Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AK3614

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-11-2003
Datum publicatie
12-12-2003
Zaaknummer
03010/00 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AK3614
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beschikking ex art. 552f Sv. Voor een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer is geen plaats indien de vervolging van één van de klagers nog hangende is.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36b
Wetboek van Strafvordering 552f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03010/00 B

Mr Wortel

Zitting: 9 september 2003

Conclusie inzake:

Maatschap [verzoekster = klaagster 2]

1. De Rechtbank te Breda heeft een vordering van de Officier van Justitie als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4° Sr juncto art. 552 f Sv, strekkende tot onttrekking aan het verkeer van 23 inbeslaggenomen runderen, gegrond verklaard.

2. Tegen die beschikking is door verzoekster beroep in cassatie ingesteld. Mr. L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem, heeft bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld. Deze schriftuur is niet binnen 30 dagen nadat de aanzegging aan verzoekster is betekend bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Aangezien het cassatieberoep is ingesteld op 17 augustus 2000 geldt ten deze nog art. 447 (OUD) Sv. Dientengevolge heeft de overschrijding van de in deze bepaling gestelde termijn niet tot gevolg dat verzoekster in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, maar voert die overschrijding ertoe dat Uw Raad op de schriftuur geen acht kan slaan.

3. Ambtshalve beoordeling van de onderhavige beschikking brengt mij tot de slotsom dat het aangewezen is het Openbaar Ministerie in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Daarvoor zie ik drie redenen, die ik hierna uiteen zal zetten.

4. Het gaat in deze zaak om de afwikkeling van een beslag dat door justitie ten laste van de maatschap is gelegd op 23 runderen, wegens de verdenking dat aan die runderen illegaal groeihormonen zijn toegediend. Dat beslag is gelegd op 1 maart 2000 (1 rund) en op 10 maart 2000 (de resterende 22 runderen). Op 6 juli 2000 heeft de Officier van Justitie schriftelijk de vordering gedaan, ertoe strekkende dat de runderen bij afzonderlijke beslissing aan het verkeer zullen worden onttrokken. Die vordering is door de Rechtbank, nadat op 28 juli 2000 de vordering in openbare raadkamer is behandeld, bij beschikking van 11 augustus 2000 toegewezen.

5. Bij de stukken bevindt zich een akte rechtsmiddel d.d. 17 augustus 2000, welke inhoudt dat namens verzoekster cassatieberoep is aangetekend tegen deze beschikking.

6. Mijnerzijds is bij het arrondissementsparket bij de Rechtbank te Breda navraag gedaan naar de afhandeling van het op de runderen gelegde beslag. Daaruit is het volgende gebleken. Op 18 augustus 2000 is door de Officier van Justitie een last ex art. 116 Sv verstrekt aan de bewaarder van de runderen om met die dieren te handelen als waren zij onttrokken aan het verkeer. Aan die last is op 14 september 2000 uitvoering gegeven door vernietiging van de dieren.

Voorts is mij gebleken dat de Officier van Justitie is overgegaan tot vervolging van verzoekster en de personen die de maatschap vormen. Ten aanzien van de maten, [klager 1] en [klager 3], heeft die vervolging geleid tot een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Breda van 11 februari 2002 waarbij het Openbaar Ministerie in de vervolging - wegens kort gezegd overtreding van de artikelen 29 en 31 van de Diergeneesmiddelenwet - niet-ontvankelijk is verklaard. De berechting van verzoekster heeft nog niet plaatsgevonden. De Officier van Justitie hoopt de behandeling te kunnen laten plaatsvinden op een zitting van de Economische Politierechter van 8 december 2003, maar dat is niet zeker. Bij beschikking van 15 augustus jongstleden is een bezwaarschrift tegen de dagvaarding gegrond verklaard omdat de destijds vereiste kennisgeving van verdere vervolging niet is betekend. Op het daartegen door de Officier van Justitie ingestelde hoger beroep moet nog worden beslist.

7. Allereerst wijs ik op HR NJ 1986, 574. De mogelijkheid om een vordering als de onderhavige te doen staat het Openbaar Ministerie niet open indien het voornemens is de verdachte te doen terechtstaan. De Rechtbank die op een vordering als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4° Sr juncto art. 552 f Sv heeft te beslissen dient te onderzoeken of de strafzaak in verband waarmee het beslag is gelegd aan het oordeel van de rechter zal worden onderworpen. In het onderhavige geval blijkt niet dat de Rechtbank dit is nagegaan, zodat de beschikking een motiveringsgebrek vertoont. Dat zou niet tot cassatie behoeven te leiden indien vastgesteld kan worden dat geen verdere vervolging van verzoekster heeft plaatsgevonden. Nu blijkt dat er sprake is van een verdere vervolging zal het Openbaar Ministerie naar mijn inzicht reeds om die reden in de vordering niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.

