Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AL7074

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2003
Datum publicatie
19-12-2003
Zaaknummer
C02/214HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AL7074
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

19 december 2003 Eerste Kamer Nr. C02/214HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. K.T.B. Salomons, t e g e n 1. [Verweerder 1], 2. [Verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. M. Ynzonides. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 691
JWB 2003/499
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C02/214HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 3 oktober 2003 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

1. [Verweerder 1]

2. [Verweerster 2]

Dit cassatieberoep stelt verscheidene vragen aan de orde in verband met de ontruiming van verhuurde ruimte op een zolderverdieping.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan(1):

1.1.1. Eiser tot cassatie [eiser] heeft vanaf 1951 met zijn moeder de woning aan de [adres], derde verdieping (155-III), te [woonplaats] bewoond. Nadat zijn moeder was overleden(2), heeft [eiser] nagelaten een vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst in te dienen als bedoeld in art. 7A:1623i, lid 2 (oud) BW. Nadat op vordering van de eigenaar/verhuurder in een kort geding de ontruiming was bevolen(3), is de woning op 24 januari 1997 gedwongen ontruimd.

1.1.2. Op de eerste etage van hetzelfde pand woont verweerder in cassatie [verweerder 1]. Op de tweede etage van het pand woont sinds 1995 verweerster in cassatie [verweerster 2].

1.1.3. [Eiser] gebruikte op de vierde etage van het pand een zolderkamer behorend bij de woning van [verweerder 1], voor een huurprijs van f 135,- per maand, en een zolderkamer behorend bij de woning van [verweerster 2], voor een huurprijs van f 300,- per maand. Ook deze kamers zijn op 24 januari 1997 ontruimd(4).

1.1.4. Nadat de kantonrechter te Amsterdam als voorlopige voorziening had bepaald dat [verweerders] [eiser] dienden toe te laten tot de verhuurde zolderkamers, heeft [eiser] op 19 september 1997 feitelijk weer de beschikking gekregen over deze kamers(5).

1.2. Op 3 oktober 1997 heeft [eiser] [verweerders], ieder afzonderlijk, gedagvaard voor het kantongerecht te Amsterdam. Hij vorderde een verklaring voor recht dat ten aanzien van de desbetreffende zolderkamers telkens sprake is van verhuur van woonruimte (als bedoeld in art. 7A:1623 e.v. (oud) BW). Voorts vorderde [eiser] een rechterlijk bevel dat [verweerders] hem toegang zullen verlenen tot de gehuurde zolderkamers, op straffe van een dwangsom, en, in de zaak tegen [verweerster 2], een vergoeding van f 300,- per maand wegens opslagkosten van de inboedel totdat hieraan zal zijn voldaan. In beide zaken vorderde [eiser] vergoeding wegens het gemis van woonruimte, te weten een materiële schadevergoeding van f 900,- per maand wegens vervangende woonruimte in een caravan en een immateriële schadevergoeding ten bedrage van f 5.000,-. Tenslotte vorderde hij teruggave van onverschuldigd betaalde huurpenningen over het tijdvak tussen 24 januari 1997 en 1 april 1997. Bij repliek in conventie heeft [eiser] zijn eis in beide zaken gewijzigd en bovendien gevorderd dat aan [verweerder 1] resp. [verweerster 2] wordt bevolen de afgevoerde en door een verhuisbedrijf in opslag genomen goederen van [eiser] terug te geven, op straffe van een dwangsom.

1.3. [Verweerders] hebben, ieder voor zich, betwist dat een huurovereenkomst met betrekking tot woonruimte tussen hen en [eiser] tot stand is gekomen. Volgens hen kan er hoogstens sprake zijn van huur en verhuur van opslagruimte op de vierde etage. Nadat [eiser] uit zijn woning op de derde etage was gezet, hebben zij hem niet toegestaan zijn intrek te nemen in de zolderkamers die hij als opslagruimte had gehuurd. De huurovereenkomst m.b.t. deze zolderkamers is per 1 januari 1997 beëindigd door opzegging en in elk geval per 1 december 1997 beëindigd door een tweede opzegging "voor zover vereist" van hun raadsman. Meer subsidiair hebben zij de diverse vorderingen bestreden. In reconventie hebben zij gevorderd voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst per 1 januari 1997, althans per 1 december 1997, is geëindigd. Ook vorderden zij de ontruiming van deze zolderkamers alsmede een schadevergoeding voor voortgezet gebruik na die datum en een vergoeding voor de kosten van het gebruik van electriciteit door [eiser].

