Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AH9978

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-10-2003
Datum publicatie
28-10-2003
Zaaknummer
02404/02 J
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AH9978
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafprocesrecht. Verdediging bij verstek. 1. Art. 279 Sv van toepassing, behalve in de situatie van art. 503 Sv. 2. Verhouding van verdediging door gemachtigde raadsman ex art. 279 Sv tot verschijningsplicht art. 495a Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 545
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02404/02 J

Mr Fokkens

Zitting: 8 juli 2003

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot zeven weken jeugddetentie, waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens "de voortgezette handeling van afpersing door twee of meer verenigde personen, en diefstal, voorafgegaan van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door twee of meer verenigde personen".

2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen.

3. Namens verdachte heeft mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte de - niet bepaaldelijk op de voet van art. 279 Sv gemachtigde - raadsman niet heeft toegestaan de verdediging van de niet verschenen jeugdige verdachte te voeren.

5. Het Hof heeft op het verzoek van de raadsman om voor zijn niet verschenen cliënt het woord ter verdediging te mogen voeren afwijzend beslist, daartoe in het proces-verbaal overwegende dat noch de wettelijke regeling, noch de jurisprudentie van de Hoge Raad tot een dergelijke beslissing nopen. In het verkorte arrest heeft het Hof zijn oordeel uitvoerig gemotiveerd:

"4. Verstekverlening en machtigingsvereiste

4.1

De verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 2 oktober 2000 als woonadres opgegeven: [plaats A], [a-straat 1].

De aanzegging hoger beroep is de verdachte op 18 december 2000 in het Paleis van Justitie te 's-Gravenhage in persoon uitgereikt.

Blijkens de bijbehorende akte van uitreiking heeft de postbesteller op 8 februari 2002 de appèldagvaarding, tegen de terechtzitting van 26 maart 2002, niet kunnen uitreiken omdat op het adres [a-straat 1] te [plaats A] niemand werd aangetroffen en heeft hij ter plaatse een bericht van aankomst achtergelaten. De akte van uitreiking is vervolgens op 1 maart 2002 teruggezonden aan het ressortparket ''s-Gravenhage.

Blijkens de bijbehorende akte van uitreiking heeft de postbesteller op 8 februari 2002 de appèldagvaarding, tegen eerder genoemde terechtzitting, niet kunnen uitreiken omdat op het adres Utrechtseweg 37 te Zeist niemand werd aangetroffen en heeft hij ter plaatse een bericht van aankomst achtergelaten. De akte van uitreiking is vervolgens op 18 februari 2002 teruggezonden aan het ressortparket 's-Gravenhage. Blijkens de aan de akte van uitreiking gehechte mededeling van de afdeling bevolking van de gemeente Zeist was de verdachte op 8 februari 2002 en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres Utrechtseweg 37 te Zeist ingeschreven. De appèldagvaarding is vervolgens op 21 februari 2002 als gewone brief verzonden naar het adres Utrechtseweg 37 te Zeist. De brief kwam op 27 februari 2002 retour, omdat de verdachte daar toen niet meer verbleef. De verdachte was op 21 februari 2002 niet gedetineerd.

Blijkens de bijbehorende akte van uitreiking heeft de hoofdagent van politie G. van Bruggen op 22 maart 2002 de appèldagvaarding op het adres [a-straat 1] te [plaats A] niet uitgereikt omdat volgens mededeling van de degene die zich op dat adres bevond de verdachte daar toen niet woonde.

De ouders van de verdachte zijn op 7 februari 2002 per aangetekend schrijven opgeroepen om de terechtzitting van 26 maart 2002 bij te wonen.

4.2

Het hof heeft ter terechtzitting van 26 maart 2002 het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 11 juni 2002 te 9.30 uur, de oproeping van de verdachte bevolen en tevens diens medebrenging gelast.

Het is het hof ambtshalve bekend dat het adres Utrechtseweg 37 te Zeist het adres is waar de justitiële jeugdinrichting "Eikenstein" is gevestigd. Blijkens het GBA-overzicht d.d. 7 februari 2002 stond de verdachte voor de inschrijving op het adres Utrechtseweg 37 te Zeist ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats A]. Ook het voorlichtingsrapport strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 16 november 2001 vermeldt als adres van de verdachte en zijn ouders [a-straat 1] te [plaats A].

De ouders van de verdachte zijn op 19 april 2002 per brief opgeroepen om de terechtzitting van 11 juni 2002 bij te wonen.

Blijkens de bijbehorende akte van uitreiking heeft de postbesteller op 24 april 2002 de oproeping voor de terechtzitting van 11 juni 2002 niet kunnen uitreiken omdat op het adres [a-straat 1] te [plaats A] niemand werd aangetroffen en heeft hij ter plaatse een bericht van aankomst achtergelaten. De akte van uitreiking is vervolgens op 3 mei 2002 teruggezonden aan het ressortsparket 's-Gravenhage. Blijkens aantekening op het GBA-overzicht d.d. 7 mei 2002 is aan de griffie door deze inrichting telefonisch meegedeeld dat de verdachte op 7 mei 2002 daar niet meer verbleef.

Blijkens de aan de akte van uitreiking gehechte mededeling van de afdeling bevolking van de gemeente Zeist was de verdachte op 24 april 2002 en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres Utrechtseweg 37 te Zeist ingeschreven. De oproeping voor de terechtzitting van 11 juni 2002 is op 7 mei 2002 als gewone brief verzonden naar het adres [a-straat 1] [plaats A]. De verdachte was toen niet gedetineerd.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2002 medegedeeld dat de verdachte niet reageert op door hem naar het adres [a-straat 1] te [plaats A] gestuurde brieven en dat hij geen contact met de verdachte heeft kunnen krijgen.

Blijkens een faxbericht van de Politie Haaglanden is de politie op 11 juni 2002 ter uitvoering van het bevel tot medebrenging binnengetreden in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats A]. De verdachte is toen niet in de woning aangetroffen. Wel is de vader van de verdachte in de woning aangetroffen. Verdachte zou zich mogelijk bij zijn broer [medeverdachte] bevinden. Vader wist het adres niet precies, het zou in de buurt van [de b-straat] zijn. Op grond van het vorenstaande is het hof tot het oordeel gekomen dat thans geen reëel perspectief bestaat dat de verdachte binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting van het hof zal verschijnen en heeft het hof tegen de verdachte verstek verleend.

Het verzoek van de raadsman van de verdachte om de zaak ten tweeden male aan te houden heeft het hof dan ook afgewezen.

Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

In de onderhavige zaak is de aanzegging hoger beroep aan de verdachte op 18 december 2000 in persoon uitgereikt. Vanaf dat moment mocht redelijkerwijs van de verdachte worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen zou nemen om te voorkomen dat de appèldagvaarding en de oproeping op een nadere terechtzitting te verschijnen hem niet zouden bereiken en dat de inhoud daarvan niet te zijner kennis zou komen.

Uit het feit dat de verdachte er niet voor heeft zorg gedragen dat de appèldagvaarding en de oproeping voor de nadere terechtzitting van 11 juni 2002 hem konden bereiken en hij aldus kennis kon nemen van de inhoud van die stukken en dat hij voor zijn raadsman - die hem ook in eerste aanleg heeft bijgestaan en uit eigen hoofde een afschrift van de appèldagvaarding en de oproeping voor de nadere terechtzitting van 11 juni 2002 heeft ontvangen - bereikbaar was opdat hij ook langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte zou hebben kunnen komen (zie ook HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 r.o. 3.34), moet worden afgeleid dat de verdachte geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid en vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

De raadsman van de verdachte heeft vervolgens verzocht het woord te mogen voeren, welk verzoek het hof heeft opgevat als een verzoek om de verdachte te mogen verdedigen, hoewel de raadsman meedeelde daartoe niet uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd. Als argumenten heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte minderjarig is en dat hij door de voorzitter van dit hof aan de verdachte is toegevoegd.

4.3

Het hof overweegt omtrent dit verzoek als volgt.

In zijn arrest van 23 april 2002 (zaaknummer 03678/00) heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

"3.1. Krachtens artikel 415 Sv zijn de artikelen 279 en 331 Sv op het geding voor het gerechtshof van overeenkomstige toepassing.

