Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AK4847

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2003
Datum publicatie
08-12-2003
Zaaknummer
C02/201HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AK4847
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

5 december 2003 Eerste Kamer Nr. C02/201HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1],

gevestigd te [vestigingsplaats], 2. [Eiseres 2], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERESSEN tot cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 643
NJ 2004, 506
Ondernemingsrecht 2004, 60
JWB 2003/453

Conclusie

Rolnr.: C02/201HR

mr. L. Timmerman

Zitting: 12 september 2003

conclusie inzake

(1) [eiseres 1]

en

(2) [eiseres 2]

eiseressen tot cassatie

tegen

[Verweerder]

verweerder in cassatie

niet verschenen

1. Inleiding

In deze zaak gaat het materieel om de vraag of één van de ondertekenaars van een regeling tot afwikkeling van een verliesgevende v.o.f. hieraan in privé of in zijn hoedanigheid van (schijn)vennoot jegens twee schuldeisers van de v.o.f. is gebonden dan wel of zijn persoonlijke b.v. die enige tijd na oprichting van de v.o.f. in de plaats van de ondertekenaar als vennoot tot de v.o.f. is toegetreden partij bij de getroffen afwikkelingsregeling is. De procedure draait in hoofdzaak om de vraag, hoe de in een verklaring van vier regels neergelegde regeling uitgelegd dient te worden. Een complicatie is dat de inhoudelijke vragen door procesrechtelijke kwesties overschaduwd worden. Kort samengevat heeft de zaak het volgende verloop: De twee schuldeisers op wier aandrang en in wier aanwezigheid de regeling tot afwikkeling van de v.o.f. is tot stand gekomen dagen de (schijn)vennoot in die hoedanigheid en in privé tot nakoming van zijn aandeel in de afwikkelingsregeling op twee gronden. Eerst wijst de rechtbank een voor de schuldeisers gunstig tussenvonnis op de tweede grondslag van hun vordering. Van dit tussenvonnis stelt de (schijn)vennoot hoger beroep in. Het hof verwijst na een voor de schuldeisers ongunstige beslissing en vernietiging van het rechtbankvonnis de zaak terug naar de rechtbank. De rechtbank wijst ook een vonnis dat voor de schuldeisers nadelig uitpakt. Vervolgens stellen de schuldeisers hoger beroep in tegen de beide rechtbankvonnissen. Hierop wijst het hof een arrest dat wederom ongunstig is voor de schuldeisers. Schuldeisers stellen cassatie tegen de beide arresten van het Hof in. In cassatie wordt de vraag aan de orde gesteld, of het hof in zijn eerste arrest buiten bespreking mocht laten de door de rechtbank in zijn tussenvonnis verworpen eerste grondslag van de vordering van de betrokken schuldeisers die inhield dat deze erop mochten vertrouwen dat de ondertekenaar van de afwikkelingsregeling nog vennoot van de v.o.f. was en uit dien hoofde aan de regeling gebonden was. Het cassatiemiddel beroept zich in dit verband op de devolutieve werking van het appel. Daarnaast maakt het cassatiemiddel bezwaar tegen het uitgangspunt van het hof dat alleen de persoonlijke b.v. in haar hoedanigheid van vennoot aan de afwikkelingsregeling is gebonden. In cassatie komt ook nog de vraag aan de orde, of bepaalde kennis van werknemers van de schuldeisers aan deze toegerekend dient te worden. Tenslotte werpt het cassatiemiddel de vraag op of het hof voldoende gemotiveerd heeft beslist dat de schuldeisers niet hebben voldaan aan een hen door het hof opgelegde bewijslast.

2. Feiten(1) en procesverloop

2.1 Op 1 februari 1986 heeft [verweerder], verder te noemen [verweerder], samen met [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de vennootschap onder firma Holland Ceramica Import, verder te noemen HCI, opgericht. [Verweerder] is op 1 juni 1987 uitgetreden als vennoot. Als nieuwe vennoot werd de besloten vennootschap Tegelgigant B.V. in het handelsregister ingeschreven. Het hiervoor bij het handelsregister ingediende formulier is mede door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ondertekend. [Verweerder] was van de vennootschap Tegelgigant B.V. directeur en enig aandeelhouder.