1.4. Bij (grotendeels identieke) tussenvonnissen van 2 februari 1999 heeft de kantonrechter aan [eiser] te bewijzen opgedragen dat de huurovereenkomst die hij had met [verweerder 1], respectievelijk met [verweerster 2], is aangegaan met het oogmerk van huur en verhuur van woonruimte.

1.5. Na verhoor van getuigen heeft de kantonrechter bij (grotendeels identieke) vonnissen van 25 februari 2000 het verlangde bewijs geleverd geacht. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat [eiser] van [verweerder 1], resp. van [verweerster 2], onzelfstandige woonruimte huurt. Deze overeenkomst is niet op een geldige wijze geëindigd omdat de regels voor beëindiging van huur van woonruimte niet in acht zijn genomen. Terzake van materiële schadevergoeding ten gevolge van de ontruiming van de kamers achtte de kantonrechter f 7.580,- toewijsbaar, waarvan elk der gedaagden voor de helft aansprakelijk is. Na een verrekening heeft de kantonrechter tegen [verweerder 1] f 3.010,48 toegewezen en tegen [verweerster 2] f 1.757,67, telkens vermeerderd met wettelijke rente. De vorderingen in reconventie werden door de kantonrechter afgewezen.

1.6. [Verweerders] hebben afzonderlijk hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Amsterdam. [Eiser] heeft in beide zaken incidenteel geappelleerd. De rechtbank heeft beide zaken gevoegd en uitspraak gedaan op 17 april 2002. Anders dan de kantonrechter, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vaststaan dat de huurovereenkomsten tussen [eiser] enerzijds en [verweerders] anderzijds zijn aangegaan met het oogmerk deze ruimte als woonruimte te verhuren. De rechtbank heeft de eindvonnissen van de kantonrechter vernietigd en in conventie slechts de vordering tot teruggave van de afgevoerde goederen toegewezen. In reconventie heeft de rechtbank [eiser] veroordeeld tot ontruiming van de desbetreffende zolderkamers en tot betaling van een vergoeding van € 61,26 per maand aan [verweerder 1] resp. € 136,13 per maand aan [verweerster 2], telkens vanaf 1 oktober 1997 tot de dag waarop [eiser] de zolderkamer feitelijk zal hebben ontruimd.

1.7. [Eiser] heeft van dit vonnis tijdig beroep in cassatie ingesteld. [Verweerders] hebben gezamenlijk geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Middel I heeft betrekking op rov. 9. Het stelt dat feitelijk vaststond dat de bestemming van het gehuurde "woonruimte" was en dat het gehuurde als zodanig bij [eiser] in gebruik was. Daarvan uitgaande, komt het volgens het middel erop aan of [verweerders] bij verhuur van deze zolderkamers aan [eiser] uitdrukkelijk het oogmerk hebben gehad de kamers als opslagruimte te verhuren en of [eiser] dit op grond van mededelingen of gedragingen van [verweerders] heeft kunnen begrijpen. Het middel klaagt primair dat de rechtbank dit ten onrechte niet heeft onderzocht en subsidiair dat het oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

2.2. De rechtbank heeft feitelijk vastgesteld dat, ook al zijn de desbetreffende zolderkamers op de vierde etage in het verleden verhuurd geweest aan kamerbewoners (dus als woonruimte), [eiser] tot het kort geding van de verhuurder de zolderkamers van [verweerders] niet als woonruimte in gebruik had en op de derde etage woonde. Daarmee is het feitelijke uitgangspunt weggevallen waarop de klacht berust. In de s.t. namens [eiser] wordt nog betoogd dat de vaststelling van de rechtbank onbegrijpelijk is in het licht van bepaalde door [eiser] in het geding gebrachte verklaringen, waaruit zou volgen dat [eiser] in een kamer op de vierde etage woonde. Voor zover dit argument al aan de orde kan komen - het is meer te beschouwen als een tardieve nieuwe klacht dan als een toelichting op de motiveringsklacht in de cassatiedagvaarding -, gaat het niet op. Voorop gesteld moet worden dat de waardering van het bewijs is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De cassatierechter kan niet een ander bewijsoordeel daar tegenover stellen. De enkele omstandigheid dat uit één of meer verklaringen blijkt dat [eiser] in een kamer (welke?) op de vierde verdieping woonde, noopte het hof niet tot een ander bewijsoordeel. Het beroep in de s.t. op de verklaring van [betrokkene 1] (de huurder van nr. 155-II vóór [verweerster 2]) in verbinding met een brief van [verweerster 2] dat zij diens huurovereenkomst heeft voortgezet, wordt reeds in het vonnis weerlegd. In het voetspoor van hetgeen in feitelijke instanties door [verweerders] was gesteld, heeft de rechtbank uit de verklaring van [betrokkene 1] afgeleid dat [eiser] de desbetreffende zolderkamer had gehuurd opdat [eiser]s moeder (op de derde etage) niet langer (geluids)overlast zou hebben van bewoners van deze kamer (op de vierde etage). De redengeving kan de beslissing dragen en is niet onbegrijpelijk.

