Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AK8285

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2003
Datum publicatie
08-12-2003
Zaaknummer
C02/198HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AK8285
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

5 december 2003 Eerste Kamer Nr. C02/198HR HJH/JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de rechtspersoon ex art. 2 van de Wet centraal orgaan opvang asielzoekers CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS, gevestigd te Rijswijk (ZH), EISER tot cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen, t e g e n [Verweerder], verblijvende te [verblijfplaats] ,VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 642
NJ 2005, 443 met annotatie van C.A. Groenendijk
RvdW 2003, 189
JWB 2003/455
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C02/198HR

Mr L. Strikwerda

zt. 19 sept. 2003

conclusie inzake

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een overgangsrechtelijk probleem in verband met de wijziging bij Besluit van 6 december 1999 (Stcr. 1999, 237) van art. 8 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Besluit van 18 december 1997, Stcr. 1997, 246), hierna: de Rva 1997.

2. Het gaat om het volgende. Eiser tot cassatie, hierna: het COA, is ingesteld bij de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet van 19 mei 1995, Stb. 422). Op grond van art. 3 lid 1, aanhef en onder a, van deze wet is het COA onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. De opvang omvat de verstrekkingen die worden genoemd in art. 5 van de Rva 1997, zoals onderdak, een wekelijkse financiële toelage, kleedgeld en verzekering tegen ziektekosten.

3. De beëindiging van deze verstrekkingen wordt geregeld in art. 8 lid 1 van de Rva 1997. Het artikel, zoals dit met ingang van 12 oktober 1998 is gewijzigd bij Besluit van 9 oktober 1998 (Stcr. 1998, 194), luidde:

"1. De in artikel 5, eerste lid, bedoelde verstrekkingen eindigen in de volgende gevallen:

(...)

c. indien op de asielaanvraag niet inwilligend is beschikt en deze beschikking onherroepelijk is geworden".

4. De beëindiging van de verstrekkingen werd nader uitgewerkt in een zgn. stappenplan. In de onderhavige zaak is van belang het "Stappenplan 1999", voluit: "Herzien stappenplan beëindigen opvang ongedocumenteerde asielzoekers", neergelegd in een circulaire van 8 januari 1999 (Stcr. 1999, 53). In dit "Stappenplan 1999" werd geregeld hoe, wanneer en via welke trajecten de verstrekkingen feitelijke worden beëindigd. Daarbij gold een zogeheten meewerkcriterium dat kort gezegd inhield dat de vreemdeling gebruik kan blijven maken van de opvangvoorzieningen zolang hij voldoende meewerkt aan zijn terugkeer.

5. Bij Besluit van 6 december 1999 (Stcr. 1999, 237) is art. 8 lid 1 Rva 1997 met ingang van 1 januari 2000 opnieuw gewijzigd. Onderdeel c kwam te luiden:

"indien hetzij op de asielaanvraag niet inwilligend is beschikt en deze beschikking onherroepelijk is geworden hetzij het een vreemdeling betreft die rechtmatig verwijderbaar is: op de dag na ommekomst van de finale vertrektermijn van 28 dagen".

Blijkens de toelichting hield deze wijziging verband met het nieuwe, aangescherpte terugkeerbeleid van de Staatssecretaris van Justitie, bekend gemaakt aan de Tweede Kamer bij brief van 25 juni 1999 (Kamerstukken II 1998-1999, 26 646, nr. 1). Uitgangspunt van het nieuwe beleid is dat een beslissing om iemand niet toe te laten, betekent dat de betrokkene Nederland zelfstandig dient te verlaten. De betrokkene wordt een termijn van 28 dagen gegeven om zijn terugkeer te realiseren. Na ommekomst van deze termijn worden de opvangvoorzieningen beëindigd, en wel van rechtswege. De beëindiging van de opvangvoorzieningen werd nader geregeld in een nieuw stappenplan, het "Stappenplan 2000" (Stcr. 2000, 29). Het meewerkcriterium werd daarin afgeschaft. In de toelichting op het besluit tot wijziging van de Rva 1997 wordt in dit verband vermeld:

"Met de invoering van het nieuwe terugkeerbeleid wordt consequenter uitvoering gegeven aan de voorschriften voor de beëindiging van opvangvoorzieningen. Daartoe zijn in het nieuwe terugkeerbeleid de regels en de procedures voor de beëindiging van opvangvoorzieningen aangescherpt. Het voornoemde meewerkcriterium vervalt. Het huidige 'Herziene stappenplan beëindiging opvangvoorzieningen ongedocumenteerde asielzoekers' (het 'Stappenplan 1999', A-G), dat stappen bevat om te kunnen vaststellen of betrokkene al dan niet meewerkt aan het verkrijgen van reisdocumenten, wordt vervangen door aangepaste procedures om te komen tot de (gedwongen) beëindiging van opvangvoorzieningen na ommekomst van de finale vertrektermijn van 28 dagen, zonder dat daarbij het meewerkcriterium wordt gehanteerd. Deze nieuwe procedures zullen worden vastgesteld in de vorm van een vernieuwd stappenplan beëindiging opvangvoorzieningen (het 'Stappenplan 2000', A-G), dat voor de inwerkingtreding van dit besluit in de Staatscourant zal worden gepubliceerd."

6. Dit laatste is niet gelukt; het nieuwe "Stappenplan 2000" werd niet voor de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit in de Staatscourant gepubliceerd, doch werd eerst op 10 februari 2000 in de Staatscourant gepubliceerd en trad op die dag in werking.

7. De overgangsregeling bij het op 1 januari 2000 in werking getreden Besluit van 6 december 1999 waarbij art. 8 Rva 1997 werd gewijzigd, luidt als volgt (art. II):

"Dit besluit is niet van toepassing op de vreemdeling ten aanzien van wie voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit:

a. een beslissing op de asielaanvraag is genomen,

b. een beslissing op het ingediende bezwaar tegen de niet inwilligende beschikking op de asielaanvraag is genomen of

c. de vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, of de toelating als vluchteling is ingetrokken."

8. Inzet van het onderhavige kort geding is de vraag hoe deze overgangsrechtelijke bepaling moet worden uitgelegd.

9. De feiten waarvan in cassatie dient te worden uitgegaan, liggen als volgt (zie r.o. 1 van het bestreden arrest).

(i) Op 18 december 1997 is thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], als asielzoeker van Irakese nationaliteit Nederland ingereisd.

(ii) Op 19 december 1997 deed [verweerder] een aanvraag tot toelating als vluchteling (asielaanvraag) en een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning.

(iii) Bij beschikking van 17 juni 1998 heeft de Staatssecretaris van Justitie de asielaanvraag en de aanvraag van een verblijfsvergunning niet ingewilligd. Aan [verweerder] werd een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend met ingang van 19 december 1997, geldig tot 19 december 1998.

(iv) Op 30 juni 1998 diende [verweerder] een bezwaarschrift in tegen de niet-inwilliging van zijn asielaanvraag en van zijn aanvraag van een verblijfsvergunning.

(v) Bij beschikking van 5 februari 1999 heeft de Staatssecretaris beide bezwaren ongegrond verklaard en de vvtv ingetrokken, waarbij onder meer werd vermeld dat van deze beslissingen beroep resp. bezwaar openstaat, alsmede dat aan [verweerder], indien hij beroep instelt, op grond van art. 22 lid 1 van de toen geldende Vreemdelingenwet uitstel van vertrek voor de duur van de behandeling van het beroep zal worden verleend, zodat hij dan geen verzoek om voorlopige voorziening ter voorkoming van uitzetting behoeft in te dienen.

(vi) Op 28 februari 1999 heeft [verweerder] beroep ingesteld tegen voormelde ongegrondverklaring van zijn bezwaren tegen de niet-inwilliging van zijn asielaanvraag en van zijn aanvraag verblijfsvergunning, alsmede bezwaar aangetekend tegen voormelde intrekking vvtv.

(vii) Bij uitspraak van 20 januari 2000 heeft de Rechtbank te 's-Gravenhage, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, het beroep tegen de niet-inwilliging van de aansielaanvraag en van de aanvraag verblijfsvergunning verworpen.

(viii) Op 11 februari 2000 diende [verweerder] bij de President van voormelde rechtbank een verzoek in om een voorlopige voorziening, strekkende tot een verbod van uitzetting zolang nog niet is beslist op zijn voormelde bezwaarschrift d.d. 28 februari 1999.

(ix) Bij uitspraak van 28 december 2000 heeft de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, sector bestuursrecht, de verzochte voorlopige voorziening geweigerd en (met toepassing van art. 33b van de toen geldende Vreemdelingenwet) het bezwaar tegen de intrekking van de vvtv ongegrond verklaard.

(x) Op 28 maart 2001 is [verweerder] in een gesprek met medewerkers van het COA en de Vreemdelingendienst gewezen op zijn eigen verantwoordelijkheid om Nederland te verlaten en op de mogelijkheid van gefaciliteerde terugkeer via het IOM. Daarbij is hem meegedeeld dat toen een finale vertrektermijn van 28 dagen ging lopen en dat de opvangvoorzieningen na afloop van deze termijn, op 24 april 2001, van rechtswege zouden eindigen.

(xi) [Verweerder] heeft geweigerd het AZC waar hij verbleef te verlaten.

10. Het COA heeft bij exploit van 23 mei 2001 [verweerder] in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd dat [verweerder] wordt veroordeeld tot ontruiming van het AZC.

11. Na verweer door [verweerder] heeft de President bij vonnis van 27 juni 2001 de vordering van het COA afgewezen. De President was van oordeel dat ten aanzien van [verweerder] het bij Besluit van 6 december 1999 gewijzigde art. 8 Rva 1997 en het "Stappenplan 2000" niet van toepassing zijn en dat onder het meewerkcriterium van het wel toepasselijke "Stappenplan 1999" [verweerder] niet - zoals tussen partijen in confesso is - tot ontruiming kan worden gedwongen.

12. Het COA is van het vonnis van de President in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, doch tevergeefs: het Hof heeft bij arrest van 25 april 2002 het vonnis van de President bekrachtigd. Het Hof was evenals de President van oordeel dat ten aanzien van [verweerder] het gewijzigde art. 8 Rva 1997 en het "Stappenplan 2000" niet van toepassing zijn.

13. Het COA is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. [Verweerder] is in cassatie niet verschenen.

14. Het middel betoogt dat het Hof heeft miskend dat onderdeel c van art. II van het Besluit van 6 december 1999 mede de beslissing op het bezwaar tegen de intrekking van een vvtv omvat, zodat de hierboven onder 9.(ix) bedoelde uitspraak van 28 december 2000 van de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, waarbij het bezwaar van [verweerder] tegen de intrekking van de vvtv ongegrond werd verklaard, ertoe heeft geleid dat het gewijzigde art. 8 Rva 1997 en/of het "Stappenplan 2000" op [verweerder] van toepassing is/zijn geworden.

15. Art. II van het Besluit van 6 december 1999 is negatief geformuleerd ("Dit besluit is niet van toepassing ...") en de criteria voor de beoordeling van de vraag wanneer het Besluit niet van toepassing is, worden in het artikel niet cumulatief, maar alternatief opgesomd ("a. ..., b. ... of c. ..."). Is derhalve vóór de datum van inwerkingtreding van het Besluit, 1 januari 2000, aan tenminste één van deze criteria voldaan, dan is het Besluit niet van toepassing en is de eerdere versie van art. 8 Rva 1997 toepasselijk. De bij het Besluit ingevoerde versie van art. 8 Rva 1997 is bijgevolg alleen van toepassing indien na 1 januari 2000 aan geen van deze criteria is voldaan.

