Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AJ3246

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-10-2003
Datum publicatie
24-10-2003
Zaaknummer
R02/048HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AJ3246
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

24 oktober 2003 Eerste Kamer Rek.nr. R02/048HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [de vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n [de man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 528
JWB 2003/394
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R02/048HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Parket 5 september 2003

Conclusie inzake

[de vrouw]

tegen

[de man]

Inleiding

1. Partijen, verder: de vrouw en de man, zijn op 27 mei 1988 met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden; uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren. In dit geding heeft de Rechtbank bij beschikking van 14 juli 1999 tussen partijen de echtscheiding uitgesproken; deze beschikking is op 5 oktober 1999 ingeschreven in de registers van de burgelijke stand. In cassatie gaat het nog slechts om de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

2. De Rechtbank heeft bij eindbeschikking van 6 december 2000 de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud vastgesteld op f 9.583,- per maand nadat de vrouw - bij zelfstandig verzoek - had verzocht de door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage vast te stellen op f 10.000,- per maand. De Rechtbank stelde daartoe voorop dat ervan moet worden uitgegaan dat de vrouw behoefte heeft aan een inkomen van f 170.000,- bruto per jaar nu de man de stellingen van de vrouw ter zake onvoldoende gemotiveerd heeft betwist en voorts dat de man heeft erkend dat hij op zichzelf over voldoende draagkracht beschikt; zij stelde voorts vast dat het conflict van partijen zich met name toespitst op de vraag of de vrouw in staat moet worden geacht met eigen middelen zelf volledig in de door haar gestelde behoefte te voorzien. Zij overwoog dat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw niet (mede) zal worden uitgegaan van (enige) intering op haar vermogen nu is gesteld noch gebleken dat de man zou moeten interen op zijn vermogen wanneer hem de verzochte alimentatieverplichting zou worden opgelegd. De Rechtbank kwam vervolgens tot de slotsom dat in redelijkheid ervan dient te worden uitgegaan dat de vrouw zich - gezien haar vermogen en de daaruit voortvloeiende revenuen - een inkomen van f 55.000,- bruto per jaar kan verwerven, zodat de vrouw een bedrag van f 115.000,- bruto per jaar "te kort komt" aangezien haar behoefte f 170.000,- bruto per jaar bedraagt.

3. De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de (hoogte van de) door de Rechtbank vastgestelde alimentatie. Hij heeft onder meer betoogd dat van de vrouw mag worden verlangd dat zij alles in het werk stelt om in haar eigen kosten van levensonderhoud voorzien. In dat verband heeft hij onder meer aangevoerd dat de vrouw aan deze verplichting concreet invulling kan geven door de aan haar toegescheiden voormalige echtelijke woning te verkopen, met welke verkoop zij een netto-opbrengst kan realiseren van 3,3 miljoen gulden waarvan zij 7 à 8 ton zou kunnen besteden aan een fraaie woning en waarvan zij de resterende 2 1/2 miljoen risicodragend zou kunnen beleggen zodat haar vermogen rendeert met minstens 5% per jaar, dat wil zeggen met f 82.500,- netto per jaar (pleitaantekeningen, sub 1). De man heeft voorts betoogd dat de vrouw nog over veel meer vermogensbestanddelen beschikt die zij liquide kan maken en dat het rendement dat de vrouw zegt per jaar te kunnen genereren (f 51.000,- netto) neerkomt op nog geen 1 1/2 % van het vermogen van de vrouw (appelrekest, p. 9 en 10 en pleitaantekeningen, sub 3). Hij heeft voorts - anders dan in eerste aanleg - betoogd dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Het Hof heeft bij beschikking van 4 april 2002 de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw vastgesteld op 2.270,- euro per maand met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het Hof heeft daartoe, nadat het de behoefte van de vrouw - evenals de Rechtbank - had vastgesteld op f 170.000,- bruto per jaar, als volgt overwogen:

"3.3. (...)

Het hof is, gelet op de wederzijdse vermogens- en inkomensposities van partijen, zoals uit de stukken en ter zitting in hoger beroep gebleken, van oordeel dat weliswaar de moeder in staat geacht moet worden zich zodanige inkomsten te verwerven dat zij voor een deel in genoemde eigen behoefte kan voorzien, doch dat zij desondanks behoefte heeft aan nagenoemde redelijk geachte uitkering tot haar levensonderhoud, tot betaling waarvan de vader naast de bij de beschikking waarvan beroep bepaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen voldoende draagkracht heeft.

Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat, als door de vader gesteld en door de moeder onvoldoende weersproken, is komen vast te staan dat alleen al de aan de moeder in eigendom toebehorende voormalige echtelijke woning een overwaarde van ruim f. 2.500.000,- vertegenwoordigt. Het hof acht de door de moeder gestelde vermindering van haar inkomsten uit de verhuur van het bedrijvencomplex te Schiedam vanwege een asbestclaim uit voormeld bedrijfspand van tijdelijke aard, en is van oordeel dat deze haar gemiddelde inkomsten uit genoemde bron niet substantieel doet verminderen.

(...)

Het hof overweegt daarbij dat, wat er zij van het feit dat beide partijen hun vermogen kennelijk grotendeels op consolidatie hebben belegd, zij desgewenst uit hun wederzijdse vermogens inkomsten zouden kunnen genereren."

4. De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld; de man heeft een verweerschrift ingediend met het verzoek het beroep te verwerpen.

Het cassatiemiddel

5. Middelonderdeel 1 bevat de cassatieklacht die in onderdeel 2 in een aantal subonderdelen nader wordt uitgewerkt. De onder 1 geformuleerde cassatieklacht stelt voorop dat het Hof, dat evenals de Rechtbank ervan uitgaat dat de behoefte van de vrouw f 170.000,- bruto per jaar bedraagt doch dat vervolgens oordeelt dat de alimentatie moet worden vastgesteld op iets meer dan de helft van de door de Rechtbank vastgestelde bijdrage, zijn oordeel (uitsluitend) motiveert met de overweging dat "is komen vast te staan dat alleen al de aan de moeder in eigendom toebehorende voormalige echtelijke woning een overwaarde van ruim f 2.500.000,-- vertegenwoordigt". Geklaagd wordt dat 's Hofs oordeel rechtens onjuist is, althans niet voldoet aan de motiveringseisen die - zoals overwogen in HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495 - ook voor beslissingen als de onderhavige gelden. Subonderdeel 2.1 licht deze klacht nader toe met het betoog dat verondersteld moet worden dat de grond voor 's Hofs beslissing om de alimentatie ten opzichte van het door de Rechtbank vastgestelde bedrag te halveren uitsluitend is gelegen in 's Hofs vaststelling dat de door de vrouw bewoonde (haar toegescheiden) voormalige echtelijke woning een overwaarde vertegenwoordigt van f 2.500.000,- aangezien het eigen inkomen van de vrouw ten tijde van 's Hofs beschikking ten opzichte van het tijdstip waarop de beschikking van de Rechtbank werd gegeven, slechts is gedaald doch zeker niet is gestegen. Voor het overige, aldus dit middelonderdeel, blijft het gissen, zodat 's Hofs beschikking reeds om die reden niet in stand kan blijven. Middelonderdeel 2.2 klaagt dat het Hof eraan heeft voorbijgezien dat de voormalige echtelijke woning de vrouw in mede-eigendom toekwam en dat deze woning aan de vrouw is toegescheiden tegen een betaling die ten laste is gegaan van de overige vermogensbestanddelen van de vrouw, zodat het saldo van de bezittingen van de vrouw gelijk is gebleven. De middelonderdelen 2.3-2.5 gaan uit van de veronderstelling dat het Hof met zijn gewraakte overweging omtrent de overwaarde van de voormalige echtelijke woning heeft willen aangeven dat de vrouw door het verhogen van de bestaande hypothecaire lening deze overwaarde te gelde zou kunnen maken en daaruit een deel van haar levensonderhoud zou kunnen voldoen. De middelonderdelen 2.6-2.13 gaan ervan uit dat het Hof heeft bedoeld dat de vrouw door verkoop de overwaarde van de voormalige echtelijke woning liquide had kunnen maken waarna zij vervolgens door intering op dat vermogen in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien. Middelonderdeel 2.13 kan ook nog aldus worden gelezen dat het de zelfstandige klacht bevat dat 's Hofs beschikking ook reeds daarom onbegrijpelijk is omdat in cassatie veronderstellenderwijs - bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag - dient te worden uitgegaan van de juistheid van de (onder middelonderdeel 2.11 als omstandigheid sub e genoemde) stelling van de vrouw dat de man heeft erkend dat het redelijk is dat de vrouw met de bij haar wonende kinderen in de voormalige echtelijke woning kan blijven wonen, althans dat het Hof niet zonder enige motivering - die ontbreekt - aan deze essentiële stelling had mogen voorbijgaan. Middelonderdeel 2.14 bevat geen zelfstandige klacht.

6. Naar mijn oordeel faalt het middel wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft - anders dan het middel veronderstelt - zijn oordeel dat de vrouw in staat moet worden geacht zich zodanige inkomsten te verwerven dat zij voor een deel in haar behoefte van f 170.000,- kan voorzien zodat de door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud kan worden bepaald op 2.275,- euro per maand, niet uitsluitend gebaseerd op de door het middel gewraakte overweging omtrent de overwaarde van de door de vrouw bewoonde voormalige echtelijke woning, met welke overweging het Hof kennelijk het betoog van de man onderschreef dat de vrouw door verkoop van de voormalige echtelijke woning en door aankoop van een goedkopere woning geld vrij zou kunnen maken dat haar bij herbelegging inkomsten zou kunnen opleveren en dat de keuze van de vrouw om zulks niet te doen voor haar eigen rekening dient te blijven. Uit de hiervoor onder 3 geciteerde rechtsoverweging 3.3 blijkt immers dat het Hof zijn oordeel tevens heeft gebaseerd op de overweging dat "wat er zij van het feit dat beide partijen hun vermogen kennelijk grotendeels op consolidatie hebben belegd, zij desgewenst uit hun wederzijdse vermogens inkomsten zouden kunnen genereren." Aldus heeft het Hof kennelijk tevens het hiervoor onder 3 weergegeven betoog van de man gehonoreerd dat de vrouw uit haar (overige) vermogen - door een meer rendabele belegging - redelijkerwijs meer inkomsten kan verwerven dan zij de facto doet (en waarmee de Rechtbank rekening heeft gehouden). Dat stond het Hof vrij nu het bij het bepalen van behoefte en draagkracht niet alleen gaat om de inkomsten uit arbeid en vermogen waarover partijen de facto beschikken doch ook om de inkomsten die partijen zich in redelijkheid kunnen verwerven. In 's Hofs overwegingen ligt niet het oordeel besloten dat de vrouw de overwaarde van de voormalige echtelijke woning door verhoging van de bestaande hypothecaire lening te gelde zou kunnen of moeten maken en evenmin dat de vrouw de overwaarde van de woning liquide zou moeten maken om vervolgens door intering op het aldus vrijgekomen vermogen in haar levensonderhoud te gaan voorzien. Het Hof heeft niet miskend dat de voormalige echtelijke woning aan de vrouw is toegescheiden tegen betaling die ten laste is gegaan van de overige vermogensbestanddelen van de vrouw: uit rechtsoverweging 2.3 blijkt dat het Hof zich rekenschap ervan heeft gegeven dat partijen tezamen eigenaar waren van de voormalige echtelijke woning en dat de woning aan de vrouw is toegescheiden tegen betaling van een bedrag van f 800.000,- en tegen overdracht van de eigendom van een studio te Saas Fee met een waarde van ongeveer f 200.000,-. Middelonderdeel 2.13 ten slotte ziet eraan voorbij dat het Hof kennelijk het betoog van de vrouw dat de man heeft erkend dat het redelijk is dat zij met de bij haar wonende kinderen in de voormalige echtelijke woning kan blijven wonen heeft verworpen; zulks is niet onbegrijpelijk nu uit de gedingstukken blijkt dat de man steeds heeft betoogd dat van de vrouw kan worden gevergd dat zij de door haar bewoonde voormalige echtelijke woning verkoopt, een betoog dat door het Hof - zoals gezegd - kennelijk is gehonoreerd.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden