Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AL6190

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-11-2003
Datum publicatie
11-11-2003
Zaaknummer
00112/03 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AL6190
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

De omstandigheid dat de uitspraak in hoger beroep bijna tien maanden later is gedaan dan door het hof was aangekondigd, levert in casu geen overschrijding van de redelijke termijn op.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 435
Wetboek van Strafvordering 511e
Wetboek van Strafvordering 511g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 576
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00112/03/P

Mr Machielse

Zitting 30 september 2003

Conclusie inzake:

[veroordeelde=betrokkene](1)

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft aan veroordeelde op 29 augustus 2002 de verplichting opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat een bedrag te betalen van € 66.455,-.

2. Veroordeelde heeft cassatie ingesteld en mr J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over een schending van de redelijke termijn sinds het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting in appel.

De gang van zaken in hoger beroep is als volgt geweest:

- op 9 april 2001 is het onderzoek ter terechtzitting op tegenspraak aangevangen;

- op 23 april 2001 heeft het hof een tussenarrest gewezen. Volgens het tussenarrest zou het onderzoek ter terechtzitting worden hervat op 12 oktober 2001;

- het onderzoek ter terechtzitting is op 5 oktober 2001 hervat. Verdachte en zijn raadsman zijn beiden verschenen;

- het onderzoek ter terechtzitting is op 5 oktober 2001 gesloten en de voorzitter heeft medegedeeld dat de uitspraak zou plaatsvinden op 2 november 2001;

- het arrest is eerst gewezen op 29 augustus 2002;

- veroordeelde heeft op 10 september 2002 cassatie ingesteld;

- de bijlage bewijsmiddelen is ondertekend op 14 januari 2003;

- op 22 januari 2003 is het dossier bij de Hoge Raad ontvangen.

Het middel klaagt dat er sinds het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting in appel tot aan de aanzegging ingevolge art. 435 lid 1 Sv bijna 16 maanden zijn verstreken waardoor de redelijke termijn zou zijn overschreden.

3.2. Ik ben van oordeel dat de redelijke termijn inderdaad is overschreden, maar ik zou dat oordeel willen ophangen aan het tijdsverloop tussen het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting en de uiteindelijke uitspraak in hoger beroep. Artikel 511e lid 1 onder b Sv bindt de rechter in een ontnemingszaak niet aan de termijn van veertien dagen voor uitspraak van art. 345 Sv. De achtergrond hiervan is dat de complexiteit van de materie en de aard van de procedure, waarin wezenlijk andere vragen aan de orde zijn dan in de hoofdzaak, kunnen billijken dat de rechter niet aan een bepaalde termijn voor uitspraak wordt gebonden.(2) Maar in deze zaak heeft de voorzitter medegedeeld dat de uitspraak na een kleine maand zou plaatsvinden. Kennelijk heeft het hof gemeend dat de zaak meer tijd zou vergen voor uitspraak dan veertien dagen, maar dat ongeveer een maand wel voldoende zou zijn. Veroordeelde mocht erop vertrouwen dat inderdaad op de aangegeven datum uitspraak zou worden gedaan. Als het hof immers de zaak zó ingewikkeld zou hebben geoordeeld dat niet viel te voorzien wanneer de uitspraak gedaan zou kunnen worden zou het voor de hand hebben gelegen dat géén uitspraakdatum zou zijn bepaald, maar dat veroordeelde op de hoogte zou zijn gesteld zodra er wél een datum bekend zou zijn. Het arrest is evenwel niet op de aangekondigde dag gewezen, maar heeft na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting bijna 11 maanden op zich laten wachten. Het dossier bevat niets wat zo een vertraging kan verklaren, noch enig aanknopingspunt voor het vermoeden dat veroordeelde op de hoogte is gesteld van het feit dat het allemaal veel langer zou gaan duren.

Het middel is dus terecht voorgesteld.

3.3. In de hoofdzaak heb ik geconcludeerd tot vernietiging van het arrest. Ook dáár is de redelijke termijn overschreden. Indien Uw Raad die conclusie zou volgen zou dat voor deze zaak geen gevolg behoeven te hebben.(3) Het komt mij voor dat nu reeds besloten kan worden tot een vermindering van het aan de Staat te betalen bedrag wegens schending van de redelijke termijn in de ontnemingszaak zonder de uitkomst in het vervolg van de hoofdzaak af te wachten, als althans beide zaken uiteen gaan.

4. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven. Deze conclusie strekt tot vermindering van de aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen som gelds met een bedrag dat aan Uw Raad passend voorkomt.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaak onder nr. 00113/03/E waarin ik ook vandaag conclusie neem.

2 Kamerstukken II 1989-1990, 21 504, nr. 3, p. 37. Zie ook Kamerstukken II 1991-1992, 21 504, nr. 8, p. 5.

3 HR NJ 1999,75.