2.2 [Eiseres 1] en [eiseres 2], verder te noemen [eiseres] c.s., hebben zaken gedaan met HCI. Zij hebben hiervoor facturen aan HCI gezonden waarvan een groot aantal tot een bedrag van circa ƒ 1.000.000,- onbetaald is gebleven. [Eiseres] c.s zijn verreweg de grootste crediteuren van HCI. Medio 1990 werd duidelijk dat HCI zodanige financiële problemen had dat een nadere regeling daarvan noodzakelijk was. Op 4 september 1990 heeft hiertoe een bespreking plaatsgevonden tussen [eiseres] c.s. vertegenwoordigd door [betrokkene 4] - 90% eigenaar van [eiseres 1] en voor 2/3 eigenaar van [eiseres 2] - en zijn adviseur aan de ene kant en aan de andere kant de heren [verweerder], [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Op die datum is afgesproken dat de betrokkenen zouden overgaan tot liquidatie van HCI en is afgesproken dat de vennoten ieder voor 25% van het verlies verantwoordelijk zouden zijn en dat zij elk een regeling zouden treffen met [eiseres] c.s. ten einde aan de verplichtingen te voldoen. Deze afspraak is schriftelijk vastgelegd en ondertekend door de heren [verweerder], [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. In de verklaring wordt [verweerder] aangeduid als "[verweerder], wonende te [woonplaats], [adres], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947".(2) Een bijzonderheid is dat uit getuigenverklaringen is gebleken dat twee van de vennoten, [betrokkene 3] en [betrokkene 2], ook posities hebben bekleed binnen [eiseres] c.s. Het gaat om de positie van directeur, respectievelijk die van bedrijfsleider van [eiseres 1] en mede-eigenaar of directeur van [eiseres 2].(3)

2.3 Op grond van de verklaring van 4 september 1990 hebben [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 1] hun aandeel in de schuld van HCI aan [eiseres] c.s. voldaan, althans daarover met laatstgenoemden afspraken gemaakt. Ondanks herhaalde verzoeken is [verweerder] niet overgegaan tot enige betaling. Vervolgens heeft [verweerder] [eiseres] c.s. na de inleidende dagvaarding van 26 februari 1993 medegedeeld dat niet hij maar per 1 juni 1987 Tegelgigant BV vennoot was van HCI. Daarop hebben [eiseres] c.s. de B.V. aangesproken. De B.V. weigerde te betalen. Uiteindelijk wordt de B.V. failliet verklaard. Uit dit faillissement ontvangen [eiseres] c.s. niets. Nog een opmerking terzijde: het is m.i. opmerkelijk dat [eiseres] c.s. [verweerder] in privé kennelijk niet uit onrechtmatige daad hebben aangesproken op basis van de stelling dat toen hij als bestuurder van Tegelgigant de verklaring van 9 december ondertekende hij wist dan wel moest weten dat de B.V. de uit de verklaring voortvloeiende verplichtingen niet zou kunnen nakomen.

2.4 [Eiseres] c.s. vorderen van [verweerder] in deze procedure 25%(4) van het bedrag dat HCI verschuldigd is aan [eiseres] c.s. op twee grondslagen:

1. [verweerder] is op 4 september 1990 nog vennoot van HCI; uit dien hoofde is hij gehouden de 25% te voldoen; en

2. hij heeft op die datum onvoorwaardelijk toegezegd de 25% te betalen.(5)

Ook wordt aan de vordering nog onrechtmatig handelen van [verweerder] ten grondslag gelegd. Deze grondslag speelt in cassatie geen rol en blijft verder buiten beschouwing.

2.5 Bij tussenvonnis van 8 februari 1996 (verder te noemen het eerste vonnis) heeft de rechtbank Rotterdam overwogen dat [eiseres] c.s. van [verweerder] in zijn hoedanigheid van vennoot geen betaling kunnen eisen omdat hij inmiddels geen vennoot (meer) was en de vorderingen van [eiseres] c.s. van na zijn uittreding dateren. De rechtbank is er wel vanuit gegaan dat [verweerder] in privé jegens [eiseres] c.s. gebonden is aan de door hem ondertekende afwikkelingsregeling, tenzij hij bewijst dat [eiseres] c.s. wisten dat de afspraak tussen de vennoten uitsluitend in de hoedanigheid van bestuurder van een als firmant van de vof HCI deel uitmakende besloten vennootschap Tegelgigant B.V. (later genaamd Ital Beheer B.V.) werd getekend.