Artikel 279 Sv luidt:

"1. De verdachte die niet is verschenen, kan zich ter terechtzitting laten verdedigen door een advocaat die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. De rechtbank stemt daarmee in (...).

2. De behandeling van de zaak tegen de verdachte die zijn advocaat tot zijn verdediging heeft gemachtigd, geldt als een procedure op tegenspraak."

Artikel 331 Sv luidt, voorzover nu van belang:

"1. Elke bevoegdheid van de verdachte die bij deze Titel is toegekend, komt ook toe aan de raadsman die de ter terechtzitting aanwezige verdachte bijstaat ofwel op grond van artikel 279, eerste lid, tot verdediging van de afwezige verdachte is toegelaten.

2. (...)."

3.2. Opmerking verdient dat de wet niet alleen in artikel 279 Sv en artikel 331 Sv een machtiging eist indien de verdachte zijn raadsman voor hem wenst te doen optreden. Gewezen kan worden op de artikelen 450, eerste lid, en 452, eerste lid, Sv betreffende het aanwenden van rechtsmiddelen en het indienen van schrifturen door een advocaat. Het machtigingsvereiste steunt op de gedachte dat de verdachte, alvorens een machtiging te verstrekken, een keuze maakt, onder meer wat betreft de aard en de omvang van de handelingen die zijn raadsman namens hem dient te verrichten. Dit betekent dat de verdachte gehouden kan worden aan hetgeen de raadsman ingevolge de verstrekte machtiging namens hem heeft gedaan en nagelaten.

Tegen deze achtergrond bezien moet strikt de hand worden gehouden aan het in artikel 279 Sv neergelegde machtigingsvereiste. Een strikte toepassing van artikel 279 Sv zal in de regel niet in strijd zijn met de eisen die voortvloeien uit artikel 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder c, EVRM. Laatstgenoemd verdragsvoorschrift brengt immers mee dat de verdachte het recht heeft om zich bij zijn verdediging te laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze of door een toegevoegde advocaat, doch verzet er zich niet tegen dat die keuze onderscheidenlijk zijn instemming met het optreden van de hem toegevoegde advocaat dient te berusten op een daartoe door de verdachte verleende machtiging.

Daarom moet het in artikel 279 Sv besloten liggende stelsel aldus worden verstaan:

(1) dat de raadsman die

(a) de ter terechtzitting aanwezige verdachte bijstaat,

(b) ter terechtzitting uitdrukkelijk verklaart dat hij door de daar niet verschenen verdachte bepaaldelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, alle hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen, dus met inbegrip van de bevoegdheden bedoeld in artikel 331, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering; in deze gevallen geldt de behandeling van de zaak als een procedure op tegenspraak;

(2) dat de raadsman die ter terechtzitting niet uitdrukkelijk verklaart dat hij door de aldaar niet verschenen verdachte bepaaldelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, geen van de hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen, behoudens het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld; bij gebreke van een zodanige machtiging geldt de behandeling van de zaak als een procedure bij verstek.

Niet uitgesloten is dat op grond van voormelde verdragsvoorschriften in uitzonderlijke gevallen anders moet worden geoordeeld (vgl. HR 23 oktober 2001, NJ 2002, 77).

3.3. De raadsman die niet ingevolge art. 279, eerste lid, Sv heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging, is op de terechtzitting slechts bevoegd het woord te voeren met inachtneming van de beperkingen zoals hiervoor onder 3.2 sub 2 overwogen. Indien de rechter de raadsman toestaat buiten de bedoelde onderwerpen nog meer aan te voeren, geschiedt dit in strijd met het wettelijk systeem."

4.4

Het Hof merkt allereerst op dat de Hoge Raad in genoemd arrest geen onderscheid maakt tussen meer- en minderjarigen. Het hof neemt derhalve aan dat de door de Hoge Raad ontwikkelde jurisprudentie inzake het machtigingsvereiste ook toepassing dient te vinden ingeval de verdachte minderjarig is en dit enkele feit geen uitzonderlijk geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.2. laatste zinsnede oplevert.

4.5

Ook het op 20 november 1989 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 46 en Trb. 1990, 170), dat op 8 maart 1995 voor Nederland in werking is getreden, biedt geen steun voor een andersluidende opvatting.