2.3. Middel II heeft betrekking op rov. 10-11. De eerste alinea bouwt voort op middel I en faalt op dezelfde gronden. Verder houdt middel II in dat de regels van art. 28a e.v. Huurwet toepasselijk waren. Het verwijt de rechtbank te miskennen dat de brieven van [verweerders] tot beëindiging van de huur tegen 1 januari 1997 niet voldoen aan het vereiste van art. 28c Huurwet (aangetekend of deurwaardersexploit).

2.4. Deze klacht faalt omdat art. 28c (oud(6)) Huurwet betrekking heeft op de schorsing van rechtswege van de verplichting van de gewezen huurder om het gehuurde te ontruimen. Deze schorsing eindigt twee maanden na het tijdstip waartegen de ontruiming is aangezegd. Dat tijdstip behoeft niet hetzelfde te zijn als het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt. De opzegging van de huur diende te geschieden overeenkomstig de wettelijke bepalingen die op de huurovereenkomst in het algemeen van toepassing zijn, te weten de art. 7A:1606-1610 (oud) BW, en verder met inachtneming van hetgeen daaromtrent eventueel is bepaald in de huurovereenkomst(7). Aan die vereisten is volgens de rechtbank voldaan. Nadere motivering van dit oordeel is - anders dan [eiser] meent - niet nodig.

2.5. Middel III klaagt dat de rechtbank [eiser] ten onrechte in reconventie heeft veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. In de toelichting betoogt hij dat uit art. 28a - 28d (oud) Huurwet volgt dat de ontruiming eerst moet worden aangezegd, waarna de huurder nog twee maanden bescherming tegen ontruiming geniet, gedurende welke periode de huurder de kantonrechter kan verzoeken om een verlenging van de ontruimingstermijn. Door het ontbreken van een aanzegging tot ontruiming zou hem deze bescherming onthouden zijn.

2.6. Op zich is juist, dat ingevolge art. 28c (oud) Huurwet de verplichting tot ontruiming van rechtswege wordt geschorst voor de duur van twee maanden na het tijdstip waartegen de ontruiming is aangezegd. De gewezen huurder kan binnen die termijn aan de kantonrechter een langere schorsing van de verplichting tot ontruiming vragen krachtens art. 28d (oud) Huurwet. In feitelijke instanties heeft [eiser] nimmer aangevoerd dat de in reconventie gevorderde ontruiming niet toegewezen zou kunnen worden omdat een aanzegging tot ontruiming ontbrak. De rechtbank had dan ook geen aanleiding om in haar motivering hierop in te gaan. In cassatie kan niet alsnog worden onderzocht of een dergelijke aanzegging heeft plaatsgevonden. Hoe dan ook, de rechtbank heeft de verplichting tot ontruiming eerst doen ingaan op een termijn van drie maanden na betekening van het vonnis van 17 april 2002, zodat [eiser] sedert de beëindiging van de huurovereenkomst (op 1 januari 1997) tenminste vijf en een half jaar uitstel van de verplichting tot ontruiming heeft genoten. [eiser] mist daarom belang bij deze klacht.

2.7. Middel IV constateert dat de rechtbank in rov. 13 overweegt dat de incidentele grief inhield dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten te beslissen over de vordering van [eiser] tot teruggave van de afgevoerde en bij een verhuisbedrijf opgeslagen goederen en tot betaling van de kosten van opslag door [verweerders]. In rov. 14 heeft de rechtbank overwogen dat [verweerders] verplicht zijn om medewerking te verlenen aan de teruggave van de afgevoerde goederen en daartoe de kosten van de opslag te voldoen. Het middel klaagt dat de rechtbank heeft nagelaten in het dictum (in conventie) een beslissing te nemen over de kosten van de opslag.