2.6 [Verweerder] is bij het gerechtshof te Den Haag in hoger beroep gekomen van het eerste vonnis van de rechtbank onder aanvoering van twee grieven. Het hof heeft bij arrest van 26 augustus 1997 (verder te noemen het eerste arrest) het eerste vonnis vernietigd. Het heeft het aannemelijk geacht dat [verweerder] bij het opstellen van de afwikkelingsregeling als vertegenwoordiger van Tegelgigant B.V. is opgetreden en heeft [eiseres] c.s. toegelaten tot het bewijs dat [verweerder] bij de ondertekening van de verklaring van 4 september 1997(6) in privé heeft gehandeld en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Rotterdam ter verdere afdoening.

2.7 De rechtbank heeft in haar vonnis van 27 januari 2000 (verder te noemen het tweede vonnis) de vorderingen van [eiseres] c.s. afgewezen. [Eiseres] c.s. zijn er namelijk niet in geslaagd te bewijzen dat bij de bespreking, waarbij de verklaring is ondertekend, dan wel op een eerder tijdstip uitdrukkelijk is besproken dat [verweerder] in privé aansprakelijk zou zijn in plaats van de Tegelgigant B.V.(7)

2.8 [Eiseres] c.s. zijn vervolgens in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 27 januari 2000 en van 8 februari 1996 van de rechtbank Rotterdam (het tweede en eerste vonnis). [Eiseres] c.s. hebben zes grieven aangevoerd. Het hof is van oordeel dat [eiseres] c.s. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard voor zover het beroep zich richt tegen het eerste vonnis, aangezien zij tegen dat vonnis reeds eerder hebben geappelleerd. Het hof bespreekt niettemin alle zes aangevoerde grieven die tegen de beide rechtbankvonnissen zijn aangevoerd. Het komt tot de conclusie dat de grieven falen. Het bestreden vonnis van 27 januari 2000 wordt door het hof bekrachtigd.

2.9 [Eiseres] c.s. hebben vervolgens tijdig beroep in cassatie ingesteld.(8) Eiseressen hebben hun stellingen schriftelijk toegelicht. [Verweerder] voert in cassatie geen verweer.

3. Behandeling van het cassatiemiddel

3.1 Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Elk onderdeel bestaat uit subonderdelen. Onderdeel I richt zich tegen het arrest van het Hof van 26 augustus 1997 (het eerste arrest); onderdeel II tegen het arrest van het Hof van 26 maart 2002 (het tweede arrest). De beide bestreden arresten van het hof vertonen m.i. enige oneffenheden. Ik zeg dit overigens met gepaste terughoudendheid. Ik heb bij de behandeling van de cassatiemiddelen geprobeerd de zaak zo veel mogelijk terug te voeren tot wat m.i. de inhoudelijke kern is.

3.2 Subonderdeel I.1 klaagt over rechtsoverweging 2 van het bestreden arrest:

"De rechtbank heeft met betrekking tot de primaire vordering geoordeeld dat [eiseres] c.s. van [verweerder] in diens hoedanigheid van vennoot van HCI geen betaling van hun vorderingen op HCI kunnen eisen nu uit het Handelsregister blijkt dat [verweerder] geen vennoot van HCI is. Tegen dat oordeel is in hoger beroep niet opgekomen."