16. In de onderhavige zaak was vóór 1 januari 2000 aan alle drie criteria van art. II voldaan: (a) de beslissing op de asielaanvraag was op 17 juni 1998 genomen (zie 9.(iii)); de beslissing op het ingediende bezwaar tegen de niet inwilligende beschikking op de asielaanvraag was op 5 februari 1999 genomen (zie 9.(v)); en (c) de vvtv was op 5 februari 1999 ingetrokken (zie 9.(v)). Hieruit volgt dat - ongeacht de uitleg van onderdeel c van art. II - het Besluit van 6 december 1999 niet op [verweerder] van toepassing is. Op de beëindiging van de aan [verweerder] verstrekte opvangvoorzieningen is derhalve de eerdere versie van art. 8 Rva 1997 van toepassing.

17. Waar het Besluit van 6 december 1999 niet ten aanzien van [verweerder] van toepassing is, geldt te zijnen aanzien nog het op het meewerkcriterium gebaseerde "Stappenplan 1999", en niet het "Stappenplan 2000". Het "Stappenplan 2000" is immers als uitvoeringsregeling gekoppeld aan de toepasselijkheid van het Besluit van 6 december 1999 en het daarbij gewijzigde art. 8 Rva 1997. In de toelichting op art. II wordt deze verwevenheid van het Besluit van 6 december 1999 en het "Stappenplan 2000" onderstreept:

"Overeenkomstig hetgeen is neergelegd in voornoemde brief aan de Tweede Kamer van 25 juni 1999 is het nieuwe terugkeerbeleid van toepassing op vreemdelingen die op of na de datum van het van kracht worden van het nieuwe beleid, nog geen beslissing in eerste aanleg, waaronder begrepen nog geen beslissing intrekking verblijfsstatus, of in bezwaar hebben ontvangen. Op de overige categorieën vreemdelingen zal het bestaande stappenplan, dat gebaseerd is op het meewerkcriterium, van toepassing blijven" (cursivering toegevoegd, A-G).

Het "Stappenplan 2000" is bovendien geheel geënt op het beginsel van de finale vertrektermijn van 28 dagen die door het Besluit van 6 december 1999 in art. 8 Rva 1997 is geïntroduceerd. Onder de vigeur van de eerdere versie van art. 8 Rva 1997 kan het "Stappenplan 2000" derhalve niet zinvol worden toegepast.

18. Daarmee lijkt het lot van het middel bezegeld. Twee kwesties behoeven echter nog aandacht alvorens daarover een definitieve uitspraak te kunnen doen.

19. De eerste kwestie betreft het volgende. In het "Stappenplan 2000" wordt onder het kopje "1.3. Doelgroep" door de Staatssecretaris het volgende opgemerkt:

"Het Stappenplan 2000 is van toepassing op asielzoekers ten aanzien van wie op of na de datum van publicatie van dit Stappenplan 2000 in de Staatscourant (10 februari 2000, A-G):

a. een negatieve beslissing op de asielaanvraag is genomen, of

b. een negatieve beslissing op het ingediende bezwaar tegen de niet-inwilliging van de asielaanvraag is genomen, of

c. de vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, is ingetrokken of niet is verlengd, of de toelating als vluchteling is ingetrokken.

Op de overige categorieën centraal opgevangen asielzoekers blijft het bestaande Stappenplan, laatstelijk gewijzigd op 8 januari 1999, dat is gebaseerd op het zogenaamde meewerkcriterium, van toepassing."

