Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AI0270

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2003
Datum publicatie
03-10-2003
Zaaknummer
C02/073HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AI0270
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

3 oktober 2003 Eerste Kamer Nr. C02/073HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n 1. [Verweerster 1], wonende te [woonplaats], 2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 480
PJ 2004/77 met annotatie van Neleman/Aaftink/Beukenhorst/Numann/Bakels mr. H.P. Breuker
JWB 2003/358
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C02/073HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 27 juni 2003

Conclusie inzake

[Eiseres]

tegen

1. [Verweerster 1]

2. [Verweerder 2]

Inleiding

1. In dit geding wordt in cassatie opgekomen tegen 's Hofs oordeel dat verrekening van (ouderdoms-)pensioenrechten op de voet van het arrest Boon/Van Loon (HR 27 november 1981, NJ 1982, 503, m.nt. EAAL en WHH) niet mogelijk is ingeval de pensioengerechtigde ex-echtgenoot na de echtscheiding doch vóór de verdeling van de gemeenschap is overleden, aangezien deze pensioenrechten en daarmee de aanspraak op verrekening door het tussentijdse overlijden zijn vervallen.

2. Tussen partijen staat - voorzover in cassatie van belang - het volgende vast:

i) Thans eiseres tot cassatie [eiseres] is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [betrokkene 1]. Uit dit huwelijk zijn geboren verweerders in cassatie [verweerster 1] en [verweerder 2], tezamen te noemen [verweerder] c.s.

ii) Bij vonnis van 11 juli 1990 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken; dit vonnis is op 9 augustus 1990 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

iii) Op 14 december 1991 is [betrokkene 1] op vijftigjarige leeftijd overleden; [verweerder] c.s. zijn de enige erfgenamen.

iv) Toen [betrokkene 1] overleed waren de door hem opgebouwde pensioenrechten nog niet verdeeld; de aanspraak van [eiseres] op haar ex-echtgenoot [betrokkene 1] bij directe verdeling van de pensioenrechten bedroeg f 5.975,-.

v) Uit de nalatenschap is door [verweerder] c.s. een bedrag van f. 5.975,- gereserveerd voor het geval [eiseres] hierop recht heeft.

3. In het kader van de verdeling van de nog onverdeeld gebleven gemeenschap zoals deze tussen haar en haar ex-echtgenoot [betrokkene 1] bestond, heeft [eiseres] bij dit geding inleidende dagvaarding van 29 december 1997 - voorzover thans nog van belang - gevorderd [verweerder] c.s., te veroordelen tot betaling van f 5.975,- terzake van de verrekening van de door [betrokkene 1] opgebouwde pensioenrechten. Zij heeft daartoe een beroep gedaan op het hiervoor onder 1 reeds genoemde Boon/Van Loon-arrest.

[Verweerder] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Bij vonnis van 4 mei 1999 heeft de Rechtbank te Assen de vordering van [eiseres] afgewezen. Zij overwoog dat als gevolg van het overlijden van [betrokkene 1] geen aanspraak meer bestaat op uitkering van ouderdomspensioen aan hem, zodat dit boedelactief door overmacht is tenietgegaan en er in dat opzicht niets te verdelen valt.

5. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd bij arrest van 10 oktober 2001. Het overwoog daartoe als volgt. [Eiseres] heeft bij de verdeling van de door echtscheiding ontbonden gemeenschap tussen haar en haar ex-echtgenoot [betrokkene 1] in beginsel recht op verrekening van de pensioenrechten voor het gedeelte dat op het moment van de ontbinding reeds was opgebouwd. Op welke wijze en tot welke bedragen deze verrekening moet plaatsvinden, dient te worden vastgesteld aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid die op de verdeling van een gemeenschap van toepassing zijn. Nu [betrokkene 1] is overleden alvorens verrekening heeft plaatsgevonden, dient bij de verrekening op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid van deze nieuwe situatie te worden uitgegaan, hetgeen meebrengt dat [eiseres] geen rechten kan doen gelden ter zake van opgebouwd ouderdomspensioen aangezien deze pensioenrechten ten gevolge van het overlijden van [betrokkene 1] inmiddels zijn komen te vervallen.

6. [Eiseres] heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld. [verweerder] c.s. zijn niet verschenen; tegen hen is verstek verleend. [Eiseres] heeft de zaak schriftelijk toegelicht.