Het subonderdeel klaagt dat het hof in rov. 2 ten onrechte niet heeft behandeld het beroep van [eiseres] c.s. op de omstandigheid dat [verweerder] jegens hen in schijn nog steeds vennoot was en op die grond gehouden was om in ieder geval 25% van de vorderingen van [eiseres] c.s. te voldoen. Hiermee brengt het subonderdeel de zogenaamde devolutieve werking van het appel in stelling. Het beroep op deze werking is m.i. in beginsel terecht. Het hof had in zijn eerste arrest de gevolgen moeten onderzoeken van zijn afwijzing van de door de rechtbank in beginsel aanvaarde onvoorwaardelijke gebondenheid van [verweerder] aan de verklaring van 4 september 1990 (tweede grondslag van de vordering van [eiseres] c.s.) voor het tegelijkertijd door de rechtbank afgewezen beroep van [eiseres] c.s. op de bij hen bestaande indruk dat [verweerder] nog steeds vennoot was (eerste grondslag van de vordering van [eiseres] c.s.). Niettemin meen ik dat het subonderdeel bij gebrek aan belang verworpen dient te worden. [Eiseres] c.s. hebben in hun memorie van grieven van 3 augustus 2000 gesteld dat [verweerder] in verhouding tot hen in schijn vennoot was.(9) Hierop is het Hof, daartoe uitgedaagd door de grieven van [eiseres] c.s., in zijn tweede arrest in de rechtsoverwegingen 3.1-3.3 inhoudelijk ingegaan. Als gevolg hiervan hebben [eiseres] c.s. geen belang bij hun beroep op de devolutieve werking van het appel. Het hof heeft immers - zij het in tweede instantie - de door [eiseres] c.s. verdedigde stelling dat [verweerder] in schijn vennoot was behandeld. In de andere subonderdelen van het eerste onderdeel van het cassatiemiddel wordt ook een beroep gedaan op de door [verweerder] bij [eiseres] c.s. gewekte indruk dat hij nog vennoot is. Ik meen dat ook deze beroepen moeten afstuiten op gebrek aan belang. Bij de behandeling van het tweede subonderdeel van het tweede onderdeel van het cassatiemiddel ga ik in op de vraag, of het hof voldoende begrijpelijk het beroep van [eiseres] c.s. op de omstandigheid dat [verweerder] jegens hen nog in schijn vennoot zou zijn heeft afgewezen.

3.3 Het subonderdeel I.2 richt zich tegen rechtsoverweging 5 van het arrest van het hof. Deze rechtsoverweging luidt als volgt:

"Gelet op de inhoud van verklaring en het aandeel in het verlies dat de ondertekenaars voor hun rekening nemen acht het Hof het aannemelijk dat [verweerder] bij het opstellen van de verklaring en de ondertekening daarvan is opgetreden als vertegenwoordiger van Tegelgigant B.V. Het ging hier immers om het vinden van een oplossing van de in problemen verkerende vennootschap onder firma HCI, waarvoor slechts vennoten aansprakelijk zijn te stellen. Uit de stukken blijkt niet dat [verweerder] zich daarbij als borg of anderszins in privé voor Tegelgigant heeft verbonden."

Het hof leidt uit de tekst van de verklaring van 4 september 1990 af dat niet [verweerder] in privé gebonden is aan hetgeen uit de verklaring voortvloeit, maar zijn b.v. Het onderdeel acht deze gevolgtrekking onjuist en wijst erop dat [eiseres] c.s. in de memorie van antwoord van 6 februari 1997(10) op een aantal omstandigheden hebben gewezen dat hun inziens aanleiding zou moeten geven tot het aannemen van een binding van [verweerder] in privé. In de memorie worden onder andere genoemd de reden voor de bespreking waarin de verklaring van 4 september 1990 is opgesteld, de omstandigheid dat de bespreking plaatsvond op initiatief, ten kantore en in aanwezigheid van [eiseres] c.s., de omstandigheid dat in de verklaring naar [eiseres] c.s. als de grootste crediteuren van HCI wordt verwezen en de kennelijke bedoeling van betrokkenen dat [eiseres] c.s. afstand zouden doen van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten, zodat er een overzichtelijke aansprakelijkheid voor de vennoten zou overblijven. Ik meen dat het subonderdeel doel treft. Het is onduidelijk waarom het hof de in de memorie van antwoord genoemde omstandigheden die m.i. relevant zijn voor de beantwoording van de vraag, of de verklaring van 4 september 1990 een binding van [verweerder] jegens [eiseres] c.s. teweeg brengt niet heeft betrokken in zijn beslissing dat alleen Tegelgigant B.V. aan de verklaring gebonden is. In dit opzicht heeft het hof zijn arrest m.i. onvoldoende helder gemotiveerd. Naar mijn inzicht weegt deze tekortschietende motivering des te zwaarder, omdat het hier de kern van het geschil betreft. De inzet van het geding betreft immers de vraag, of [verweerder] zelf op de een of andere grond aan de verklaring is gebonden. Het hof heeft - zo krijg ik de indruk - de verklaring uitgelegd als een soort intern vennootschapsrechtelijk document en gemeend daaraan de "min of meer logische" gevolgtrekking te moeten verbinden dat het uitgangspunt dient te zijn dat alleen de vennoten, waaronder Tegelgigant B.V., daaraan gebonden zijn. Hetgeen [eiseres] c.s. hebben aangevoerd omtrent de omstandigheden waaronder de verklaring is tot stand gekomen had het hof er m.i. toe moeten brengen te onderzoeken in hoeverre verdiscontering van die omstandigheden bij de uitleg van de verklaring bewerkstelligt dat deze verklaring als meer dan een intern vennootschappelijk document begrepen dient te worden.

3.4 De subonderdelen I.3. en I.4 maken bezwaar tegen rechtsoverwegingen 6. - 9. van het hof. Deze rechtsoverwegingen berusten op het uitgangspunt dat Tegelgigant B.V. en niet [verweerder] aan de verklaring is gebonden. In 3.3 heb ik uiteengezet dat het hof dit door hem gehanteerde uitgangspunt onvoldoende heeft gemotiveerd. Het gevolg hiervan is dat ook de subonderdelen I.3 en I.4 die met gebruikmaking van uiteenlopende argumenten nogmaals bezwaar maken tegen het door het hof gehanteerde uitgangspunt doel treffen.

3.5 Het gevolg van de gegrondbevinding van het eerste onderdeel van het cassatiemiddel is dat het eerste arrest van het hof vernietigd dient te worden. Deze vernietiging heeft ook gevolgen voor de geldigheid van het tweede vonnis en het tweede arrest. Er is sprake van een domino-effect. Het hof zal uitspraak moeten doen in de stand van het geding na het eerste vonnis van de rechtbank en mede op basis van de tegen dat vonnis door [verweerder] ingebrachte bezwaren en de daarop door [eiseres] c.s. in het geding gebrachte memorie van antwoord. Het tweede vonnis en het tweede arrest verliezen als gevolg hiervan hun betekenis. Strikt genomen betekent dit dat ik het tweede onderdeel van het cassatiemiddel dat zich tegen het tweede arrest richt niet zou behoeven te behandelen. Ik doe dit niettemin voor het geval uw raad meent dat het eerste arrest in stand dient te blijven.

3.6 Het subonderdeel II.1 van het cassatiemiddel richt zich tegen de beslissing van het hof dat [eiseres] c.s. niet ontvankelijk zijn in de grieven die zij hebben gericht tegen het eerste vonnis van de rechtbank, omdat zij daartegen reeds eerder hebben geappelleerd. Deze klacht is in beginsel gegrond, omdat uit de gedingstukken blijkt dat [eiseres] c.s. geen appel hebben ingesteld tegen het eerste vonnis. Niettemin meen ik dat [eiseres] c.s. geen belang hebben bij gegrondbevinding van het subonderdeel, omdat het hof in zijn tweede arrest in de rechtsoverwegingen 3.1 - 3.3 inhoudelijk is ingegaan op de grieven die [eiseres] c.s. tegen het eerste vonnis hebben aangevoerd. Of het hof deze grieven op een inhoudelijk adequate wijze heeft behandeld komt aan de orde bij de behandeling van subonderdeel II.2 in 3.7.

3.7 Het subonderdeel II.2 van het middel is gericht tegen rechtsoverweging 3.3 van het tweede arrest van het hof. Rechtsoverweging 3.3 luidt als volgt:

"Blijkens een kopie wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel houdende wijziging vennoot in HCI (...) hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dit formulier medeondertekend. Een ontwerp van een notariële akte uit 1987 voor de oprichting van een besloten vennootschap HCI B.V. (...) vermeldt als comparant - naast de drie vennoten van de v.o.f. HCI - Tegelgigant B.V. Voorts heeft [verweerder] als getuige verklaard dat alle vennoten ervan op de hoogte waren dat Tegelgigant B.V. vennoot van HCI was. Hieruit leidt het hof af, dat de andere vennoten ermee bekend waren dat [verweerder] als vennoot van HCI was uitgetreden en dat Tegelgigant daarvoor in de plaats was gekomen. Nu [betrokkene 3] blijkens zijn verklaring als getuige vanaf ongeveer 1987 tot 1997 directeur is geweest van [eiseres 1], en - blijkens de getuigenverklaringen van [betrokkene 2], [betrokkene 1] en [verweerder]- ook (mede)eigenaar of directeur van [eiseres 2] was en [betrokkene 2] als getuige voorts heeft verklaard 25 jaar bedrijfsleider van [eiseres 1] te zijn geweest brengt dit mee, dat ook [eiseres 1] en [eiseres 2] met de wisseling van vennoot (bekend?, L.T.) moeten worden verondersteld. In ieder geval kan gelet hierop niet worden volgehouden dat [verweerder] tegen [eiseres 1] en [eiseres 2] de schijn heeft gewekt dat hij nog vennoot van HCI was dient dan ook reeds op grond hiervan te worden verworpen (hier is kennelijk iets weggevallen, L.T.). Feiten en omstandigheden op grond waarvan [verweerder] moest begrijpen dat [eiseres 1] en [eiseres 2] er niettemin vanuit gingen dat hij nog vennoot van HCI was en op grond daarvan [eiseres 1] en [eiseres 2] er nog uitdrukkelijk op had behoren te wijzen dat dat niet het geval was, zijn gesteld noch gebleken."

De kern van deze overweging is dat bepaalde kennis van functionarissen van [eiseres] c.s. aan deze wordt toegerekend met het gevolg dat er geen sprake van kan zijn dat [verweerder] in verhouding tot [eiseres] c.s. nog in schijn vennoot was. Tegen deze toerekening van kennis maakt het cassatiemiddel met een motiveringsklacht terecht bezwaar. Ik meen dat het hof in de hierboven geciteerde rechtsoverweging onvoldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan het meent dat er kennis toegerekend dient te worden. De schriftelijke toelichting op het cassatiemiddel wijst erop dat toerekening van kennis dient plaats te vinden, wanneer de verkeersopvattingen dit vereisen.(11) Het onderdeel wijst ook op enige literatuur waarin gepoogd wordt het begrip verkeersopvattingen in het bijzonder met het oog op toerekeningsvragen in te vullen.(12) Het begrip verkeersopvattingen is vaag. Ik zou menen dat de omstandigheden van het geval bepalen, of bij voorbeeld kennis van de een aan de ander toegerekend dient te worden. M.i. kan toerekening van kennis plaatsvinden, bijvoorbeeld wanneer degenen die over bepaalde kennis beschikken in de organisatie waaraan de kennis wordt toegerekend een centrale en dominante positie vervullen of beslissende invloed hebben uitgeoefend op het al dan niet afsluiten van de transactie waarvoor de toe te rekenen kennis relevant is. Ik meen anders dan het hof dat de enkele vaststelling dat iemand gedurende bepaalde periode bedrijfsleider, directeur of (mede)eigenaar van een organisatie is geweest onvoldoende is om toerekening van kennis aan die organisatie te rechtvaardigen. Deze functies kunnen immers een nogal uiteenlopende betekenis hebben. Onduidelijk is bij voorbeeld welke zeggenschap deze functies binnen de desbetreffende organisatie opleverden. Om kennis van een functionaris aan een rechtspersoon of organisatie te kunnen toerekenen dienen m.i. meer specifieke omstandigheden te worden vastgesteld die een dergelijke toerekening kunnen rechtvaardigen dan het hof heeft gedaan, zoals daadwerkelijke zeggenschap binnen de betrokken rechtspersoon of organisatie. Het hof heeft in rechtsoverweging 3.3 te weinig inzicht in zijn gedachtegang waarop het toerekening heeft gebaseerd gegeven.

3.8 Subonderdeel II.3 klaagt over rechtsoverwegingen 4.1 - 4.4. Dit oordeel van het hof is onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd. Rechtsoverwegingen 4.1 - 4.4 behandelen de grieven IV, V en VI van [eiseres] c.s. welke waren gericht tegen het oordeel van de rechtbank in haar eindvonnis dat zij niet in hun bewijsopdracht zijn geslaagd, zoals die door het Hof in zijn eerste arrest was geformuleerd, namelijk dat "[verweerder] bij de ondertekening van de verklaring van 4 september 1997 in privé heeft gehandeld." (Dit moet echter, zoals al opgemerkt, zijn 4 september 1990). Ook het hof oordeelt dat [eiseres] c.s. niet in deze bewijsopdracht zijn geslaagd. Dit op grond van de overwegingen in rechtsoverweging 4.3 dat uit de afgelegde getuigenverklaringen(13) niet

blijkt dat over het optreden van [verweerder] als privé-persoon voor of tijdens de bespreking "expliciet is gesproken" en dat de bevestiging van het probandum door [betrokkene 4] en [betrokkene 5](14) niet berust op iets dat door hen "waargenomen of ondervonden is", maar "slechts (op) hun eigen opvatting." Het subonderdeel meent dat dit onjuist dan wel onvoldoende is gemotiveerd.

3.9 Ik kan niet verhelen dat de gedachte van het hof in zijn eerste arrest dat ondanks persoonlijke ondertekening in beginsel ervan uit gegaan dient te worden dat er namens de b.v. is getekend en daarmee alleen de b.v. gebonden is, tenzij [eiseres] c.s. bewijzen dat [verweerder] in privé heeft getekend, mij niet overtuigt. Ik zou menen dat veeleer het omgekeerde dient te gelden: bij persoonlijke ondertekening zonder enige verwijzing naar een andere partij namens wie is getekend geldt persoonlijke gebondenheid, tenzij de in beginsel gebondene kan bewijzen dat de omstandigheden van het geval meebrengen dat hij namens iemand anders (bij voorbeeld zijn persoonlijke b.v.) handelde. We zijn hiermee terug bij het eerste en m.i. juiste vonnis van de rechtbank. Hoe dit alles ook zij, het hof heeft in zijn eerste arrest [eiseres] c.s. belast met het bewijs dat [verweerder] de verklaring van 4 september 1990 in persoon heeft getekend. Het hof heeft in zijn tweede arrest beslist dat [eiseres] c.s. niet in hun bewijsplicht zijn geslaagd, met name omdat zij niet hebben kunnen aangeven op grond van welke tijdens de bespreking van 4 september 1990 gebruikte woorden aangenomen dient te worden dat [verweerder] zichzelf heeft verbonden. Ik meen dat het hof hiermee een onjuist criterium heeft gehanteerd voor de beantwoording van de vraag, of [eiseres] c.s. in hun bewijsopdracht zijn geslaagd en daarmee zijn arrest niet toereikend heeft gemotiveerd. Bij de vraag, of [eiseres] c.s. in hun bewijsopdracht zijn geslaagd, dient de beoordelende rechter niet alleen de tijdens de bespreking van 4 september 1990 gebruikte woordjes mee te wegen, maar alle door [eiseres] c.s. aangedragen omstandigheden die licht werpen op de vraag, of [verweerder] al dan niet in privé is gebonden mee te wegen(15). Derhalve slaagt de klacht.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden arresten en verwijzing van de zaak naar het hof Den Haag ter verdere behandeling van het geding waarin het zich na het nemen van de memorie van antwoord van 6 februari 1997 bevond.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De feiten zijn ontleend aan het rechtbankvonnis van 8 februari 1996, het arrest van het hof van 26 maart 2002 en diverse andere processtukken.

2 Zie voor een kopie van de verklaring: productie 8 bij de conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging van eis.

3 Zie rov. 3.3 van het arrest van het hof.

4 ƒ 170.621,94 ([eiseres 1]) en ƒ 126.700,37 ([eiseres 2]).

5 Aanvankelijk vorderde [eiseres] c.s. betaling van het totaal van hun vorderingen op HCI. Het betreft overigens facturen vanaf 1988, derhalve van na de periode dat [verweerder] vennoot van HCI was.

6 Een verschrijving van het hof. Bedoeld is kennelijk 4 september 1990.

7 Rov. 3.5.

8 Bij dagvaarding van 26 juni 2002. Wellicht ten overvloede merk ik op dat van beide arresten thans cassatie is ingesteld. Dat is mogelijk omdat cassatie namelijk niet meteen hoeft te worden ingesteld als in de uitspraak (in het onderhavige geval het (tussen)arrest van het hof van 26 augustus 1996) niet tevens in het dictum omtrent enig deel van het gevorderde uitspraak is gedaan. Zie hiervoor art. 401a lid 2 Rv. (oud).

9 Zie met name de punten 45-47 en 55-67.

10 Nrs. 8-11, 15 en 17.

11 Zie onderdeel 5.5. van de schriftelijke toelichting.

12 Zie noot 11 van de schriftelijke toelichting.

13 Afgezien van de verklaring van [betrokkene 1].

14 Afgezien van de verklaring van [betrokkene 1].

15 Zie de omstandigheden die namens [eiseres] c.s. zijn gereleveerd in de memorie van grieven van 3 augustus 2000 in nr. 51, 69, 70 en 71.