Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AL4349

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-11-2003
Datum publicatie
11-11-2003
Zaaknummer
02609/02
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AL4349
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schorsing van het onderzoek ter terechtzitting komt eerst dan in aanmerking indien de uitreiking van de dagvaarding rechtsgeldig is geschied.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 265
Wetboek van Strafvordering 265
Wetboek van Strafvordering 412
Wetboek van Strafvordering 413
Wetboek van Strafvordering 588
Wetboek van Strafvordering 588
Wetboek van Strafvordering 589
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 572
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02609/02

Mr. Vellinga

Zitting: 16 september 2003

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bevestigd een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Breda waarbij verdachte wegens schuldheling is veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf.

2. Namens verdachte hebben mrs. J.L.A.M. le Cocq d'Armandville en J.Y. Taekema, advocaten te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte niet nietig heeft verklaard.

4. De procesgang in hoger beroep is in casu als volgt geweest. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 mei 2002 is de verdachte toen niet verschenen. Wel is zijn raadsman verschenen die verklaart niet uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. De raadsman voert aan dat de dagvaarding nietig verklaard moet worden, omdat zij niet op de juiste wijze is betekend. Subsidiair verzoekt hij om schorsing van het onderzoek in het belang van de verdediging.

Vervolgens schorst het Hof het onderzoek tot de terechtzitting van 22 juli 2002 met bevel tot oproeping van de verdachte.(1) Op die datum wordt het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen wegens gewijzigde samenstelling van het Hof. Noch de verdachte, noch zijn raadsman zijn ter terechtzitting verschenen.(2)

5. Voor zover het middel zich richt tegen de al dan niet op de terechtzitting van 6 mei 2002 genomen beslissingen moet worden opgemerkt dat daarover in cassatie niet kan worden geklaagd nu het onderzoek op 22 juli 2002 wegens een gewijzigde samenstelling opnieuw is aangevangen en het arrest dus niet is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 mei 2002.(3) Het middel kan in zoverre dus buiten bespreking blijven.(4)

6. Het middel klaagt terecht dat de dagvaarding in hoger beroep aan nietigheid leidt, en wel mede op andere gronden dan in de toelichting op het middel vermeld. Volgens de akte van uitreiking is gepoogd de appeldagvaarding uit te reiken op een geheel ander adres dan dat waar verdachte woonachtig was: als plaats waar gepoogd is de dagvaarding uit te reiken is ingevuld het adres van de regionale politie van de groep Rotterdam West.(5) Zou het zo kunnen zijn dat uitreiking op verdachtes woonadres is mislukt en de akte van uitreiking op het politiebureau is ingevuld en zo het adres van het politiebureau in de akte terecht is gekomen ? Hoe dit ook zij, ook al is sprake van een misverstand over het invullen van de akte, dit verandert niets aan dit gebrek van de uitreiking.(6) Voorts wijst het middel er terecht op dat de uitreiking nog aan een ander gebrek lijdt: er is niet overeenkomstig het bepaalde in art. 588, derde lid, onder b Sv een bericht van aankomst achtergelaten waar de dagvaarding kan worden afgehaald.

7. Toch heeft het Hof in het onderhavige geval terecht afgezien van nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep. De dagvaarding was niet alleen gebrekkig betekend, maar ook nog betekend op te korte termijn, namelijk op 1 mei 2002 ter griffie voor de zitting van 6 mei 2002. Dan brengt art. 413 jo. 265 Sv mee, dat het onderzoek wordt geschorst en verdachte opnieuw wordt opgeroepen. De wet bood het Hof dus de keuze om de dagvaarding nietig te verklaren of het onderzoek ter terechtzitting te schorsen. Anders dan kennelijk aan het middel ten grondslag ligt was het Hof niet verplicht te kiezen voor nietigheid van de dagvaarding. Daarbij teken ik aan, dat het Hof de verdachte door het onderzoek ter terechtzitting te schorsen en hem voor een nadere terechtzitting op te roepen deugdelijk(7) in de gelegenheid heeft gesteld in zijn tegenwoordigheid te worden berecht.(8) Dat belang van verdachte, dat de betekeningsvoorschriften willen dienen(9), is daarmee tot zijn recht gekomen.

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel dat klaagt over het verzuim van het Hof verstek te verlenen en over de beslissing van het Hof om het onderzoek te schorsen, faalt. Het middel ziet er aan voorbij dat het arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 juli 2002 en niet naar aanleiding van het onderzoek van 6 mei 2002.

10. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het Hof volgt hier de weg te hebben gekozen die art. 413 jo. 265 Sv voorschrijft in geval van dagvaarding op te korte termijn.

2 Blijkens het proces-verbaal heeft de raadsman laten weten niet uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

3 Vgl. HR 7 januari 1992, DD 92.157, HR 17 juni 2003, 02729/02. Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, vierde druk, pp. 20-21.

4 HR 13 november 2001, LJN AD8121. Zie ook HR 29 januari 2002, LJN AD6226.

5 Zie de brief d.d. 15 april 2002 waarbij de betekening werd verzocht.

6 Verdachte noch diens raadsman is op de terechtzitting die aan het arrest van het Hof ten grondslag lag verschenen (HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, m.nt. Sch., rov. 3.26)

7 De oproeping voor de terechtzitting van 22 juli 2002 is volgens de regelen der kunst betekend. Hoewel de adresverificatie, gehecht aan de oproeping, van een dag is die is gelegen vòòr de datum van uitreiking, blijkt uit de adresverificatie in cassatie dat verdachte op de dag van uitreiking en vijf dagen daarna op het adres van uitreiking woonachtig was.

8 HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, m.nt. Sch., rov. 3.1

9 HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, m.nt. Sch., rov. 3.1