Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AJ1188

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-12-2003
Datum publicatie
02-12-2003
Zaaknummer
02405/02
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AJ1188
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Seksuele handelingen door masseur/hypnotherapeut. Het bestaan van dwang door een feitelijkheid zoals bedoeld in art. 242 Sr kan niet enkel worden afgeleid uit de tussen de verdachte en zijn patiënt/cliënt bestaande afhankelijkheidsrelatie en het daarmee samenhangende overwicht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 242, geldigheid: 2003-12-02
Wetboek van Strafrecht 249, geldigheid: 2003-12-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 14
JOL 2003, 632
NJ 2004, 78

Conclusie

Nr. 02405/02

Mr Machielse

Zitting 2 september 2003

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 6 mei 2002 voor 1. verkrachting, meermalen gepleegd en 2. bedreiging met enig misdfrijf tegen het leven gericht, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk. Voorts heeft het hof een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de vordering van de benadeelde partij toegewezen als in het arrest aangegeven.

2. Verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr. R.T.R.F. Carli, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel komt er in de kern genomen op neer dat het hof had moeten motiveren waarom het geloof heeft gehecht aan de verklaringen van de aangeefster en geen geloof heeft gehecht aan de ontkenning van verdachte.

3.2. De steller van het middel ziet over het hoofd dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen hetwelk hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen waarvan hier niet is gebleken, geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.(1) Dit uitgangspunt staat niet op gespannen voet met het 'fair-trialbeginsel'.

3.3. Wat betreft het ook nog in het eerste middel opgeworpen vraagpunt van de 'dwang' geldt het volgende. In de tenlastelegging is het begrip dwingen kennelijk gebezigd in de betekenis die aan dit begrip in art. 242 Sr toekomt. Van zodanig dwingen kan slechts sprake zijn indien verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen haar wil heeft ondergaan.(2) Van feitelijkheden kan sprake zijn indien handelingen van de verdachte plaatsvonden in een situatie waarin het slachtoffer afhankelijk is geworden van de verdachte en het voor het slachtoffer zo moeilijk was om zich aan die handelingen te onttrekken dat er daarom sprake was van dwang van de kant van de verdachte.(3) Gewoonlijk is bij 'feitelijkheden' te denken aan een zekere fysieke krachtsaanwending, zoals vastpakken. Feitelijkheden kunnen er evenwel ook in bestaan dat verdachte zich op dwingende toon tot het kwetsbare slachtoffer heeft gericht.(4) Evenzeer kan van feitelijkheden worden gesproken als verdachte misbruik maakt van een overwicht op het slachtoffer en dat slachtoffer onder zodanige psychische druk zet dat het slachtoffer geen weerstand meer kan bieden.(5) Of wanneer de verdachte misbruik maakt van het feit dat het slachtoffer zich niet zal kunnen onttrekken aan zijn of haar seksuele toenadering.(6)

3.4. Het bewijs dat verdachte het slachtoffer heeft gedwongen tot het ondergaan van een seksueel binnendringen van het lichaam is in deze zaak niet bepaald overduidelijk. Uit bewijsmiddel 1 blijkt dat verdachte er zich van bewust was dat het slachtoffer een bijzonder kwetsbaar persoon was. Zij was naar zijn zeggen een van de zwaarste patienten die hij ooit heeft gehad. Zij was depressief, gebruikte medicijnen en was geen sterke persoonlijkheid. Verdachte besefte dat het slachtoffer op een gegeven moment van hem afhankelijk was. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij zich gedwongen heeft gevoeld tot het plegen van orale seks door verdachtes manier van spreken, met barse stem (bewijsmiddel 3). Bewijsmiddel 4 houdt in dat verdachte tegen de zin van het slachtoffer een bepaalde - mij niet bekende - techniek aanwendde die seksuele emoties teweegbracht en dat verdachte zelfs ging tongzoenen. Voorts wist verdachte volgens het slachtoffer dat zij zeer timide werd als zij op dreigende toon werd toegesproken. Het slachtoffer heeft voorts doen blijken van verdachte afhankelijk te zijn geweest.

Uit de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen volgt aldus dat verdachte besefte dat hij gezien de persoonlijkheid van het slachtoffer en de tussen hen bestaande hulpverleningsrelatie overwicht op haar had en dat zij niet gediend was van bepaalde seksuele handelingen, maar deze toch heeft ondergaan. Uit deze gegevens heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer de seksuele penetratie heeft ondergaan omdat zij boog voor het overwicht dat verdachte over haar had. Het bewijs van het dwingen door feitelijkheden heeft het hof uit de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden.

3.5. Een andere vraag is of er hier niet eerder sprake was van het misdrijf van art. 249 Sr. Mijns inziens is dat misdrijf óók te ontwaren in het bewezenverklaarde. Maar het dwangaspect geeft aan het gebeuren de extra dimensie die verdachtes handelingen tot verkrachting bestempelt.(7) Ik moet overigens erkennen dat er sprake is van een zekere overlapping omdat ook de situaties waarop art. 249 ziet, zich kenmerken door het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie en daarmee gepaard gaand overwicht van de dader, hetgeen van invloed is geweest op de tussen dader en slachtoffer voorgevallen seksuele gedragingen.(8)

Het eerste middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 2. Voorzover het middel opkomt tegen het gebruik van de aangifte van de ex-echtgenote van verdachte voor het bewijs geldt hetgeen ik hierboven heb opgemerkt over de autonomie van de feitenrechter inzake de waardering en selectie van het bewijsmateriaal. Het feit dat de aangifte een jaar na de bedreiging heeft plaatsgevonden doet daaraan niet af.

4.2. Voorts voert de steller van het middel aan dat de woorden "Als jij niet zorgt dat ik dat bedrag van f. 8000,- voor woensdag weer terug heb, ben jij je leven niet zeker" niet meer inhouden dan een bevestiging van hetgeen algemeen bekend behoort te zijn, te weten dat niemand zijn leven zeker is. Deze klacht is niet serieus te nemen; alleen al het feit dat die mededeling gerelateerd wordt aan een prestatie die verdachte van de ander eiste wijst ondubbelzinnig op een bedreiging.

Het middel faalt.

5. Beide middelen falen en kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

Bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR NJ 1991,346; HR NJ 1999,482; HR NJ 2003,20.

2 HR NJ 1995, 201; HR NJ 1998, 534; HR NJ 1999, 512.

3 HR NJ 2000, 125.

4 HR NJ 1997, 485. Zie ook HR NJ 1999, 312, waarin één van de aan de verdachte verweten feitelijkheden hierin bestond dat de verdachte het slachtoffer, een licht geestelijk gehandicapte vrouw, "met woorden heeft gedwongen zichzelf uit te kleden".

5 HR NJ 1998, 116; HR NJ 1998, 646; HR NJ 1999, 419; HR NJ 2002, 500

6 HR NJ 1999, 512.

7 Zie HR NJ 1997, 485 met betrekking tot feit 1.

8 DD 96.057; HR NJ 1997, 485 met betrekking tot feit 2; HR 11 juni 2002, 2002,106, p.1426.