Ingevolge artikel 40, tweede lid, sub b iii van het Verdrag heeft "every child alleged as or accused of having infringed the penal law at least the following

guarantees:

...

(iii) To have the matter determined without delay by a competent, independent and impartial authority or judicial body in a fair hearing according to law, in the presence of legal or other appropriate assistance (..).

Deze verdragsbepaling biedt in het licht van het bepaalde in artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM, in dit opzicht geen bijzondere bescherming aan minderjarigen.

4.6

Artikel 3, eerste lid, van het Verdrag, dat luidt: "In all actions concerning children, whether undertaken by public or private social welfare institutions, courts of law, administrative authorities or legislative bodies, the best interests of the child shall be a primary consideration" is te algemeen geformuleerd om uit dat verdragsartikel alleen de bevoegdheid van de raadsman van een minderjarige verdachte om de verdediging te voeren af te leiden, indien die raadsman daartoe door die minderjarige zelf niet uitdrukkelijk is gemachtigd.

4.7

De verdachte heeft inmiddels de leeftijd van 16 jaren bereikt. Artikel 503, eerste lid, Sv vindt derhalve geen toepassing.

In de onderhavige zaak is de aanzegging hoger beroep aan de verdachte op 18 december 2000 in persoon uitgereikt. Op dat moment was de verdachte dus ervan op de hoogte dat de zaak in hoger beroep opnieuw zou worden behandeld en dat hij voor die behandeling zou worden opgeroepen.

Uit het feit dat de verdachte er niet voor heeft zorg gedragen dat hij voor zijn raadsman - die hem ook in eerste aanleg heeft bijgestaan - bereikbaar was, moet worden afgeleid dat hij vrijwillig ervan heeft afgezien om zijn raadsman uitdrukkelijk te machtigen namens hem de verdediging te voeren.

4.8

In een last tot toevoeging ligt niet de bevoegdheid van de raadsman besloten om de afwezige verdachte te verdedigen, ingeval de verdachte hem niet uitdrukkelijk heeft gemachtigd die verdediging te voeren.

4.9

Het verzoek van de raadsman van de verdachte om namens de verdachte de verdediging te mogen voeren -waartoe ook wordt gerekend de ondervraging van getuigen- wordt derhalve afgewezen."

6. Het middel keert zich tegen dit oordeel door te stellen dat art. 279 Sv niet van toepassing is in strafzaken tegen personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. Toepasselijkheid van die bepaling zou, aldus de steller van het middel, in strijd komen met doel, tekst en strekking van de regeling met betrekking tot de berechting van minderjarige verdachten, in het bijzonder met de in art. 495a Sv neergelegde plicht voor een dergelijke verdachte om ter terechtzitting in persoon te verschijnen, alsmede met het bepaalde in art. 488 Sv.

7. De stelling dat art. 279 Sv niet van toepassing is op het strafgeding tegen de minderjarige verdachte, vindt geen steun in de tekst van de wet. Art. 499, eerste lid Sv bepaalt immers dat op het geding voor de kinderrechter de bepalingen van de Vijfde en Zesde Titel van het Tweede Boek, waar art. 279 Sv onder valt, van toepassing zijn, voor zover in deze Titel niet anders wordt bepaald. Ten aanzien van art. 279 bevat het strafprocesrecht voor jeugdigen vervolgens geen afwijkende bepaling.

8. Volgens de steller van het middel vloeit de niet-toepasselijkheid voort uit de omstandigheid dat art. 495a de jeugdige verdachte verplicht te verschijnen, terwijl aan de regeling van art. 279 ten grondslag ligt dat verdachte van zijn aanwezigheidsrecht af kan zien en in dat geval, onder de in art. 279 genoemde voorwaarden, zijn raadsman de verdediging kan laten voeren.

9. Die opvatting is niet juist. Het feit dat verdachte, hoewel verplicht te verschijnen, niet verschijnt is geen reden om hem daarom het recht op verdediging door een raadsman te ontzeggen. Dat zou tekort doen aan het belang van het recht op verdediging (vgl. het EHRM in de zaak Lala (NJ 1994, 733) de overwegingen 29 tot en met 33). En art. 279 is ook van toepassing als de verdachte geen gevolg geeft aan een bevel tot verschijning in persoon of zich onttrekt aan een bevel medebrenging.

10. Ook het argument dat van een minderjarige verdachte niet verondersteld kan worden dat hij een bewuste keus maakt en dat daarom art. 279 buiten toepassing moet blijven, is niet steekhoudend. De wet gaat er immers van uit dat een minderjarige wel degelijk beslissingen met processuele consequenties kan nemen - bijvoorbeeld ten aanzien van het al dan niet aanwenden van een rechtsmiddel - en er is geen enkele reden om daarover ten aanzien van de regeling van art. 279 Sv anders te oordelen.

11. Tenslotte vermeld ik in dit verband nog het ook door het Hof aangehaalde arrest HR NJ 2002, 338, m.nt. Sch, in welk arrest de Hoge Raad uitvoerige beschouwingen geeft over het stelsel van art. 279 Sv. Ook die zaak had betrekking op een strafrechtelijk minderjarige verdachte. In dat arrest besteedt de Hoge Raad geen aandacht aan de omstandigheid dat het om een ambtshalve toegevoegde raadsman ging, terwijl mijn ambtgenoot mr. Jörg in zijn conclusie uitdrukkelijk de vraag aan de orde stelt of de ambtshalve toegevoegde raadsman ten aanzien van de regeling van art. 279 Sv in dezelfde positie verkeert als de gekozen raadsman. De conclusie uit dat arrest kan dan ook niet anders zijn dan dat de Hoge Raad geen onderscheid maakt tussen strafrechtelijk meerderjarige en minderjarige verdachten als het gaat om de toepasselijkheid van art. 279 Sv.

12. Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld.

13. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof in de na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting ingekomen fax met betrekking tot de wens van verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, geen aanleiding heeft gezien het onderzoek ter terechtzitting te heropenen.

14. Het Hof heeft in het verkorte arrest het volgende overwogen:

"5. Verzoek tot hervatting van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

5.1

Op 20 juni 2002, na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting van 11 juni 2002, kwam ter griffie van het hof een faxbericht, gericht aan de voorzitter, binnen met de volgende inhoud:

"In voorgemelde zaak is het onderzoek ter terechtzitting inmiddels gesloten. Het verzoek tot schorsing van de behandeling om verdachte op een nadere terechtzitting te laten verschijnen is afgewezen omdat er geen zicht op was dat verdachte op korte termijn zou verschijnen.

Inmiddels heeft verdachte contact met mij opgenomen en bij mij gegevens achtergelaten waar hij te bereiken is. Hij heeft zich ook bereid verklaard en zelfs de wens te kennen gegeven in zijn aanwezigheid te willen worden berecht.

Nu ik ervoor kan zorgen dat verdachte op korte termijn op een nadere terechtzitting kan verschijnen en ook aannemelijk is dat hij zal verschijnen, verzoek ik u hierbij om heropening van het onderzoek. Een oproeping van de verdachte om te verschijnen op een nadere terechtzitting kan aan mij worden verzonden. Ik zal er dan voor zorgen dat verdachte hierbij aanwezig zal zijn."

5.2

Omtrent dit verzoek overweegt het hof als volgt.

Artikel 495a van het Wetboek van Strafvordering houdt het volgende in:

1. De verdachte is verplicht in persoon te verschijnen. Bij de dagvaarding wordt hem kennis gegeven dat, indien hij niet aan deze verplichting voldoet, het gerecht zijn medebrenging kan gelasten.

2. Indien de van misdrijf verdachte in gebreke blijft op de terechtzitting te verschijnen, stelt het gerecht (...) het onderzoek tot een bepaalde dag uit en beveelt het tevens de medebrenging van de verdachte. Het gerecht kan echter indien van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is of op grond van bijzondere omstandigheden het geven van een bevel tot medebrenging achterwege laten.

3. Tegen de verdachte die in gebreke blijft op de terechtzitting te verschijnen, wordt tenzij het gerecht de medebrenging tegen een nader tijdstip gelast, verstek verleend. Het onderzoek wordt daarna voortgezet.

Ingevolge het bepaalde in artikel 501 van het Wetboek van Strafvordering is artikel 495a van dit wetboek in geval van hoger beroep bij het gerechtshof van overeenkomstige toepassing.

