de termijn voor de beteekening der verklaring zal loopen van den dag dat de verklaring wordt gedaan" (§ 2.3.3). Van een bedoeling van de wetgever die afwijkt van deze duidelijke tekst blijkt niet. Zo de wetgever zodanige bedoeling had, lag het in de rede dat hij die (bij de invoering van de Landinrichtingswet in 1985) tot uitdrukking had gebracht in de tekst van art. 182, lid 3, Liw. Dat heeft hij echter nagelaten.

2.11. Andere argumenten waarom het beroep in cassatie toch geacht moet worden tijdig te zijn betekend, heeft de LIC niet aangevoerd. Ze laten zich ook niet zo snel bedenken. Ik wijs er voor de zekerheid op dat de omstandigheid dat de Hoge Raad de overige in art. 182 Liw genoemde termijnen niet lijkt te handhaven(27) niet noopt tot een mindere strikte toepassing van de betekeningstermijn. Daargelaten of de "overeenkomstige toepassing" (art. 217, lid 2, Liw) ook meebrengt dat die termijnen ook hier hebben te gelden, die betekeningstermijn (een beroepstermijn) is van een andere orde dan de overige termijnen genoemd in dat artikel. Het belang van een goede rechtspleging(28) is bij beroepstermijnen meer in het geding dan bij termijnen die alleen bepalen in welk tempo een beroep (in cassatie) wordt behandeld.

2.12. Ik kom tot de gevolgtrekking dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.13. Mocht de Hoge Raad menen dat het beroep in cassatie wel ontvankelijk is, dan ontvang ik de stukken gaarne terug voor het nemen van een nadere (inhoudelijke) conclusie.

3. Conclusie

Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van de LIC in haar beroep in cassatie.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Die ruilverkaveling kwam ook aan de orde in HR 20 september 2002, LJN AE7843 (Janse / Hefshuizen).

2 Art. 211 Liw.

3 [Betrokkene 1] was op 27 april 1998 overleden.

4 Art. 214 Liw.

5 [Verweerder] was voordien pachter van dat perceel. De Rechtbank heeft het (onder andere) in haar vonnissen steeds over "[verweerder], als rechtsopvolger van de erven [betrokkene 1]". De cassatiedagvaarding hanteert dan ook die benaming. De strekking van deze conclusie noopt niet tot een beantwoording van de vraag wie in deze zaak belanghebbende is: [verweerder] of (de erfgenamen van) [betrokkene 1].

6 Art. 216, aanhef en sub a, jo. art. 174 Liw.

7 Art. 216, aanhef en sub c, jo. art. 178, lid 2, Liw.

8 Reg.nr. 54426 HA ZA /01-728.

9 Art. 217, lid 2, jo art. 182, lid 2, Liw.

10 Sinds daarin per 17 februari 1999 een technisch gebrek is hersteld. Dat technische gebrek betrof een tijdens de parlementaire behandeling in het ongerede geraakte regel in lid 3.

11 De nummering van de leden is van mijn hand.

12 (mijn noot) Vanaf 2 mei 1935 "acht dagen" en vervolgens sinds 1 februari 1973 "twee weken".

13 De nummering van de leden is wederom van mijn hand. Ik geef hier de tekst weer zoals die tot 22 juni 1939 gold. De wijzigingen ten opzichte van de voordien geldende tekst die toen zijn ingevoerd, zijn hier verder niet van belang.

14 (mijn noot) Vanaf 15 augustus 1920 "veertien dagen".

15 [verweerder] verwijst in zijn conclusie van antwoord naar dat arrest.

16 Weer met nummering van mijn hand.

17 Kamerstukken II 1922/23, 372, nr. 3, blz. 9 rk.

18 Weer met nummering van mijn hand.

19 De termijn voor de cassatieverklaring werd dertig dagen in plaats van een maand.

20 Kamerstukken II 1950/51, 2063, blz. 20.

21 Zie noot 12.

22 Nummering van mijn hand.

23 Kamerstukken II 1969/70, 10 590, nr. 3, blz. 16 rk, blz. 17 lk. Voor een kritische beschouwing over deze toelichting verwijs ik naar W. Wijting, Een studie tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, blz. 421.

24 Kamerstukken II 1979/80, 15 907, nr. 3, blz. 67/68.

25 A.w., blz. 71.

26 Kamerstukken II 1981/82, 15 907, nr. 6, blz. 102.

27 Voorzover mij bekend, worden die termijnen in de rolpraktijk nimmer aangehouden. Bovendien wordt partijen ook de gelegenheid geboden te re- en dupliceren. In zaken die, zoals deze zaak, bezwaren tegen een LGR betreffen, is er dan ook eigenlijk weinig reden om grote voortvarendheid te betrachten.

28 Vgl. § 2.9.4.