Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AH9616

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2003
Datum publicatie
11-07-2003
Zaaknummer
C02/059HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AH9616
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

11 juli 2003 Eerste Kamer Nr. C02/059HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. G. Snijders. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2003-07-11
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 382, geldigheid: 2003-07-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 395
JWB 2003/274

Conclusie

Rolnr. C02/059

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 9 mei 2003

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

De Staat der Nederlanden

(Ministerie van Justitie)

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Op 31 december 1968 is thans eiser tot cassatie, [eiser], door de arrondissementsrechtbank te Rotterdam wegens doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar en 6 maanden met aftrek van voorarrest en onvoorwaardelijk ter beschikking van de regering gesteld. Het desbetreffende vonnis is onherroepelijk geworden.

Voorafgaande aan de veroordeling heeft een observatie van [eiser] plaatsgevonden in de Psychiatrische Observatie Kliniek (POK), en wel door (onder meer) J.G. Schnitzler, psychiater, die ter zake rapport heeft uitgebracht.

1.2 [Eiser] is op 29 april 1970 opgenomen in de Prof. mr. W.P.J. Pompe Kliniek te Nijmegen. Overeenkomstig het advies van die Kliniek is de terbeschikkingstelling van [eiser] bij beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 27 april 1972 met een jaar verlengd. De daarop volgende vordering tot verlenging van 26 maart 1973 is op 12 april 1973 door de rechtbank afgewezen. De opname van eiser is op 27 april 1973 geëindigd.

1.3 [Eiser] heeft thans verweerder in cassatie, de Staat, bij inleidende dagvaarding van 22 december 1992 gedagvaard voor de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage en een verklaring voor recht gevorderd dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld alsmede een vergoeding van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

1.4 [Eiser] heeft daartoe aangevoerd dat hij op basis van vals forensisch bewijsmateriaal, geproduceerd door J.G. Schnitzler, is veroordeeld tot onvoorwaardelijke t.b.r. Jaren nadat hij uit de t.b.r. gevangenschap was ontslagen heeft [eiser] kennis genomen van de rapportages van Schnitzler en toen contact opgenomen met de officier van justitie die destijds de t.b.r. had gevorderd. Deze heeft, aldus [eiser], verontwaardigd gereageerd en contact opgenomen met de toenmalige Minister van Justitie, mr. J. de Ruiter. Nadien is [eiser] - aldus nog steeds de dagvaarding - benaderd door [betrokkene 1] die optrad namens de minister. [Betrokkene 1] heeft, evenals de officier van justitie, toegezegd voor genoegdoening zorg te dragen, doch dit heeft niet geleid tot een financiële genoegdoening.

1.5 Volgens [eiser] handelt de Staat onrechtmatig aangezien hij niet bereid is de schade te vergoeden die is ontstaan als gevolg van de onwettige psychiatrische dwangverpleging. Bovendien handelt de Staat volgens [eiser] onrechtmatig door na te laten gewekte verwachtingen te honoreren, nu ondanks toezeggingen de Staat nog niets heeft betaald.

1.6 De Staat heeft in zijn verweer uiteengezet dat diverse gesprekken en telefonische contacten tussen [eiser] en [betrokkene 1] hebben plaatsgevonden, waarna de Staatssecretaris van Justitie bij brief van 21 december 1982 haar standpunt aan [eiser] heeft uiteengezet en het verzoek van [eiser] om schadevergoeding uitdrukkelijk heeft afgewezen. In deze brief heeft de Staatssecretaris [eiser] onder meer het volgende medegedeeld: "Ik kan u niet volgen in uw gedachte aanspraak te hebben op een schadevergoeding voor de gevolgen van (...) de terbeschikkingstelling."

1.7 De Staat heeft zich primair op verjaring beroepen, nu ingevolge art. 1 lid 1 van de Wet van 24 oktober 1924, Stb. 482, rechtsvorderingen ter zake van geldschulden ten laste van onder meer het Rijk verjaren door verloop van vijf jaar na de 31ste december van het jaar, waarin de schuld opvorderbaar is geworden. Voorts heeft de Staat er op gewezen dat [eiser] geen hoger beroep heeft ingesteld van het vonnis waarbij de t.b.r. is bevolen, zodat moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de t.b.r.

De Staat heeft met klem ontkend dat [betrokkene 1] zou hebben toegezegd dat een vergoeding zou worden betaald. Voorzover bij [eiser] verwachtingen zouden zijn gewekt, dan zijn die weggenomen door de brief van 21 december 1982.

1.8 Bij vonnis van 19 januari 1994 heeft de rechtbank de vordering van [eiser] afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van [eiser], voorzover deze is gegrond op volgens [eiser] namens de Staat gedane toezeggingen en gewekte verwachtingen, - zo deze al gedaan zijn - strandt op de brief van de staatssecretaris van 21 december 1982. Ten aanzien van de grondslag onrechtmatige daad als gevolg van de volgens [eiser] onrechtmatige opname heeft de rechtbank geoordeeld dat deze vordering is verjaard.

1.9 [eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden.

1.10 Het hof heeft bij tussenarrest van 23 maart 1995 geoordeeld dat een eventuele vordering van [eiser] uit hoofde van gewekte verwachtingen en gedane beloften betrekking zou moeten hebben op na 21 december 1982 opgewekte verwachtingen/gedane toezeggingen omdat [eiser] uit die brief heeft kunnen en moeten begrijpen dat de Staat beloften van vóór 1982 niet gestand zou doen. [Eiser] heeft gesteld dat [betrokkene 1] hem onder meer in 1988 toezeggingen heeft gedaan en dat hem in de loop van 1989 duidelijk werd dat de Staat zijn verplichtingen uit de opgewekte verwachtingen/gedane toezeggingen niet zou honoreren. Een eventuele vordering uit dezen hoofde is naar het oordeel van het hof niet verjaard.

1.11 Het hof heeft [eiser] toegelaten door middel van getuigen te bewijzen dat door of vanwege de Staat in de periode tussen 22 december 1982 en 1989 bij hem verwachtingen zijn opgewekt c.q. aan hem toezeggingen zijn gedaan dat hem in verband met zijn terbeschikkingstelling een financiële tegemoetkoming zou worden uitbetaald.

Vervolgens heeft een groot aantal getuigenverhoren plaatsgevonden.

1.12 Ter zitting van 27 maart 2000 heeft mr. Korte-van Hemel, Staatssecretaris van Justitie van 7 november 1982 tot 7 november 1989, als getuige ten aanzien van de brief van 21 december 1982 het volgende verklaard:

"(...) U toont mij een ongetekende kopie d.d. 21 december 1982 van een brief gericht aan de heer [eiser] en afkomstig van het Ministerie van Justitie, waarin een financiële claim van de [eiser] wordt afgewezen. Ik weet niet wie deze brief heeft getekend en zelfs niet of deze brief conform deze kopie is uitgegaan. Ik zelf placht destijds conceptbrieven te beoordelen aan de hand van daarop gegeven commentaar van het ambtelijk apparaat. Dergelijk brieven placht ik zelf te ondertekenen nadat deze door de typekamer waren geminuteerd. Niet alle brieven die tot mijn beleidsterrein behoorden werden door mij gezien en ondertekend. Bovengenoemde kopie-brief, die ongetekend bij de [eiser] (die zulks hier verklaart) is terechtgekomen, komt voort uit het ambtelijk apparaat en is mij tot heden onbekend gebleven. Uiteraard kan ik voor die brief geen verantwoordelijkheid nemen.

(...)"

1.13 [Eiser] heeft daarop de Staat bij exploit van 10 mei 2000 gedagvaard voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage en rekest-civiel ingesteld. Hij heeft daarbij gevorderd dat het tussenarrest van het hof van 23 maart 1995 wordt vernietigd en opnieuw rechtdoende wordt beslist zoals gevorderd in de appeldagvaarding van de hoofdprocedure.

Aan deze vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat het hof in zijn tussenbeslissing een overweging heeft gewijd aan de brief van 21 december 1982 van de staatssecretaris waarin zij de aanspraak van [eiser] op schadevergoeding van de hand wees en dat die brief blijkens het getuigeverhoor van mr. Korte-van Hemel vals is, zodat het hof het arrest heeft gewezen op een bescheid dat voor vals is erkend of vals is verklaard door de getuige die genoemde brief geschreven zou hebben.

1.14 De Staat heeft de vordering bestreden en uiteengezet dat de ongetekende brief een door de typekamer opgestelde kopie betreft voor een ambtenaar die betrokken was bij het concipiëren van de brief. Diens naam en kamernummer staan om die reden in de rechterbovenhoek van de kopiebrief vermeld. Het was, aldus de Staat, destijds niet gebruikelijk door middel van een kopieerapparaat een kopie van het ondertekende origineel te maken; de typekamer stelde voor de betrokken ambtenaren een 'schoon' exemplaar op nadat het origineel, alsmede een doorslag daarvan, van een handtekening respectievelijk paraaf waren voorzien. De geparafeerde doorslag werd samen met het/de eerdere concept(en), in het departementale dossier gevoegd. De ongetekende kopiebrieven werden ter kennisneming aan de betrokken ambtenaren verstrekt.

1.15 De Staat heeft betwist dat mr. Korte-Van Hemel in haar getuigenverklaring heeft erkend dat de brief van 21 december 1982 vals is. Volgens de Staat heeft de getuige aangegeven dat zij niet weet door wie het origineel is ondertekend en dat zij zelfs niet weet of het origineel conform kopie is uitgegaan. Uit die verklaring kan volgens de Staat stellig niet worden afgeleid dat zij de (inhoud van de) kopiebrief voor vals erkent, waarbij de Staat nog opmerkt dat het hem overigens niet duidelijk is waaruit de valsheid zou bestaan die de staatssecretaris beweerdelijk erkent.

1.16 Bij arrest van 15 november 2001 heeft het hof de vordering tot rekest-civiel afgewezen op de grond dat de door [eiser] aangevoerde grond voor herroeping van het tussenarrest niet bestaat. Het hof heeft daarbij - kort gezegd - geoordeeld dat de verklaring van mr. Korte-Van Hemel omtrent de aan haar door de raadsheer-commissaris getoonde kopiebrief van 21 december 1982 er in wezen op neerkomt dat zij zich niet meer kan herinneren deze brief ondertekend te hebben en dat haar verklaring derhalve geen doorslaggevende betekenis heeft voor het waarheidsgehalte van de brief van 21 december 1982.

1.17 In de hoofdzaak intussen hebben zowel [eiser] als de Staat een memorie na enquête tevens akte overlegging producties genomen.

Vervolgens heeft het hof bij arrest van 15 november 2001 geoordeeld dat het van [eiser] verlangde bewijs niet door hem is geleverd (rov. 8) en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.18 [eiser] heeft tijdig(2) cassatieberoep ingesteld tegen zowel het arrest van het hof in de hoofdzaak als dat in de rekest-civielzaak. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna namens [eiser] nog is gerepliceerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 Middel I is gericht tegen rechtsoverweging 4.1 van het arrest van 15 november 2001 in de rekest-civielzaak, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

"Als grond voor herroeping van een rechterlijke uitspraak als het onderhavige tussenarrest wordt in artikel 382 onder 7 genoemd het geval dat is gevonnist "op stukken die na het vonnis voor valsch erkend of valsch verklaard zijn". Van erkenning van valsheid door de tegenpartij van [eiser], in casu de Staat, is hier geen sprake, alleen al omdat de getuige Korte-van Hemel ten tijde van haar verklaring de Staat niet meer kon vertegenwoordigen, terwijl evenmin kan worden gezegd dat het stuk waarover mr. Korte-van Hemel verklaarde vals is verklaard nu een daartoe strekkende rechterlijke uitspraak niet bestaat. De vraag is derhalve thans nog slechts of de verklaring van de getuige Korte-van Hemel ertoe moet leiden dat dit hof vaststelt dat de bedoelde brief vals is."

Het middel betoogt dat dit oordeel rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is omdat de getuige in haar toenmalige functie is gehoord en derhalve als orgaan van de Staat optrad.

2.2 Voorzover het middel in enig onderdeel een klacht richt tegen het oordeel van het hof dat het stuk waarover mr. Korte-van Hemel heeft verklaard niet vals is verklaard in de zin van art. 382 onder 7 Rv. oud omdat een daartoe strekkende rechterlijke uitspraak ontbreekt, faalt het nu dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste opvatting van dit wetsartikel. Art. 382 aanhef en onder 7 Rv. oud bepaalde dat een vonnis kon worden herroepen "indien gevonnisd is op stukken die na het vonnis voor valsch erkend of valsch verklaard zijn". Valsverklaring door een (eerdere) rechterlijke uitspraak is hier niet geschied. Het stuk kan echter ook vals worden verklaard door de rechter tot wie de het rekest-civiel is gericht(3), hetgeen het hof terecht in de slotzin van rechtsoverweging 4.1 opmerkt.

2.3 Het oordeel van het hof dat mr. Korte-van Hemel ten tijde van haar verhoor als getuige de Staat niet kon vertegenwoordigen, geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Slechts ten tijde van haar staatssecretariaat was van vertegenwoordiging sprake. Door over haar toenmalige functie een verklaring af te leggen werd zij niet opnieuw, voor de duur van het verhoor, staatssecretaris en dus ook niet vertegenwoordigingsbevoegd.

2.4 Middel II klaagt over de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 van datzelfde arrest. Deze luiden als volgt.

"Met betrekking tot de betekenis die aan voormelde verklaring van mr. Korte-van Hemel moet worden gehecht overweegt het hof als volgt . In het oog moet worden gehouden, dat de getuige verklaart over de door de raadsheer-commissaris aan haar getoonde kopie van de brief van 21 december 1982 (productie 2 bij conclusie van antwoord in de zaak 94/768) en niet over de pas in de request-civielprocedure overgelegde productie 4 van de Staat (dezelfde kopie maar voorzien van de - naar is gesteld door de Staat - paraaf van de getuige). Het door [eiser] ontvangen exemplaar van die brief (al dan niet voorzien van de handtekening van de getuige) maakt geen deel uit van de processtukken (in deze zaak en) in de andere zaak 94/768, zodat het ook niet kon worden (is) getoond aan deze getuige. Ten slotte staat als onbestreden vast, dat de beide kopieën die door de Staat achtereenvolgens in de onderhavige zaak in het geding zijn gebracht, afkomstig zijn uit het departementale dossier van deze (schadevergoedings)zaak.

Tegen de achtergrond van het onder 4.2 overwogene en in aanmerking nemend dat de getuige als voormalig bewindspersoon, naar aannemelijk is, zeer vele brieven heeft ondertekend in door haar ambtenaren behandelde kwesties en dat haar verklaring betrekking heeft op een zaak die zich ruim 17 jaar tevoren had afgespeeld, moet worden geoordeeld dat de verklaring van de getuige er in wezen op neerkomt dat zij zich niet meer kan herinneren deze brief van 21 december 1982 ondertekend te hebben en derhalve geen doorslaggevende betekenis heeft voor het waarheidsgehalte van de brief van 21 december 1982. Het hof voegt hieraan nog toe, dat [eiser] nimmer heeft gesteld dat de inhoud van de, in de zaak 94/678 overgelegde kopiebrief afweek van de door hem ontvangen brief en ook niet nader heeft aangegeven waarin de beweerde valsheid van dat stuk heeft bestaan. De enkele suggestie dat de "kwaadwillende" ambtenaar [betrokkene 1] in dezen een rol heeft gespeeld en de ontkenning van de authenticiteit van de paraaf van mr. Korte-van Hemel onder productie 4 voormeld zijn niet als een behoorlijke adstructie van de valsheid aan te merken. Het aanbod van [eiser] om te bewijzen, dat het arrest a quo op bedrog berust dan wel is gewezen op stukken die vals zijn verklaard, zal het hof passeren als onvoldoende gespecificeerd."

2.5 Het middel betoogt allereerst dat het hof in de eerste volzin van rechtsoverweging 4.3 een onjuiste althans niet toegelaten of onbegrijpelijke denaturering pleegt van de getuigenverklaring nu mr. Korte-van Hemel zonder voorbehoud heeft verklaard.

2.6 Deze klacht stuit af op de aan het hof voorbehouden waardering van een getuigenverklaring. Voort geldt dat in het licht van de verklaring van mr. Korte-van Hemel dat de zaak noch de persoon van de heer [eiser] haar iets zei op het moment dat zij de oproep voor het getuigenverhoor ontving en dat zij zich ook nu (ten tijde van het verhoor) de zaak noch de persoon kan herinneren(4), het oordeel van het hof dat de verklaring ten aanzien van de brief van 21 december 1982 er op neer komt dat zij zich niet meer herinnert deze brief ondertekend te hebben, geenszins onbegrijpelijk is.

