Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AL6185

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-11-2003
Datum publicatie
20-11-2003
Zaaknummer
00797/03 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AL6185
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Toepassing art. 116 Sv. Nu niet blijkt van een afstandverklaring als bedoeld in art. 116 lid 2 Sv, kon het inbeslaggenomene uitsluitend ingevolge een afzonderlijke rechterlijke beslissing als bedoeld in art. 36b lid 1 sub 4 Sr in verbinding met art. 552f Sv onttrokken aan het verkeer worden verklaard.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 116
Wetboek van Strafvordering 116
Wetboek van Strafvordering 552a
Wetboek van Strafvordering 552f
Wetboek van Strafvordering 36b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 608
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00797/03 B

Mr Wortel

Zitting: 23 september 2003

Conclusie inzake:

[verzoekster=klaagster]

1. Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de Rechtbank te Breda waarbij een door verzoekster ingesteld beklag als bedoeld in art. 116, derde lid, Sv ongegrond is verklaard.

2. Namens verzoekster heeft mr. G.E.M. Later, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Ik merk overigens op dat de familienaam van verzoekster in deze procedure is gespeld als hierboven vermeld, maar dat een na te noemen proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee doet vermoeden dat de juiste spellingswijze is: [klaagster].

3. Het eerste middel bevat de klacht dat in de bestreden beschikking ten onrechte geen beslissing is genomen op de in het klaagschrift betrokken stelling dat de officier van justitie, aangezien verzoekster geen afstand heeft gedaan van de onder haar inbeslaggenomen identiteitskaart, de bevoegdheid mist om met dat inbeslaggenomen document te handelen als ware het onttrokken aan het verkeer. Doordat de Rechtbank het beklag ongegrond heeft verklaard zonder zich over deze stelling uit te laten zou de bestreden beschikking de onjuiste indruk kunnen wekken dat de officier van justitie met de inbeslaggenomen identiteitskaart kan handelen als ware zij onttrokken aan het verkeer.

4. Naar aanleiding van HR NJ 1998, 779 is art. 116 Sv met ingang van 1 juni 2000 gewijzigd. Ten gevolge van die (door dit arrest ingegeven) wijziging kan de officier van justitie alleen bevelen dat met een inbeslaggenomen voorwerp wordt gehandeld als ware het onttrokken aan het verkeer indien de beslagene heeft opgegeven dat het voorwerp hem toebehoort, en daarvan schriftelijk afstand heeft gedaan, vgl art. 116, tweede lid, aanhef en onder c, Sv.

5. Het derde lid van art. 116 Sv verschaft de officier van justitie de mogelijkheid een inbeslaggenomen voorwerp af te (laten) geven aan een ander dan de beslagene, indien die ander redelijkerwijs als de rechthebbende moet worden aangemerkt, of het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende in bewaring te houden, ook zonder dat degene onder wie het voorwerp is inbeslaggenomen daarvan schriftelijk afstand heeft gedaan. Die bevoegdheid ontstaat indien de beslagene niet tijdig beklag heeft gedaan tegen een kennisgeving van het voornemen het voorwerp aan de rechthebbende af te geven of ten behoeve van de rechthebbende in bewaring te houden, dan wel de rechter een beklag tegen dat voornemen ongegrond heeft verklaard.

6. Enige tijd was het derde lid van art. 116 Sv aldus geredigeerd dat de officier van justitie op deze wijze ook bevoegd kon worden met het inbeslaggenomen voorwerp te handelen als ware het verbeurdverklaard of aan het verkeer onttrokken. In HR NJ 1998, 779 is dit als een kennelijke misslag in de wetstekst aangemerkt, omdat in de wetsgeschiedenis geen toereikende reden is te vinden voor een inbreuk op de wettelijke waarborgen, die er op neer komen dat inbeslaggenomen voorwerpen (voor zover daarvan geen afstand is gedaan) alleen de status van verbeurdverklaarde of aan het verkeer onttrokken voorwerpen kunnen krijgen nadat de rechter gemotiveerd heeft vastgesteld dat de bijkomende straf, respectievelijk de maatregel, ten aanzien van die voorwerpen aangewezen is en - wat de onttrekking aan het verkeer bij afzonderlijke beschikking betreft - in de strafzaak geen vervolging is of zal worden ingesteld dan wel reeds een einduitspraak tot stand is gekomen.

7. Nu de door de officier van justitie gedane kennisgeving wettelijke grondslag ontbeert en dus geen effect kan hebben had de Rechtbank klaagster in haar beklag niet-ontvankelijk behoren te verklaren, vgl HR NJ 1998, 780.

De bestreden uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.

8. Het tweede middel zal aldus verstaan moeten worden dat het oordeel van de Rechtbank betreffende de valsheid van de inbeslaggenomen identiteitskaart niet begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is in het licht van hetgeen namens verzoekster is aangevoerd en bij de behandeling in raadkamer aan de orde is geweest.

9. Het gaat in deze procedure om een identiteitskaart waaromtrent verzoekster, blijkens een proces-verbaal van J.A.M.M. Collard, wachtmeester der Koninklijke Marechaussee, heeft verklaard dat die in [plaats A] (Noord Irak) aan haar is afgegeven. Tot de aan de Hoge Raad toegezonden stukken behoort voorts een proces-verbaal van R.P. Donia, wachtmeester der Koninklijke Marechaussee gecertificeerd in drukwerkherkenning, afgesloten op 4 februari 2001, waarin is gerelateerd dat op deze "Nationale identiteitskaart Irak", ten name van [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats], de navolgende echtheidskenmerken ontbraken of de navolgende sporen van vervalsing zichtbaar waren: "defecten c.q. onderbrekingen in het drukbeeld" en "onjuiste c.q. afwijkende wijze van (serie)nummering". Dit voerde de verbalisant tot de conclusie dat het document geheel vals is.

10. Namens klaagster is in feitelijke aanleg aangevoerd dat ten aanzien van documenten die in Noord Irak zijn afgegeven door niet tot het centrale Irakese gezag behorende autoriteiten, namelijk (Koerdische) autoriteiten die in Noord Irak de facto overheidsgezag uitoefenen, niet zonder meer valsheid kan worden aangenomen. In dit verband is ook betoogd dat er niet vanuit kan worden gegaan dat de vaststelling van valsheid van de identiteitskaart op voldoende deskundigheid en toereikend vergelijkingsmateriaal berust.

11. Bij de behandeling in raadkamer heeft F.E. Matser, van beroep wachtmeester falsificaten bij de Koninklijke Marechaussee, als getuige een verklaring afgelegd.

In de bestreden beschikking is overwogen:

"Uit een proces-verbaal d.d. 4 februari 2001 blijkt dat door de Koninklijke Marechaussee na onderzoek van de identiteitskaart is vastgesteld dat deze geheel vals is. Ter zitting is door de getuige Matser een uiteenzetting gegeven die de rechter tot de conclusie brengt dat de eerdere vaststelling van de valsheid van de identiteitskaart voor juist dient te worden gehouden. De zijdens klaagster naar voren gebrachte argumenten hebben de rechter niet tot een andersluidende conclusie kunnen brengen."

12. De toelichting op het middel komt neer op een herhaling van hetgeen in feitelijke aanleg werd aangevoerd omtrent de authenticiteit die toegekend zou moeten worden aan documenten die zijn afgegeven door instanties of groeperingen die in het Noordelijk deel van Irak feitelijk bestuurstaken hebben opgenomen, en de ondeugdelijkheid van een vaststelling van valsheid die is gebaseerd op kenmerken van door het centrale Irakese gezag afgegeven documenten. Ik begrijp dat de steller van het middel voor haar standpunten steun vindt in de verklaring die de getuige in openbare raadkamer heeft afgelegd, althans meent dat die standpunten door deze verklaring niet worden weerlegd.

13. Aldus wordt naar mijn inzicht uit het oog verloren dat in cassatie slechts kan worden nagegaan of het hier bestreden oordeel van de Rechtbank de grenzen van het begrijpelijke overschrijdt. In verdergaande mate zal de Hoge Raad dat oordeel niet kunnen onderzoeken, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard.

14. De verklaring van de getuige Matser houdt in dat alleen de door de centrale Irakese autoriteiten afgegeven documenten als authentiek worden aangemerkt, en dat die door het centrale Irakese gezag afgegeven documenten in één drukgang, doorgenummerd, in een staatsdrukkerij worden aangemaakt. De getuige heeft begrepen dat de bij verzoekster inbeslaggenomen identiteitskaart een verschil in druktechnieken vertoonde, hetgeen er op wijst dat het document niet op de door de getuige omschreven wijze is aangemaakt.

15. Het oordeel van de Rechtbank dat de identiteitskaart geheel vals is kan, gelet op deze in raadkamer afgelegde verklaring en het proces-verbaal van 4 februari 2001, niet onbegrijpelijk genoemd worden.

16. Het middel bevat ook nog de klacht dat de bestreden beschikking vernietigd dient te worden omdat verzoekster zich blijkens het proces-verbaal van de behandeling in feitelijke aanleg heeft beroepen op strijd met de art. 5, 6 en 8 EVRM. Die strijdigheid zou er in gelegen zijn dat het niet beschikken over een identiteitsdocument tot vrijheidsberoving kan leiden, terwijl de valsheid van de inbeslaggenomen identiteitskaart niet in een eerlijk en openbaar proces is vastgesteld.

17. Dit middelonderdeel moet afstuiten op de omstandigheid dat noch uit het proces-verbaal van de behandeling in openbare raadkamer, noch in de aldaar overgelegde pleitaantekeningen is te vinden dat namens verzoekster is aangevoerd dat het inbeslagnemen van de identiteitskaart, het voortduren van het beslag of de vordering van de officier van justitie een inbreuk oplevert op rechten die in de art. 5, 6 of 8 EVRM zijn gewaarborgd.

Het middel is derhalve vruchteloos voorgesteld.

18. Naar aanleiding van het laatste middelonderdeel merk ik nog het volgende op. Zo de Hoge Raad de strekking van deze conclusie kan volgen, is denkbaar dat de officier van justitie alsnog de wettelijk voorziene weg volgt, en overeenkomstig de art. 552f Sf en 36b, eerste lid, onder 4o Sr vordert dat de identiteitskaart bij afzonderlijke beschikking aan het verkeer wordt onttrokken. Het valt niet uit te sluiten dat de rechter die over deze vordering moet beslissen wederom tot het oordeel komt dat de valsheid van de identiteitskaart in voldoende mate vaststaat, en dat zij overigens, gelet op art. 36c, onder 2o, dan wel art. 36d, Sr voor onttrekking aan het verkeer vatbaar is. In dat geval zou een dergelijke vordering, nu de officier van justitie blijkens het proces-verbaal van behandeling in raadkamer heeft verklaard dat verzoekster niet verder vervolgd wordt, voor toewijzing gereed liggen.

Die procedure, met deze uitkomst, zou naar mijn oordeel niet strijdig zijn met de art. 5, 6 of 8 EVRM, en evenmin met het bepaalde in art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, waarop in de toelichting op het middel een beroep is gedaan.

19. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen en, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn op art. 116, derde lid, Sv gebaseerde vordering.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,