Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AK3618

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-10-2003
Datum publicatie
23-10-2003
Zaaknummer
00410/03
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AK3618
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Redengevendheid van bewijsmiddelen betreffende het handelen van verdachte en zijn mededaders na inbeslagneming van drugs.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00410/03

Mr Wortel

Zitting:9 september 2003 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod", 2. "medeplegen van: om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en/of een ander middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en vervoermiddelen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd" en 3 "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.

2. Deze zaak hangt samen met de zaken met de griffienummers 00411/03 en 00413/03, waarin ik heden eveneens concludeer.

3. Namens verzoeker heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.

5. De verdachte, die in het kader van deze zaak in voorlopige hechtenis verblijft, heeft op 6 december 2001 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 27 februari 2003 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 26 augustus 2003 voor de eerste maal behandeld, hetgeen er toe leidt dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

6. Dat brengt mee dat de redelijke termijn is overschreden, waaraan naar mijn inzicht niet af kan doen dat het uitwerken van de bewijsmiddelen in deze zaak een bewerkelijke taak is geweest. Het middel is terecht voorgesteld en de geconstateerde termijnoverschrijding dient te leiden tot strafvermindering.

7. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ter zake van het onder 1. tenlastegelegde feit steunt op bewijsmiddelen die niet redengevend kunnen zijn, daar zij betrekking hebben op handelingen die zijn verricht nadat de cocaïne in beslag was genomen, en/of ten onrechte bewezen is verklaard dat verzoeker en zijn mededaders met het oog op het verdere vervoer van die cocaïne een vervoermiddel ter beschikking hebben gehad.

8. Het Hof heeft onder 1. ten laste van verzoeker bewezenverklaard dat hij:

"op of omstreeks 30 augustus 1999 te Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 116 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet bijbehorende lijst I, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen en daar telkens opzettelijk handelingen verricht, gericht op het verdere vervoer en/of de opslag en/of de aflevering van voornoemde cocaïne en van de voorwerpen waarin die cocaïne verpakt was, die per vliegtuig vanuit Zuid-Amerika binnen het grondgebied van Nederland was gebracht, door regelingen te treffen voor/bij de aankomst en de ontvangst en de aflevering van die cocaïne en de voorwerpen waarin die cocaïne verpakt was en door gegevens te laten verstrekken en te laten ontvangen met betrekking tot het vrachtplaatnummer voor het onderkennen/herkennen van de cocaïne en de voorwerpen waarin die cocaïne verpakt was en door een buzzernummer te laten geven en te laten ontvangen, waarmee/waardoor contact moest/kon worden opgenomen met betrekking tot die cocaïne en die voorwerpen waarin die cocaïne was verpakt en door een vervoermiddel te huren en toen en daar voor het verdere vervoer van die cocaïne en die voorwerpen waarin die cocaïne verpakt was, ter beschikking te laten hebben."

9. De steller van het middel wijst er op dat de cocaïne blijkens de bewijsmiddelen op 30 augustus 1999, de dag waarop die cocaïne als vliegtuiglading op Schiphol arriveerde, in beslag is genomen, terwijl uit HR NJ 1998, 515 volgt dat handelingen die zijn verricht na strafvorderlijke inbeslagneming van verdovende middelen per definitie niet meer kunnen strekken tot het verdere vervoer, de opslag of de aflevering daarvan.

10. In de toelichting op het middel wordt verder betoogd dat in ieder geval de bewijsmiddelen 41 tot en met 45 en 47 betrekking hebben op handelingen die na de inbeslagneming van de cocaïne zijn verricht. Nu slechts uit bewijsmiddel 47 valt af te leiden dat verzoeker en zijn mededaders een vervoermiddel ter beschikking hebben gehouden voor het verdere vervoer van de cocaïne is, zo wordt betoogd, de bewezenverklaring in dit opzicht onvoldoende met redenen omkleed.

11. De bewijsmiddelen 41 tot en met 45 zijn weergaven van afgeluisterde telefoongesprekken waarin andere mededaders kennelijk in verhullende termen spreken over het inbeslagnemen van de partij cocaïne. Bewijsmiddel 47 is een weergave van door de politie uitgevoerde observaties, samengevat inhoudend dat verzoeker op 30 augustus 1999 een vrachtwagen met het kenteken [AA-00-AA] heeft bestuurd, die enige tijd op de luchthaven Schiphol geparkeerd heeft gestaan en vervolgens is teruggebracht naar het verhuurbedrijf. Daarbij is de vrachtwagen gevolgd door twee personenauto's, terwijl naast verzoeker ook andere, als mededader aangemerkte, personen zijn waargenomen.