2.7 Het middel klaagt daarnaast over de oordelen van het hof omtrent stelplicht en bewijslast in de tweede en vierde volzin van rechtsoverweging 4.3. Volgens het middel heeft het hof buitenwettelijke eisen gesteld aan de stelplicht van [eiser] en heeft het zijn bewijsaanbod ten onrechte als onvoldoende gespecificeerd aangemerkt.

2.8 Ook deze klacht faalt.

De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zich een van de in art. 382 (oud) Rv. opgesomde redenen in de aangevallen procedure voordoet, rust op de eiser bij rekest-civiel(5). [Eiser] heeft bij akte uitlating producties bewijs aangeboden van zijn stelling dat het tussenarrest van het hof op bedrog berust dan wel is gewezen op stukken die vals zijn dan wel vals zijn verklaard. [Eiser] heeft echter nagelaten aan te geven uit welke te bewijzen feiten zou (kunnen) blijken dat de brief van 21 december 1982 vals is. Het oordeel van het hof dat [eiser] zijn bewijsaanbod onvoldoende heeft gespecificeerd, is derhalve juist en begrijpelijk(6).

2.9 Middel III richt een aantal klachten tegen de rechtsoverwegingen 2 tot en met 8 van het arrest in de hoofdzaak. Het hof is in deze rechtsoverwegingen ingegaan op het bijgebrachte getuigenbewijs. Na bespreking van de verklaringen die tevens door [eiser] (in zijn memorie na enquête) zijn besproken, waaronder de verklaring van [betrokkene 1] over de inhoud van een groot aantal met [eiser] gevoerde telefoongesprekken, komt het hof tot de slotsom dat het van [eiser] verlangde bewijs niet is geleverd. Het hof heeft daarbij ten slotte in aanmerking genomen de - bijzondere - relatie tussen [eiser] en de getuige [betrokkene 1] die zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld van een ambtelijk contact tot meer een privé contact, waarbij de herintegratie van [eiser] na zijn terbeschikkingstelling langzamerhand op de voorgrond kwam te staan, hetgeen heeft geleid tot een vervaging van de grenzen tussen ambtelijk en het privé optreden van [betrokkene 1], doch hetgeen niet tot gevolg heeft gehad dat [eiser] in redelijkheid kan hebben gemeend dat [betrokkene 1] in gevallen dat meer duidelijkheid gewenst was omtrent zijn rol jegens [eiser], namens het Ministerie van Justitie is opgetreden (rov. 8).

2.10 Het middel richt een aantal klachten tegen de rechtsoverwegingen 2, 3 en 5. In die overwegingen heeft het hof overwogen dat het slechts op de getuigenverklaringen zal ingaan, waarin omtrent toezeggingen/beloften aangaande een financiële genoegdoening wordt verklaard. Deze klachten falen op de grond dat het hof in zijn in cassatie niet bestreden tussenarrest heeft geoordeeld dat toezeggingen/beloften tot bemiddeling buiten beschouwing kunnen blijven, nu het [eiser] gaat om gewekte verwachtingen/gedane beloften aangaande een financiële genoegdoening (rov. 8.2). Het probandum ziet (dan ook) slechts op verwachtingen en toezeggingen met betrekking tot een financiële tegemoetkoming.

2.11 Voorts richt het middel een aantal klachten tegen de rechtsoverwegingen 4, 6, 7, 8 en 9. Die klachten falen nu zij opkomen tegen de aan het hof voorbehouden en niet onbegrijpelijke waardering van het bijgebrachte getuigenbewijs.

Ook middel III faalt derhalve.

2.12 Nu het cassatiemiddel geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het worden verworpen met toepassing van art. 81 RO.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het vonnis van 19 januari 1994 van de rechtbank te 's-Gravenhage (rov. 1), waarnaar het hof te 's-Gravenhage in rov. 1 van zijn tussenarrest van 23 maart 1995 heeft verwezen.

2 De dagvaarding is uitgebracht op 15 februari 2002.

3 HR 22 juni 1973, NJ 1973, 465 m.nt. DJV.

4 Zie de tweede alinea (laatste volzin) van het proces-verbaal van de verklaring van mr. Korte-van Hemel.

5 Zie Th. B. ten Kate, Het request-civiel, 1962, blz. 170.

6 Een bewijsaanbod is in beginsel voldoende gespecificeerd, als het de feiten vermeldt die worden aangeboden te bewijzen: HR 4 april 1997, NJ 1997, 608.