Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AK8517

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-10-2003
Datum publicatie
24-10-2003
Zaaknummer
R03/057HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AK8517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

24 oktober 2003 Eerste Kamer Nr. R03/057HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. H.J.W. Alt. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 530
JWB 2003/398
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R03/057HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 12 sept. 2003

conclusie inzake

[verzoeker=eiser]

Edelhoogachtbaar College,

1. Thans verzoeker van cassatie, hierna: [eiser], heeft zich met een op 21 oktober 2002 ter griffie van de Rechtbank te Rotterdam ingekomen verzoekschrift gewend tot die Rechtbank en verzocht ten aanzien van hem de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

2. Ten tijde van de indiening van het verzoek bedroeg de schuldenlast van [eiser] in totaal EUR 98.166,58. Hiervan heeft een bedrag van EUR 41.323,61 betrekking op vorderingen van het Centraal Justitieel Incassobureau, Deurwaarderskantoor Flanderijn en Van Eck, Centraal Beheer en Ohra, welke zijn ontstaan als gevolg van het hebben van en rijden in onverzekerde motorvoertuigen. Voorts heeft een bedrag van EUR 2.678,78 betrekking op vorderingen van de Sociale Dienst Rotterdam en de Gemeente Dordrecht ter zake van te veel ontvangen bijstandsuitkeringen. Een schuld van EUR 50.619,80 is ontstaan door de exploitatie door [eiser] van Discovision B.V. van 1991 tot 1996. Dit bedrijf is in 1996 failliet gegaan.

3. De Rechtbank heeft bij vonnis van 19 februari 2003 het verzoek van [eiser] afgewezen op de grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw: naar het oordeel van de Rechtbank is een belangrijk deel van de schulden niet te goeder trouw is ontstaan.

4. [Eiser] is van het vonnis van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, doch tevergeefs; bij arrest van 6 mei 2003 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Het Hof overwoog onder meer:

"3. [Eiser] heeft verklaard dat hij in de periode van 1982 tot 1986 aan de drugs verslaafd is geweest. Van 1986 tot 1988 is hij via een afkickprogramma van Stichting de Hoop te Dordrecht afgekickt. In 1991 is hij begonnen met een eigen bedrijf "Discovision b.v." welk bedrijf in 1996 failliet is gegaan. Hierdoor is [eiser] weer teruggevallen in zijn verslaving en in deze periode zijn ook de schulden ontstaan als gevolg van onverzekerd rondrijden. In de tweede helft van 2002 heeft hij betaald werk verricht.

4. Voorts heeft [eiser] verklaard dat hij thans voor een leveraandoening een intensieve behandeling van ongeveer een half jaar moet volgen. Daarvoor moet hij een zware kuur ondergaan met behoorlijke bijwerkingen waardoor hij drie dagen per week ziek zal zijn. [Eiser] verwacht dan ook dat hij pas na afloop van deze kuur weer werk kan gaan zoeken. Hij ontvangt tot mei 2003 een WW-uitkering, waarna hij een beroep zal dienen te doen op de Algemene Bijstandswet."

Naar het oordeel van het Hof is het ontstaan van de schulden als gevolg van het onverzekerd rijden en ter zake van te veel ontvangen bijstandsuitkeringen, welke schulden een substantieel deel vormen van de totale schuldenlast, niet te goeder trouw geweest. De enkele omstandigheid dat [eiser] heeft verklaard dat hij, zodra zijn gezondheidstoestand dat toelaat, weer werk zal gaan zoeken is naar het oordeel van het Hof onvoldoende aanleiding om hem als nog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling (r.o. 5).

5. Tegen het arrest van het Hof is [eiser] (tijdig; zie art. 292 lid 4 Fw) in cassatie gekomen met een uit twee onderdelen opgebouwd middel.

6. Onderdeel 1 van het middel klaagt, naar de kern genomen, dat het oordeel van het Hof blijk geeft van een te enge en daarom onjuiste opvatting van het begrip "te goeder trouw" in de zin van art. 288, lid 2, aanhef en onder b, Fw. Het Hof zou, door van doorslaggevende betekenis te achten dat een aanzienlijk deel van de schulden is ontstaan door onverzekerd rijden en door het te veel ontvangen van bijstand, hebben miskend dat alle feiten en omstandigheden van het geval betrokken dienen te worden in de beoordeling van de vraag of schulden "niet te goeder trouw" zijn ontstaan, derhalve ook hetgeen sinds het ontstaan van de bedoelde schulden in de situatie van de schuldenaar is gewijzigd. In ieder geval zou het Hof zijn beslissing onvoldoende hebben gemotiveerd door niet inzichtelijk te maken of en, zo ja, op welke wijze het de door [eiser] aangevoerde, in het onderdeel opgesomde feiten en omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken en door niet inzichtelijk te maken waarom de wijze waarop de schulden zijn ontstaan zó verwijtbaar is dat [eiser] de toelating tot de schuldsaneringsregeling moet worden onthouden.

7. Bij de beoordeling van deze klachten dient vooropgesteld te worden dat het bij de facultatieve afwijzingsgrond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw, waarmee mede beoogd wordt misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, gaat om een gedragsmaatstaf en dat de rechter bij de beoordeling van de vraag of een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in een concreet geval op deze grond dient te worden afgewezen, rekening kan houden met alle omstandigheden. Zie HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 nt. PvS en HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178. In deze arresten heeft de Hoge Raad voorts erop gewezen dat een in het verleden begane (ernstige) fout (bijv. uitkeringsfraude) niet zonder meer behoeft te leiden tot afwijzing van het verzoek. Dit geldt met name niet wanneer blijkt dat de schuldenaar inmiddels ervan blijk heeft gegeven zich ten opzichte van zijn schuldeisers naar behoren te willen en kunnen gedragen. Of de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest en of dit als een aanwijzing moet worden gezien dat de schuldenaar ook thans niet in staat moet worden geacht zich ten opzichte van schuldeisers naar behoren te kunnen en willen gedragen, berust op een waardering van de omstandigheden die wegens haar feitelijke aard in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.

