Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AI0853

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2003
Datum publicatie
03-10-2003
Zaaknummer
C02/083HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AI0853
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

3 oktober 2003 Eerste Kamer Nr. C02/083HR RM/HJH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. M.F. Baltussen, t e g e n HET CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS, gevestigd te Rijswijk, VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 144
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 484
JWB 2003/365
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. C02/083HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 16 mei 2003

Conclusie inzake

[Eiseres],

eiseres tot cassatie

tegen

Het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers,

verweerder in cassatie

Feiten en procesverloop

1) De onderhavige zaak stelt - evenals zeven tegelijkertijd aanhangige zaken waarin dezelfde klacht is geformuleerd(1) - opnieuw het recht op pleidooi aan de orde. De Hoge Raad heeft daarover - betrekkelijk - recent drie arresten gewezen: HR 15 maart 1996, NJ 1997, 341 m.nt. HJS, HR 5 oktober 2001, NJ 2002, 514 m.nt. DA en HR 15 november 2002, RvdW 2002, 185(2). Uit die arresten blijkt - ik zeg het maar op voorhand - dat de rechtbank, die in de onderhavige zaak het verzoek om pleidooi afwees, dat verzoek had behoren te honoreren.

2) Materieel gaat het in deze zaak om een geschil over de op de eiseres tot cassatie, [eiseres], toepasselijk functie-indeling en functiewaardering. [Eiseres] heeft wat de verweerder in cassatie, COA, daarover had beslist bij de kantonrechter aangevochten, en met succes. Ik vermeld intussen al, dat de zaak in de eerste aanleg is behandeld zonder een mondeling gehoor van partijen.

3) In hoger beroep is namens [eiseres] pleidooi verzocht(3). Dat verzoek is - naar ik aanneem: op instigatie van de Rechtbank - schriftelijk nader gemotiveerd. Uit de betreffende brief(4) citeer ik:

"Ofschoon de standpunten derhalve in diverse procedures op schrift zijn vertolkt, lijkt het de advocaat van de werknemers nuttig, indien ten pleidooie de kern van de geschilpunten nog eens worden uitgediept.

Aangetekend wordt in dit verband dat het belang van de procedures in hoger beroep groot is, omdat het vonnis uiteraard ook van belang zal zijn voor andere werknemers die dezelfde functie uitoefenen c.q. gaan uitoefenen."

4) De (rol)rechter heeft het verzoek om pleidooi bij een beslissing van 7 augustus 2001 afgewezen. In die beslissing wordt overwogen:

"2. Vooropgesteld wordt dat op grond van fundamentele beginselen van procesrecht - mede ontleend aan art. 6 EVRM - er weliswaar vanuit dient te worden gegaan dat een procespartij recht heeft om mondeling gehoord te worden c.q. op pleidooi, doch dat dit geen absoluut recht betreft. Onder bepaalde omstandigheden kan een verzoek om pleidooi immers worden afgewezen. Dit brengt mee dat de rolrechter (in zekere mate) het recht heeft om zo'n verzoek te toetsen.

Daarnaast zij opgemerkt dat een pleidooi in het algemeen dient om - nadat partijen hun standpunten schriftelijk uiteen hebben gezet - die standpunten nog eens mondeling toe te lichten, voorzover dit, met name tegen de achtergrond van nadien nog verkregen inzichten en informatie, redelijkerwijs vereist mocht zijn om tot een juiste beslissing te komen.

3. In haar pleitverzoek geeft Buiter aan dat de standpunten van partijen reeds op schrift zijn vertolkt. Met een pleidooi beoogt Buiter de kern van de geschilpunten nog eens uit te diepen. Wat de toegevoegde waarde hiervan zal zijn maakt Buiter niet duidelijk. Nu in het licht van het voorgaande niet valt te verwachten dat een mondelinge toelichting bij gelegenheid van het pleidooi nog nieuwe gezichtspunten zal opleveren, acht de rolrechter, mede in aanmerking genomen dat de inleidende dagvaarding dateert van 22 juli 1999 het pleidooiverzoek niet stroken met de goede procesorde."

Tussentijds beroep in cassatie werd in deze beslissing uitgesloten. Op 19 december 2001 heeft de rechtbank eindvonnis gewezen. Daarbij werden de vorderingen van [eiseres] alsnog afgewezen.

5) [Eiseres] heeft tijdig(5) cassatieberoep ingesteld. COA is in cassatie niet verschenen. Het standpunt van [eiseres] is schriftelijk toegelicht.

Bespreking van het middel

6) Een beslissing van de (rol)rechter waarbij pleidooi wordt geweigerd moet worden aangemerkt als een vonnis, waartegen rechtsmiddelen openstaan(6).

De beslissing waar het in deze zaak om gaat betreft (vooral) de toepassing van art. 144 Rv. (oud, thans art. 134 Rv). Art. 144 Rv (oud) gold ook voor zaken in hoger beroep, en ook als het hoger beroep een beslissing van de kantonrechter betrof(7).

7) In de in alinea 1 hiervóór aangehaalde beslissingen(8) heeft de Hoge Raad overwogen dat een partij op grond van het bepaalde in art. 144 Rv (oud) in beginsel het recht heeft om zijn standpunt bij pleidooi toe te lichten. Een verzoek om een zaak te mogen bepleiten zal slechts in zeer uitzonderlijke(9) gevallen mogen worden geweigerd. Daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd, bijvoorbeeld dat de procedure door het pleidooi op onaanvaardbare wijze zou worden vertraagd. De rechter kan het verzoek ook ambtshalve afwijzen, doch alleen op de grond dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde. In elk van beide hiervoor bedoelde gevallen zal de rechter zijn redenen voor de afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk moeten motiveren (HR 15 maart 1996, NJ 1997, 341, rov. 2.3, in de latere beslissingen telkens aangehaald).

8) Het middel klaagt - in het licht van de zojuist besproken rechtsleer niet verrassend - over verkeerde toepassing van art. 144 Rv (oud)(10), althans gebrekkige motivering van het oordeel daarover.

9) De motivering die de Rechtbank in deze zaak (en in de zeven vandaag tegelijk aanhangige "parallelle" zaken) bij de afwijzing van het verzoek om pleidooi heeft gebruikt, lijkt sterk op de motiveringen uit de zaken die in HR 5 oktober 2001, NJ 2002, 514 en HR 15 november 2002, RvdW 2002, 185 zijn beoordeeld. A-G Verkade heeft uit de rechtspraak van de Hoge Raad afgeleid dat een "stempelmotivering" niet voldoende is om een beslissing waarbij een verzoek om pleidooi wordt afgewezen, te dragen(11). Dat lijkt mij juist - de "verzwaarde" motiveringseis die in de aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad wordt benadrukt, is inderdaad met afdoening per "clause de style" niet te rijmen.

Aan deze motiveringseis voldoet de in deze zaak door de Rechtbank gegeven motivering niet - reeds het feit dat een inhoudelijk nagenoeg identieke motivering in de recente uitspraken van de Hoge Raad te licht werd bevonden neemt iedere twijfel daarover weg. De motiveringsklacht van het middel is daarom volgens mij gegrond.

10) Ik denk overigens dat de bestreden beslissing in dit opzicht ook van een verkeerde rechtsopvatting blijk geeft. De twee gegevens die de Rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd - die komen erop neer dat niet is te verwachten dat pleidooi nog nieuwe gezichtspunten zal opleveren, en dat de inleidende dagvaarding dateert van ongeveer twee jaar vóór de beslissing van de Rechtbank - kunnen niet opleveren dat zich een zeer uitzonderlijk geval voordoet zoals de Hoge Raad dat in de aangehaalde rechtspraak heeft aangegeven, en kunnen (ook) niet opleveren dat het verzoek om pleidooi als onverenigbaar met de goede procesorde mag worden aangemerkt. In beide opzichten is de norm die de Rechtbank heeft toegepast klaarblijkelijk aanzienlijk ruimer, dan met de rechtspraak van de Hoge Raad spoort.

11) Ik ben het met de steller van het middel eens dat het slagen van de klacht meebrengt dat ook het eindvonnis van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Na (vernietiging en verwijzing, en) pleidooi - aangenomen dat partijen daar ook nu nog behoefte aan hebben - zal de zaak opnieuw moeten worden beoordeeld.

Wat de kosten betreft zou kunnen worden overwogen, deze tot de einduitspraak te reserveren. COA heeft de beslissing van de Rechtbank die ik als onjuist beoordeel niet uitgelokt of verdedigd(12).

Conclusie

Ik concludeer tot vernietiging, en verwijzing van de zaak als gebruikelijk.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaken hebben de zaaknrs. C02/080 t/m 087HR. De schriftelijke toelichting in de onderhavige zaak spreekt onder nr. 14 over "6 andere collega's". Ik tel echter in totaal 8 zaken.

2 Voorts in: JOL 2002, 614, en rechtspraak.nl LJN-nummer AE8463.

3 Volgens de schriftelijke toelichting namens [eiseres] op de rol van 24 juli 2001.

4 Brief van 19 juli 2001.

5 Binnen 3 maanden ingevolge art. 402 lid 1 Rv (oud).

6 Een dergelijke beslissing is dus niet een "rolbeschikking", zie bijvoorbeeld HR 29 september 1995, NJ 1997, 340, rov. 3.3.2 naast rov. 3.3.4 en HR 15 november 2002, RvdW 2002, 185, rov. 3.2.1.

7 Nogmaals: HR 15 november 2002, RvdW 2002, 185 rov. 3.2.1; HR 5 oktober 2001, NJ 2002, 514 m.nt. DA, rov. 3.3.2; zie ook al. 21 van mijn conclusie voor dit arrest; HR 15 maart 1996, NJ 1997, 341, rov. 2.2 en 2.3.

8 In de zaak met nr. C02/066HR, waarin ik op 18 april jl. geconcludeerd heb, zijn (vrijwel) dezelfde vragen aan de orde als in de aangehaalde rechtspraak en in de onderhavige zaak. De zaak met nr. C02/066 staat op de rol van 5 september 2003 voor arrest.

9 Ik ontleen de nadruk aan rov. 3.2.2. van HR 15 november 2002, RvdW 2002, 185, rov. 3.2.2.

10 Het middel doet niet rechtstreeks een beroep op art. 6 EVRM; maar zoals de in dit verband besproken rechtspraak van de Hoge Raad duidelijk maakt, kan de regel waarop het middel een beroep doet ook aan die bepaling steun ontlenen. Daarbij is nog van belang dat in deze zaak ook in de eerste aanleg geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, zie bijvoorbeeld al. 25 van mijn conclusie voor HR 5 oktober 2001, NJ 2001, 514 m.nt. DA; zie ook de tamelijk recente beslissingen EHRM 12 november 2002, appl.nrs. 38629/97 en 38978/97, rov. 36, en EHRM 21 maart 2002, appl. nr. 32363/96, rov. 35 - 38 (te raadplegen via de website van het EHRM, www.echr.coe.int/).

11 Alinea 3.5 van diens conclusie; zie daarvoor rechtspraak.nl LJN-nummer AE8463.

12 Burgerlijke Rechtsvordering (losbl., oud), Korthals Altes, art. 419, aant. 7; Veegens - Korthals Altes - Groen, Cassatie in Burgerlijke Zaken, 1989, nr. 171.