Gelet op de samenhang tussen het Besluit van 6 december 1999 en het "Stappenplan 2000" is deze aanduiding van de doelgroep kennelijk bedoeld als een parafrase van de overgangsrechtelijke bepaling van art. II van het Besluit van 6 december 1999. Dezelfde criteria worden immers gehanteerd en, evenals in art. II, worden de criteria alternatief opgesomd. De doelgroepaanduiding is echter, anders dan de overgangrechtelijke bepaling van art. II van het Besluit, niet negatief, maar positief geformuleerd. Men heeft zich daarbij kennelijk niet gerealiseerd dat daarmee de inhoud van de regel verandert. Gevolg van de positieve formulering is immers dat het "Stappenplan 2000" van toepassing is, indien na 10 februari 2000, de datum van inwerkingtreding van het "Stappenplan 2000", aan tenminste één van de criteria is voldaan. De overgangsregelingen van het Besluit van 6 december 1999 en het "Stappenplan 2000" sluiten hierdoor niet op elkaar aan. Als bijvoorbeeld de beslissing op het ingediende bezwaar tegen de niet inwilligende beschikking op de asielaanvraag vóór 1 januari 2000 is genomen en de verblijfsvergunning op of na 10 februari 2000 is ingetrokken, is het Besluit niet van toepassing, maar zou het daaraan uitvoering gevende "Stappenplan 2000" wel van toepassing zijn.

20. Dat heeft geen goede zin. In aanmerking genomen dat de Staatssecretaris met de doelgroepaanduiding in het "Stappenplan 2000" kennelijk aansluiting heeft willen zoeken bij de overgangsrechtelijke bepaling van art. II van het Besluit van 6 december 1999 en in aanmerking genomen dat het "Stappenplan 2000" als uitvoeringsregeling van het Besluit niet de plaats is om de overgangsrechtelijke bepaling van het Besluit te wijzigen, moet het er m.i. voor gehouden worden dat het "Stappenplan 2000" slechts van toepassing is ten aanzien van vreemdelingen waarop het Besluit van 6 december 1999 van toepassing is.

21. De tweede kwestie betreft een latere wijziging van art. II van het Besluit van 6 december 1999. Bij Besluit van 19 december 2000 (Stcr. 2000, 250) is dit artikel gewijzigd in verband met de - in de onderhavige zaak niet aan de orde zijnde - problematiek van de tweede asielaanvraag. Art. II is toen positief geformuleerd; de opsomming van de toepasselijkheidscriteria bleef alternatief. Voor zover hier van belang, kwam art. II te luiden:

"Artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Rva 1997 is van toepassing op de vreemdeling ten aanzien van wie na de datum van inwerkingtreding van dit besluit:

a. een niet inwilligende beslissing op de asielaanvraag is genomen, of

b. een negatieve beslissing op het ingediende bezwaar tegen de niet inwilligende beschikking op de asielaanvraag is genomen, of

c. de vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, is ingetrokken of niet is verlengd, of de toelating als vluchteling is ingetrokken."

Art. III van het Besluit van 19 december 2000 bepaalt dat de wijziging van de overgangsregeling van art. II van het Besluit van 6 december 1999 in werking treedt op 29 december 2000.

22. Door art. II positief te formuleren, wordt aan het Besluit een ruimer toepassingsbereik gegeven. Volgens het oude art. II is het Besluit immers alleen van toepassing indien na 1 januari 2000 aan geen van de criteria is voldaan. Door de wijziging geldt met ingang van 29 december 2000 dat het Besluit van toepassing is, indien na 1 januari 2000 aan één van de criteria is voldaan.

23. In het onderhavige geval leidt het gewijzigde art. II echter niet tot een andere uitkomst. De beslissing op het bezwaar van [verweerder] tegen de niet inwilligende beslissing op de intrekking van de vvtv is immers genomen op 28 december 2000 (zie 9.(ix)), derhalve (één dag) vóór de inwerkingtreding van het gewijzigde art. II.

24. Dit alles betekent dat het oordeel van het Hof dat ten aanzien van [verweerder] het gewijzigde art. 8 Rva 1997 en het "Stappenplan 2000" niet van toepassing zijn, juist is, wat er ook zij van de door het Hof aan dit oordeel gegeven motivering, en dat de door het middel opgeworpen rechtsklacht faalt.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,