2.8. Verweerders in cassatie brengen tegen deze klacht in dat [eiser] nimmer heeft gevorderd dat [verweerders] zullen worden veroordeeld tot betaling van de opslagkosten. Dat is slechts ten aanzien van [verweerder 1] waar. In de inleidende dagvaarding tegen [verweerder 1] wordt niet gesproken over opslagkosten. Ook na wijziging van eis bij repliek heeft [eiser] van [verweerder 1] geen vergoeding van opslagkosten gevorderd. In de zaak tegen [verweerster 2] heeft [eiser] gevorderd dat [verweerster 2] de opslagkosten ad f 300,- per maand zal voldoen vanaf 1 mei 1997 tot de dag waarop aan het onder 1 gevorderde (bedoeld is kennelijk: het bevel om [eiser] weer in zijn kamer toe te laten) zal zijn voldaan. Eenzelfde veroordeling was vervat in het vonnis d.d. 8 september 1997, houdende voorlopige voorzieningen tegen [verweerster 2]. Ten tijde van de repliek in conventie had [eiser] feitelijk weer de beschikking gekregen over de zolderkamers. [Eiser] heeft zijn eis gewijzigd en in conventie (petitum onder 3) naast de teruggave van de weggehaalde goederen ook gevorderd dat [verweerster 2] de aan verhuisbedrijf [A] verschuldigde opslagkosten zal voldoen. In dit verband kan nog worden gewezen op de CvD conv./CvR reconv. van [verweerster 2], punt 19, waar zij uiteenzet dat het verhuisbedrijf met een beroep op een retentierecht weigert de opgeslagen goederen aan wie dan ook af te geven zolang de kosten van opslag niet zijn voldaan.

2.9. De kantonrechter heeft bij de vaststelling van de schadevergoeding, door [verweerders] verschuldigd wegens het ten onrechte eigenmachtig ontruimen van de verhuurde zolderkamers, de kosten van de opslag van de inboedel meegerekend (zie telkens rov. 7 van het eindvonnis; het bedrag is in het vonnis niet uitgesplitst). De kantonrechter beschouwt de opslagkosten klaarblijkelijk als een schadepost die voor rekening van [verweerders] tezamen behoort te komen.

2.10. In hoger beroep (grief 1 in het incidenteel appel) heeft [eiser] gevorderd dat [verweerders] alsnog zullen worden veroordeeld tot teruggave van de afgevoerde en bij het verhuisbedrijf opgeslagen goederen. De rechtbank heeft de vordering tot teruggave toewijsbaar geacht en rekent daartoe dat [verweerders] de kosten van de opslag aan het verhuisbedrijf zullen voldoen (rov. 14). Of de opgelegde dwangsomsanctie voor [verweerders] een voldoende prikkel vormt om de veroordeling tot teruggave van de afgevoerde goederen na te komen kan in cassatie niet worden onderzocht. In de zaak tegen [verweerder 1] faalt het middel(8). In de zaak tegen [verweerster 2] wordt m.i. terecht geklaagd dat de rechtbank heeft nagelaten te beslissen op de vordering van [eiser], voor zover deze inhield dat [verweerster 2] de kosten van opslag van de uit het gehuurde weggehaalde goederen zal voldoen. Op dit punt kan het bestreden vonnis niet in stand blijven. Verwijzing van de zaak is nodig omdat de hoogte van de kosten niet vaststaat.

2.11. In middel V wordt aangevoerd dat de afwijzing van de door [eiser] gevorderde vergoeding van de kosten van vervangende huisvesting voor hemzelf en zijn huisdier niet wordt verklaard door het feit dat de huurovereenkomst per 1 januari 1997 is beëindigd (rov. 10, slotzin). [Eiser] ziet deze kosten als een gevolg van de eigenmachtige ontruiming van zijn woonruimte door [verweerders].

2.12. De klacht miskent dat, in de redenering van de rechtbank, de zolderkamers niet als woonruimte aan [eiser] zijn verhuurd. Wanneer [verweerders] eigenmachtig goederen hebben laten afvoeren uit de gehuurde opslagruimte, volgt daaruit niet dat zij verplicht zijn tot vergoeding van schade die [eiser] lijdt door het gemis van woonruimte (vgl. de eerste volzin van rov. 10).

2.13. Middel VI is gericht tegen rov. 15, waar de rechtbank de door [eiser] gevorderde vergoeding van immateriële schade ten gevolge van de eigenmachtige ontruiming afwijst. In cassatie wordt niet de slotsom bestreden dat niet is voldaan aan de voorwaarden van art. 6:106, lid 1 onder a, BW. De rechtbank acht geen grond aanwezig voor vergoeding van schade die niet in vermogensschade bestaat. Dit oordeel wordt bestreden met de stelling dat [eiser] in zijn persoon is aangetast: art. 6:106, lid 1 onder b, BW.

2.14. In feitelijke instanties heeft [eiser] ter ondersteuning aangevoerd dat hij van de ene dag op de andere niet meer zijn woning in kon, zijn poes tegen betaling in een asiel heeft moeten onderbrengen en zelf in kommervolle omstandigheden heeft moeten verblijven in een opvangcentrum van het Leger des Heils en later in een door hem gehuurde caravan, zonder de beschikking over zijn persoonlijke eigendommen te hebben(9). Deze stellingen gaan ervan uit dat [eiser] tot de ontruiming in de gehuurde zolderkamer(s) woonde en door deze ontruiming zijn woonruimte is kwijtgeraakt. Deze klacht miskent dat de rechtbank in rov. 9 heeft vastgesteld dat [eiser] de zolderkamers die hij van [verweerders] had gehuurd niet als woonruimte in gebruik had. [Verweerders] hebben weliswaar onjuist gehandeld door eigenmachtig de zolderkamers leeg te halen, maar zij zijn niet aansprakelijk voor evt. immateriële schade die [eiser] heeft geleden door het verlies van zijn woning. Voor zover met de klacht wordt bedoeld dat [eiser] recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens het gemis van goederen waaraan hij gehecht was, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat hiervoor geen vergoeding kan worden toegekend(10). Het middel faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt in de zaak tegen [verweerder 1]: tot verwerping van het beroep;

in de zaak tegen [verweerster 2]: tot vernietiging van het bestreden vonnis, voor zover gewezen in conventie, en tot verwijzing van de zaak naar het hof van het ressort.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 4 van het bestreden vonnis, in samenhang met de feitenvaststelling door de kantonrechter in de tussenvonnissen van 2 februari 1999 onder 1-3, met kleine aanvullingen mijnerzijds ter verduidelijking.

2 Volgens de inleidende dagvaarding: op 9 januari 1995.

3 Het vonnis d.d. 10 oktober 1996 is overgelegd als prod. 1 bij MvG. Een vordering van [eiser] tegen de eigenaar/verhuurder tot staking van de executie is afgewezen (prod. 2 MvG).

4 Deze vaststelling is in cassatie niet bestreden. De gedingstukken (CvR conv/CvA reconv. met bijlagen) geven enige reden tot twijfel, of het niet zó is gegaan dat op 24 januari 1997 alleen de zolderkamer behorend bij nr. 155-III is ontruimd en pas later, in maart of april 1997, de zolderkamers, behorend bij nrs. 155-I en 155-II.

5 Het vonnis van de kantonrechter d.d. 8 september 1997 is telkens overgelegd als prod. 10 bij CvR. Een zgn. verklaring van bezwaar is ter griffie ingediend; zie art. 116 lid 5 (oud) Rv.

6 De Huurwet is per 1 augustus 2003 ingetrokken: zie art. III van de wet van 21 november 2002, Stb. 588.

7 In gelijke zin: R.A. Dozy en Y.A.M. Jacobs, Hoofdstukken huurrecht voor de praktijk (1999), blz. 468-469.

8 Waar [eiser] in appel concludeert tot bevestiging van het vonnis van de kantonrechter "voor het overige", lees ik geen vermeerdering van eis in de zaak tegen [verweerder 1], in elk geval geen vordering tot vergoeding van de kosten van opslag gemaakt ná het vonnis van de kantonrechter.

9 In de zaak tegen [verweerder 1]: inl. dagv. onder 7.2; CvR 10.6; in de zaak tegen [verweerster 2]: inl. dagv. onder 8.2; CvR 9.6; in beide zaken: MvA blz. 4 (toelichting op grief 2) en met name de pleitnota in appel, blz. 6-7, waar voor het eerst wordt gesproken over een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser].

10 Parl. Gesch. Boek 6 NBW, blz. 389: niet onder aantasting in de persoon valt het aantasten van zaken waarvoor de betrokkene een bijzondere affectie voelt.