Het cassatiemiddel

7. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de hiervoor weergegeven overwegingen van het Hof en strekt ten betoge dat het Hof heeft miskend dat het hier gaat om de verdeling van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten waarvan de aard en omvang vaststonden ten tijde van de ontbinding van het huwelijk. Uit de omstandigheid dat de man directe uitbetaling steeds heeft geweigerd, leidt het middel af dat de vrouw een op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde aanspraak op een toekomstige uitkering "verkreeg c.q. bezat of behield". Het middel betoogt dat de vordering van de vrouw op de man, die "bestaanbaar was op en door het moment van ontbinding van hun huwelijk door deze echtscheiding", kwam te rusten op (het saldo) van de nalatenschap van de man. De omstandigheid dat die pensioenrechten niet meer feitelijk aan de man kunnen worden uitgekeerd als gevolg van diens overlijden voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd verzet zich - aldus het middel - niet ertegen dat de (mede) ten behoeve van zijn toenmalige echtgenote opgebouwde pensioenrechten "inderdaad nog worden betaalbaar gesteld (voor dat gedeelte waarin zijzelf is gerechtigd te achten, zoals die aanspraak c.q. claim is of wordt gefixeerd door het moment van ontbinding van het huwelijk), respectievelijk aldus tot een aanspraak van c.q. claim op de boedel van de erflater leidt".

8. Vooropgesteld zij dat de litigieuze echtscheiding plaatsvond vóór 1 mei 1995 (de datum van inwerkingtreding van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, Stb. 1994, 342) zodat voor de eventuele verrekening van pensioenrechten moet worden uitgegaan van de regels geformuleerd in het arrest HR 27 november 1981, NJ 1982, 503, m.nt EAAL en WHH inzake Boon/Van Loon, zoals in dit geding ook steeds is geschied. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat in geval van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap anders dan door overlijden, aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid die op de verdeling van toepassing zijn dient te worden vastgesteld op welke wijze en tot welke bedragen waardeverrekening van tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten moet plaatsvinden; de Hoge Raad oordeelde voorts dat, afhankelijk van de beschikbare baten en van de waarde die voor verrekening in aanmerking komt, deze eisen vaak zullen meebrengen dat de verrekening terzake van het ouderdomspensioen slechts kan plaatsvinden door aan de pensioengerechtigde echtgenoot een voorwaardelijke uitkering op te leggen die aan het leven van beide echtgenoten gebonden is, opeisbaar wordt naarmate de pensioentermijnen opeisbaar worden en kan worden uitgedrukt in een percentage daarvan. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen voorts meebrengen, aldus nog steeds de Hoge Raad, dat de verrekening van het ouderdomspensioen op een nog andere wijze plaatsvindt, bijvoorbeeld in de vorm van een door de pensioengerechtigde te bekostigen lijfrente.

In zijn arrest van 30 september 1983, NJ 1984, 555, m.nt EAAL overwoog de Hoge Raad dat hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen op het punt van de wijze van verrekening van de waarde van pensioenrechten, niet alleen wordt bepaald door het al of niet beschikbaar zijn van voor onmiddellijke verrekening vatbare baten, maar door alle omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang kan zijn hoever het tijdstip waarop het ouderdomspensioen tot uitkering zal komen, in de toekomst is gelegen. Uit deze overwegingen volgt, aldus ook de opvatting in de literatuur, dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in beginsel leiden tot verrekening door het opleggen van een voorwaardelijke uitkering, die immers beter past bij het karakter van een (ouderdoms-)pensioen als een voorwaardelijk recht op periodieke uitkering van geldsommen waarvan uit de aard der zaak onzeker is of en zo ja in hoeverre deze daadwerkelijk zullen worden genoten. Tot onmiddellijke verrekening van de contante waarde van de pensioenrechten met de op het moment van de verdeling aanwezige baten kan evenwel aanleiding bestaan indien deze contante waarde ten opzichte van de baten een relatief bescheiden bedrag vertegenwoordigt of wanneer deze wijze van verrekenen in het kader van de totale verdeling van de gemeenschap een redelijk resultaat oplevert. Zie hieromtrent: de conclusie van mijn oud-ambtgenoot Bakels voor HR 20 oktober 2000, NJ 2002, 436, m.nt WMK en aldaar vermelde literatuur, waaraan valt toe te voegen: Klaassen-Eggens-Luijten, Huwelijksgoederenrecht, 12e druk 1999, p. 109-111; en voorts W.G. Huijgen in: Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, 3e druk 1999, nr. 335 en Asser-De Boer, 16e druk 2002, nr. 308.

