Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AL3327

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-2003
Datum publicatie
16-10-2003
Zaaknummer
01697/03 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AL3327
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 28, derde lid, Uitleveringswet schrijft niet voor dat de kwalificatie van de feiten naar Nederlands recht wordt vermeld, maar dat de toepasselijke wetsbepalingen worden vermeld.

Wetsverwijzingen
Uitleveringswet 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 524
NJ 2004, 86
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01697/03 U

mr. Machielse

Zitting 16 september 2003 (bij vervroeging)

conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 10 juni 2003 de vervolgingsuitlevering van de opgeëiste persoon aan de republiek Frankrijk toelaatbaar verklaard.

2. Mr. M.J.A. Duker, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1 Het middel behelst de klacht dat de rechtbank de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard naar Nederlands recht onjuist heeft gekwalificeerd.

3.2 De rechtbank heeft de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard naar Nederlands recht als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet (oud) gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet (oud) juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

3.3 Als ik het middel goed begrijp zou het tweede deel van de kwalificatie niet juist zijn, omdat gelet op het ten tijde van de gepleegde feiten toepasselijke artikel 2 van de Opiumwet alleen gekwalificeerd diende te worden overeenkomstig het eerste gedeelte.

3.4 Artikel 2 van de Opiumwet is gewijzigd bij wet van 13 juli 2002 in werking getreden op 17 maart 2003(1). Daarbij is de onderverdeling van artikel 2 Opiumwet in leden komen te vervallen. Het tweede deel van de kwalificatie is kennelijk gebaseerd op het nieuwe artikel 2 Opiumwet. De feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard zijn gepleegd voor inwerkingtreding van die wijziging, maar in het uitleveringsrecht geldt in het algemeen dat de strafbaarstelling naar Nederlands recht beoordeeld dient te worden naar het tijdstip van de uitspraak van de rechter omtrent toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering(2). Gelet hierop faalt het middel.

De rechtbank heeft met het tevens opnemen van de kwalificatie die uitgaat van de pleegperiode van de feiten kennelijk en niet onbegrijpelijk (ten overvloede) willen aangeven dat het feit ook ten tijde van het plegen in Nederland strafbaar was.

4. Het middel faalt. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 De steller van het middel wijst op de wijziging van de Opiumwet bij wet van 28 mei 2002 Stb. 348, maar bij deze wijziging is artikel 2 ongewijzigd gebleven.

2 Zie N. Keijzer in het Handboek Strafzaken par. 91.6.1; HR NJ 1988, 312 en HR NJ 1995, 186. Vgl. tevens HR 20 mei 2003, nr. 02121/02U (LJN AF1909).