5.3

Het hof heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep op 26 maart 2002 aangehouden tot 11 juni 2002 om twee verschillende redenen, zoals ook blijkt uit het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal. De verdachte is niet terechtzitting verschenen. De raadsman van de verdachte heeft, nu hem niet was gebleken dat zijn cliënt afstand wilde doen van zijn aanwezigheidsrecht, aanhouding verzocht. Het hof heeft dit verzoek, mede gelet op voormelde wetsartikelen, gehonoreerd.

Zowel uit het vonnis betreffende de verdachte van 2 oktober 2000 als uit het vonnis betreffende de medeverdachte [medeverdachte] van 15 november 2000 bleek dat onduidelijkheid bestond over de vraag wie nu volgens de aangever de kleinste van de twee was. Op beide terechtzittingen heeft de kinderrechter vastgesteld dat de medeverdachte [medeverdachte] de kleinste van de twee is. In het belang van het onderzoek heeft het hof het onderzoek ter terechtzitting tevens geschorst "ten einde de zaken tegen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gelijktijdig te kunnen behandelen en beide personen in elkaars zaak als getuige te kunnen horen". Het hof heeft voorts in het belang van het onderzoek de advocaat-generaal verzocht het vonnis van 15 november 2001 (lees: 2000) betreffende de medeverdachte [medeverdachte] en de verklaringen van die medeverdachte afgelegd bij de rechter-commissaris aan het dossier toe te voegen.

Op de nadere terechtzitting is de verdachte niet, de medeverdachte [medeverdachte] als getuige wel verschenen.

Het hof heeft beide zaken gelijktijdig behandeld.

5.4

Het hof heeft hiervoor onder 4 uiteengezet uit welke feiten en omstandigheden het hof heeft afgeleid dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Genoemd faxbericht bevat een duidelijke aanwijzing dat de verdachte thans alsnog gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht. Het recht van de verdachte op berechting in zijn tegenwoordigheid moet evenwel worden afgewogen tegen het algemeen belang, in het bijzonder het belang van een behoorlijke rechtspleging. Zie HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 (r.o. 3.33).

Het belang van een behoorlijke rechtspleging in de onderhavige zaak bracht mee dat deze gelijktijdig met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] werd berecht en afgedaan, hetgeen ook is geschied. Dit belang - een gelijktijdige berechting van beide zaken - dient naar 's hofs oordeel thans zwaarder te wegen dan het belang van de verdachte bij een hervatting van het onderzoek ten einde hem alsnog in staat te stellen gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het geheel aan de verdachte zelf te wijten is geweest dat ten tijde van de nadere terechtzitting van 11 juni 2002 sprake was van omstandigheden waaruit het hof heeft moeten afleiden dat de verdachte geen prijs stelde op berechting in zijn tegenwoordigheid en dat hij vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. In zoverre onderscheidt deze zaak zich duidelijk van de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2001, NJ 2002, 203.

Het verzoek tot hervatting van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep wordt derhalve afgewezen."

15. Het middel acht 's Hofs oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu niet zonder meer begrijpelijk is waarom het belang van gelijktijdige berechting met de medeverdachte moet prevaleren boven het belang van de berechting van verdachte op tegenspraak.

16. In aanmerking genomen dat het faxbericht niet inhoudt om welke redenen verdachte op de eerdere terechtzittingen niet is verschenen en tegen de achtergrond van de omstandigheid dat bij de berechting de redelijke termijn reeds was overschreden (zie middel III), heeft het Hof op toereikende gronden geoordeeld dat het onderzoek ter terechtzitting niet alsnog heropend diende te worden om verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen ter terechtzitting te verschijnen.

17. Het tweede middel faalt.

18. Het derde middel klaagt dat tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling van de zaak in appèl meer dan 16 maanden zijn verstreken en dat het Hof desondanks niet ambtshalve met die omstandigheid rekening heeft gehouden bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf.

19. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft in de overwegingen met betrekking tot de op te leggen straf uitdrukkelijk overwogen dat rekening wordt gehouden met het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep en de datum waarop het Hof arrest heeft gewezen en dat om die reden op het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de jeugddetentie één week in mindering is gebracht.

20. Het derde middel faalt dus eveneens.

21. Het tweede en derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

22. Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.