8. Dit een en ander in aanmerking genomen, meen ik dat het onderdeel moet falen. Het oordeel van het Hof dat [eiser] ten aanzien van het ontstaan van de schulden als gevolg van het onverzekerd rijden en ter zake van te veel ontvangen bijstandsuitkeringen niet te goeder trouw is geweest, is, gelet op de omvang van deze schulden en op de aard van het gedrag van [eiser] dat heeft geleid tot het ontstaan ervan, onjuist noch onbegrijpelijk. Dat [eiser] een verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van deze schulden, spreekt voor zich en behoefde het Hof niet nader te motiveren.

9. De klacht dat het Hof bij de beoordeling van de vraag of het feit dat [eiser] ten aanzien van het ontstaan van deze schulden niet te goeder trouw is geweest behoort te leiden tot afwijzing van het verzoek, geen rekening heeft gehouden met de door [eiser] aangevoerde omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat hij nadien zijn leven heeft gebeterd, mist feitelijke grondslag. Blijkens r.o. 3, 4 en 5 heeft het Hof aandacht besteed aan de door [eiser] in dat verband aangevoerde omstandigheden. Dat het Hof in deze omstandigheden onvoldoende aanwijzing heeft gezien dat [eiser] thans wel in staat moet worden geacht zich ten opzichte van schuldeisers naar behoren te willen en kunnen gedragen, berust op een aan het Hof als feitenrechter voorbehouden waardering van die omstandigheden. Kennelijk heeft het Hof de voornemens van [eiser] om zodra zijn gezondheidstoestand dat toelaat weer werk te gaan zoeken, te weinig concreet geacht om thans reeds aan te nemen [eiser] inmiddels voldoende gevoel van verantwoordelijkheid jegens zijn schuldeisers heeft ontwikkeld. Dat oordeel is, gelet op de achtergrond van het ontstaan van bedoelde schulden en op de omvang daarvan, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Dat daarover ook anders kan worden gedacht, maakt het oordeel van het Hof nog niet onbegrijpelijk.

10. Onderdeel 2 van het middel bevat, als ik het goed zie, drie klachten.

11. In de eerste plaats voert het middel aan dat het Hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door te oordelen dat het enkele feit dat de schulden die zijn ontstaan als gevolg van het onverzekerd rijden en ter zake van te veel ontvangen bijstandsuitkeringen niet te goeder trouw zijn ontstaan voldoende is om het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling af te wijzen. Het Hof had een afweging moeten maken van alle omstandigheden van het geval, aldus de klacht.

12. De klacht, die neerkomt op een herhaling van een reeds in onderdeel 1 aangevoerde klacht, faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Ik verwijs naar hetgeen hierboven onder 9 is aangetekend bij onderdeel 1 van het middel.

13. Voorts houdt het onderdeel de klacht in dat het Hof, mocht het al rekening hebben gehouden met alle omstandigheden van het geval, niet zelf de relevante feiten heeft vastgesteld.

14. Ook deze klacht zal niet tot cassatie kunnen leiden. Waar het Hof tot het oordeel is gekomen dat de door [eiser] aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om hem alsnog tot de schuldsaneringsregeling toe te laten, behoefde het Hof zich niet te begeven in de vraag of die omstandigheden als vaststaand kunnen worden aangenomen.

15. Ten slotte voert het onderdeel een klacht aan tegen het oordeel van het Hof - in r.o. 5 - dat de enkele omstandigheid dat [eiser] heeft verklaard zodra zijn gezondheidstoestand dat toelaat weer werk te gaan zoeken onvoldoende aanleiding is om hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. De overweging zou onbegrijpelijk zijn, nu [eiser] heeft aangegeven dat en waarom hem het werken gedurende een bepaalde medicijnkuur feitelijk onmogelijk zal zijn, en de overweging zou voorts getuigen van een onjuiste rechtsopvatting omdat het Hof, indien het daarmee een zelfstandige afwijzingsgrond heeft bedoeld, miskend heeft dat de afwijzingsgronden van art. 288 Fw limitatief zijn.

16. De klacht berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en moet daarom falen wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft, blijkens r.o. 4, niet over het hoofd gezien dat [eiser] heeft aangegeven dat hij pas na afloop van de medicijnkuur weer werk kan gaan zoeken. Bovendien biedt het bestreden arrest geen aanwijzing dat het Hof het niet in staat zijn om te werken als een zelfstandige afwijzingsgrond beschouwt. Blijkens het eerste gedeelte van r.o. 5 heeft het Hof het verzoek afgewezen op de grond bedoeld in art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw en heeft het Hof met de overweging in het slot van r.o. 5 slechts tot uitdrukking willen brengen dat het voornemen van [eiser] om zodra zijn gezondheidstoestand dat toelaat weer werk te gaan zoeken, te weinig concreet is om aan te nemen dat [eiser], niettegenstaande zijn gedrag bij het ontstaan van de schulden als gevolg van het onverzekerd rijden en het te veel ontvangen van bijstand, inmiddels wel voldoende gevoel van verantwoordelijkheid jegens zijn schuldeisers heeft ontwikkeld.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,