12. Uit voorafgaande bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de als mededaders aangemerkte personen op en voorafgaand aan 30 augustus 1999, de dag waarop de partij van ongeveer 116 kilogram cocaïne bevattend materiaal met een vliegtuig op Schiphol werd aangevoerd en (kennelijk) inbeslaggenomen (bewijsmiddelen 2, 3 en 4), de in de bewezenverklaring genoemde maatregelen hebben getroffen teneinde die cocaïne vanaf Schiphol verder te vervoeren. Er is telefonisch gesproken over het beschikbaar krijgen van papieren en een telefoonnummer (bewijsmiddelen 23 en 24), en over "pakhuizen" voor "die kolossale partij" (bewijsmiddel 26). Op 28 augustus 1999 is telefonisch besproken dat het een dag later dan verwacht zou gaan gebeuren (bewijsmiddelen 27, 28, 29 en 30). Het opnemen en doorgeven van een nummer is geregeld (bewijsmiddelen 31, 33, 34, 35, 36 en 37, vgl ook bewijsmiddel 2: het op 30 augustus 1999 te 02.28 uur naar een 'buzzer' verstuurde bericht "9011" stemt overeen met het nummer van de laadvloer waarop de bewuste zending naar een vrachtstation is overgebracht), en de vrachtwagen die de politie blijkens bewijsmiddel 47 op 30 augustus naar en van de luchthaven heeft zien rijden is geregeld.

13. Verzoekers aandeel in deze voorbereidingen van het verdere vervoer van de cocaïne is blijkens de bewijsmiddelen gelegen geweest in het huren (op verzoek van zekere Diebel, bewijsmiddel 1) en naar de luchthaven rijden (bewijsmiddel 47) van de vrachtwagen. Zie ook de bewijsmiddelen 22, 29 en 32.

14. Klaarblijkelijk, en niet onbegrijpelijk, heeft het Hof de bewijsmiddelen 41 tot en met 45 en 47 voor het bewijs van feit 1 van belang geacht omdat de deelnemers zich in de afgeluisterde telefoongesprekken uitsluitend in omfloerste bewoordingen hebben uitgelaten over het door hen beoogde feit, en hun na de inbeslagneming van de cocaïne gevoerde telefoongesprekken alsmede de in bewijsmiddel 47 vastgelegde waarnemingen van de politie bevestigen dat de tot aan het moment van de inbeslagneming verrichte handelingen gericht waren op het in bewuste samenwerking verder vervoeren, opslaan en/of afleveren van de binnen Nederland gebrachte en vervolgens inbeslaggenomen partij cocaïne.

15. Voorts merk ik op dat de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen 86 bewijsmiddelen zijn gebezigd tot bewijs van de drie bewezenverklaarde feiten, met dien verstande dat het Hof heeft vermeld dat die bewijsmiddelen telkens zijn gebezigd ten bewijze van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Samengevat betreffen deze drie feiten het medeplegen van binnen Nederland brengen, in de zin van art. 1, vierde lid, Ow, van 116 kilogram cocaïne bevattend materiaal op of omstreeks 30 augustus 1999 (feit 1), het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen als bedoeld in art. 10a Ow in de periode van 1 oktober 1999 tot en met 15 december 1999 (feit 2) en het deelnemen aan een criminele organisatie waarvan het oogmerk was gericht op het voorbereiden en/of bevorderen van in het derde of vierde lid van art. 10 Ow strafbaar gestelde feiten en op het opzettelijk binnen Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne, in de uitgebreide betekenis van art. 1, vierde lid, Ow, in de periode van 1 augustus 1999 tot en met 31 maart 2000 (feit 3).

16. Het Hof kon de bewijsmiddelen 41 tot en met 45 en 47 mede redengevend achten voor het bewijs van de als feit 3 bewezenverklaarde deelneming, in de periode van 1 augustus 1999 tot en met 31 maart 2000, aan een organisatie die het invoeren van cocaïne en het voorbereiden of bevorderen van in art. 10, derde of vierde lid, Ow strafbaar gesteld feiten tot oogmerk had.

17. Het middel is derhalve vruchteloos voorgesteld. Naar mijn inzicht leent het zich voor toepassing van art. 81 RO.

18. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,