In de sedert 1 mei 1995 van kracht zijnde Wet verevening pensioenrechten (Wet van 28 april 1994, Stb. 342) is gekozen voor een systeem van pensioenverevening, dat wil zeggen een daadwerkelijke pensioendeling door middel van een wettelijk recht op uitbetaling van het desbetreffende gedeelte van de vrijvallende pensioentermijnen in plaats van - op het arrest Boon/Van Loon gebaseerde - waardeverrekening in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, zij het dat de mogelijkheid is geopend dat de aanspraak van de tot verevening gerechtigde echtgenoot op het deel van het ouderdomspensioen tezamen met zijn of haar aanspraak op nabestaandenpensioen met toestemming van het uitvoeringsorgaan wordt omgezet in een eigen aanspraak op ouderdomspensioen (de conversie van art. 5 WVP).

9. Met zijn betoog dat de vrouw reeds door de huwelijksontbinding een onvoorwaardelijke, gefixeerde vordering ter grootte van de contante waarde van de pensioenrechten ten tijde van die ontbinding heeft verkregen, miskent het middel allereerst dat weliswaar bij de verdeling van een door echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap door echtscheiding in beginsel waardeverrekening van pensioenrechten dient plaats te vinden maar dat het, behoudens overeenstemming tussen de gewezen echtgenoten, aan de rechter is om - naar redelijkheid en billijkheid - vast te stellen tot welke bedragen en op welke wijze verrekend dient te worden, voor welke vaststelling de Hoge Raad, zoals gezegd, vervolgens enkele aanwijzigingen heeft gegeven die zonder betekenis zouden zijn indien steeds van rechtswege de door het middel bedoelde vordering zou ontstaan.

Met zijn pleidooi voor een onvoorwaardelijke vordering die overgaat op de erfgenamen van de verrekeningsplichtige verliest het middel voorts uit het oog dat het recht op ouderdomspensioen afhankelijk is van het leven van de pensioengerechtigde en dat het mede hierom de voorkeur verdient de verrekening te doen plaatsvinden door het opleggen van een - zo overweegt de Raad uitdrukkelijk - voorwaardelijke uitkering die is gebonden aan het leven van beide echtgenoten. Een onvoorwaardelijke vordering met een uitgesteld betalingstijdstip, vatbaar voor vererving, kan dan ook slechts berusten op een - in casu niet gestelde - overeenkomst tussen de gewezen echtgenoten; zie hierover ook Van Mourik-Verstappen, Handboek voor het Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding, 3e druk, 1997, p. 404. Ik merk nog op dat het middel kennelijk uitgaat van de gedachte dat de vrouw niet de dupe mag worden van de weigering van de man om tot onmiddellijke verrekening dan wel uitbetaling van de contante waarde van de pensioenrechten over te gaan. Deze gedachte miskent enerzijds dat in de Boon/Van Loon-jurisprudentie tot uitdrukking is gebracht dat de man volgens de eisen van redelijkheid en billijkheid geenszins is gehouden aanstonds een bedrag uit te betalen ter zake van nog niet genoten uitkeringen waarvan voorts onzeker is of zij ooit tot uitkering zullen komen, en anderzijds dat de verzorgingsgedachte waarop het instituut van de pensioenverrekening mede is terug te voeren slechts vergt dat de vrouw meedeelt in daadwerkelijk genoten uitkeringen - voorzover voortvloeiend uit tijdens het huwelijk opgebouwde aanspraken - en dat als (inherent) bezwaar van de onmiddellijke pensioenverrekening nu juist geldt dat aan deze gedachte geen recht wordt gedaan.

Ten slotte vindt ook de opvatting van het middel dat de meerbedoelde vordering moet worden gefixeerd op de contante waarde van de pensioenrechten ten tijde van de huwelijksontbinding geen steun in het recht. De waardeverrekening vindt immers plaats in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en dus geldt ook hier de algemene regel dat ter bepaling van de waarde van de tot een gemeenschap behorende goederen in beginsel moet worden uitgegaan van het tijdstip van de waarde ten tijde van de verdeling, tenzij door partijen anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit; stelt de rechter de rechter de verdeling vast, dan geldt als datum van de verdeling en daarmee - in beginsel - als peildatum de datum van de uitspraak van de rechter; zie onder meer HR 22 maart 1996, NJ 1996, 710, m.nt WMK en HR 17 april 1998, NJ 1999, 550. In het onderhavige geval had nog geen verdeling en verrekening plaatsgevonden: terecht heeft dan ook het Hof - als "nieuwe situatie" - in aanmerking genomen dat de pensioenrechten ten tijde van zijn uitspraak waren vervallen als gevolg van het overlijden van de man.

10. Het oordeel van het Hof is, kortom, juist en kan als rechtsoordeel niet met motiveringsklachten worden bestreden. Het middel faalt.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden