Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AL3411

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-10-2003
Datum publicatie
23-10-2003
Zaaknummer
02494/02
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AL3411
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Een ontzegging van de rijbevoegdheid kan alleen worden opgelegd aan bestuurder van een motorrijtuig (Art. 179 WVW 1994). Een automobilist die parkeert en vervolgens het portier opent, kan worden aangemerkt als bestuurder.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 179
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 542
VR 2004, 36
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02494/02

Mr Wortel

Zitting: 9 september 2003 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht", veroordeeld tot een geldboete van € 1.350,= subsidiair 27 dagen hechtenis. Tevens is aan verzoeker voor de duur van zes maanden de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verzoeker heeft mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ten onrechte is opgelegd, aangezien deze bijkomende straf ingevolge art. 179 WVW 1994 alleen kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens overtredingen die hij als bestuurder heeft begaan, terwijl noch uit de tenlastelegging, noch uit de bewezenverklaring blijkt dat verzoeker als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden.

4. Blijkens de bestreden uitspraak is ten laste van verzoeker bewezenverklaard dat:

"hij op 28 augustus 1999, in de gemeente Sittard, als verkeersdeelnemer, namelijk als inzittende van een motorrijtuig, dat op een parkeerhaven van de weg, de Rijksweg Noord, stond, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [het slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, welke bedoelde gedraging aanmerkelijk onvoorzichtig was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, toen aldaar het linker portier van voornoemd motorrijtuig heeft geopend op het moment dat genoemde [slachtoffer] op een fiets links langs zijn, verdachtes, motorrijtuig reed, waardoor een botsing is ontstaan met zijn, verdachtes, motorrijtuig en die fietsster en die fietsster ten val is gekomen."

5. In HR NJ 2000, 589 is overwogen:

"Nu de omstandigheid dat het een motorrijtuig was dat werd bestuurd in het onderhavige geval geen bestanddeel van de delictsomschrijving vormt, maar enkel een aanvullend vereiste dat vervuld moet zijn om aan degene die wordt veroordeeld ter zake van art. 8, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994 de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen te kunnen opleggen, is tenlastelegging van die omstandigheid niet nodig, terwijl voor oplegging van die straf niet noodzakelijk is dat die omstandigheid uit de bewijsvoering en de bewezenverklaring blijkt."

6. De bewezenverklaring in de nu te beoordelen zaak betreft de in art. 6 WVW 1994 opgenomen verbodsnorm. Ook dat is een verbodsnorm die niet alleen voor bestuurders van motorrijtuigen geldt. Zij richt zich tot een ieder die aan het verkeer deelneemt. Daarom is het in HR NJ 2000, 589 overwogene ook in deze zaak toepasselijk: de hoedanigheid van bestuurder van een motorrijtuig vormt geen bestanddeel van de delictsomschrijving, doch alleen een voorwaarde om de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

De omstandigheid dat de bewezenverklaring niet inhoudt dat verzoeker het feit als bestuurder van een motorrijtuig heeft begaan behoefde het Hof er derhalve niet van te weerhouden de bijkomende straf op te leggen.

7. Blijkens diens tot bewijs gebezigde verklaring heeft verzoeker na het parkeren van zijn auto het portier van die auto geopend zonder zich er voldoende van te vergewissen of hij dat zonder hinder of gevaar voor andere weggebruikers kon doen.

Het komt mij voor dat uit een auto stappen na die auto te hebben bestuurd nog is aan te merken als een gedraging die in de hoedanigheid van bestuurder van het motorrijtuig wordt verricht. Overigens merk ik op dat ook de raadsman zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat weliswaar is tenlastegelegd dat verzoeker als inzittende van een motorrijtuig heeft gehandeld, maar dat verzoeker de bestuurder van het motorrijtuig is geweest.

8. 's Hofs oordeel dat aan deze voorwaarde voor het ontzeggen van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is voldaan, lijkt mij daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting te getuigen, en evenmin onbegrijpelijk te zijn.

Het middel is derhalve vruchteloos voorgesteld.

9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,