8. Ten tweede werp ik de vraag op of het Openbaar Ministerie enig rechtens te respecteren belang kan hebben bij een beslissing op zijn vordering. De runderen zijn immers vernietigd, en wel (blijkens de door het arrondissementsparket te Breda verstrekte inlichtingen) door toepassing van een bevoegdheid die de Officier van Justitie niet toekwam. Naar aanleiding van HR NJ 1998, 779 is art. 116 Sv met ingang van 1 juni 2000 gewijzigd. Ten gevolge van die wijziging (en het zo-even genoemde arrest) kan de Officier van Justitie niet zonder meer bevelen dat met een inbeslaggenomen voorwerp wordt gehandeld als ware het onttrokken aan het verkeer. Dat bevel kan nog slechts gegeven worden indien hetzij degene onder wie het beslag werd gelegd schriftelijk afstand van het voorwerp heeft gedaan (art. 116, tweede lid, Sv), hetzij de in art. 116, derde lid, Sv neergelegde procedure wordt gevolgd. Die procedure houdt in dat, indien de beslagene geen afstand van het voorwerp doet, hem een kennisgeving wordt verstuurd van het voornemen met het voorwerp te handelen als ware het aan het verkeer onttrokken, waardoor de beslagene in de gelegenheid wordt gesteld daartegen op te komen.

9. Nu het Openbaar Ministerie de runderen heeft laten vernietigen, daags nadat verzoekster tegen de door de Officier van Justitie uitgelokte beschikking tot onttrekking aan het verkeer cassatie had ingesteld (waarbij is voorbijgezien aan de schorsende werking die rechtsmiddelen in beginsel hebben), valt niet in te zien welk belang het Openbaar Ministerie nog bij handhaving van zijn vordering kan hebben.

Het is denkbaar dat de Officier van Justitie eigenlijk beoogde gebruik te maken van de in art. 117 Sv voorziene mogelijkheid voorwerpen te vernietigen indien zij niet geschikt zijn voor opslag, of de waarde daarvan niet in redelijke verhouding staat tot de kosten van bewaring (alleen vernietiging kwam in aanmerking, daar de verdenking dat de runderen met illegale groeihormonen waren bewerkt meebracht dat het ongecontroleerd bezit van die runderen in strijd is met het algemeen belang en mogelijk ook met de wet, vgl art. 41 Diergeneesmiddelenwet). Ook als dat de bedoeling is geweest lijkt de thans in art. 134, aanhef en onder c Sv opgenomen bepaling mee te brengen dat het Openbaar Ministerie geen belang meer heeft bij een beschikking strekkende tot onttrekking aan het verkeer van de runderen.

10. Ten derde, maar niet los te zien van het voorgaande, wijs ik op het tijdsverloop in de cassatiefase. De stukken zijn na het instellen van cassatie zeer voortvarend naar de Hoge Raad gezonden. Het cassatieberoep is, als gezegd, op 17 augustus 2000 ingesteld en de stukken werden reeds op 30 augustus 2000 ontvangen. Om mij onbekende redenen heeft het evenwel tot januari 2002 geduurd voordat de zaak bij de Hoge Raad in behandeling werd genomen. Vervolgens duurde het nog tot juni 2002 voordat werd opgemerkt dat de Rechtbank had verzuimd een uitgewerkt proces-verbaal van de behandeling in raadkamer bij de stukken te voegen. Dat uitgewerkte proces-verbaal is (na herhaalde aandrang) eerst op 12 augustus 2003 van de Rechtbank ontvangen. Alles bij elkaar heeft de behandeling in cassatie, om redenen die niet aan verzoekster zijn toe te rekenen, bij het nemen van deze conclusie reeds meer dan drie jaren geduurd.

11. In een procedure als de onderhavige, waarin het gaat om de vaststelling van burgerlijke rechten, is art. 6 EVRM toepasselijk, vgl HR NJ 1989, 598. Het staat de rechter in een dergelijke procedure evenwel niet vrij het Openbaar Ministerie wegens een (aanzienlijke) overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in de vordering tot onttrekking aan het verkeer niet-ontvankelijk te verklaren. Daartegen verzet zich dat de procedure betrekking heeft op voorwerpen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, vgl HR NJ 1994, 489.

12. Nu een beslissing op de vordering van de Officier van Justitie niet meer tot gevolg kan hebben dat de runderen weer in het vrije verkeer worden gebracht, meen ik evenwel dat in de vertraging die bij de behandeling in cassatie is opgetreden een derde reden te vinden is om het Openbaar Ministerie in die vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

13. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering tot onttrekking aan het verkeer.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,