Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AH9382

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2003
Datum publicatie
11-07-2003
Zaaknummer
R03/064HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AH9382
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

11 juli 2003 Eerste Kamer Rek.nr. R03/064HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker],

wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. G.E.M. Later. 1. Het geding in feitelijke instantie...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2003/35
JOL 2003, 379
JWB 2003/298

Conclusie

R 03/064 HR (Wet Bopz)

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 20 juni 2003

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

In deze zaak wordt een voorlopige machtiging met motiveringsklachten op het punt van het gevaarscriterium bestreden.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement Almelo heeft op 24 februari 2003 aan de rechtbank aldaar een voorlopige machtiging tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis verzocht ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene). Bij het verzoek is gevoegd een op 24 februari 2003 door H.A. de Haan, een niet bij de behandeling betrokken psychiater, ondertekende geneeskundige verklaring gevoegd.

1.2. Op 28 februari 2003 heeft de rechtbank te Almelo dr. D.F.J. Hoekstra, arts bij de Forensisch Psychiatrische Dienst Almelo, gehoord. Tevens hebben betrokkene en zijn raadsvrouwe het woord gevoerd.

1.3. De rechtbank overwoog in haar beschikking van diezelfde datum dat betrokkene door een stoornis van de geestvermogens gevaar voor zichzelf en voor een of meer anderen dan wel voor de algemene veiligheid van personen of goederen veroorzaakt, welk gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend, dat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis en dat hij heeft verklaard niet aan een ambulante behandeling te zullen meewerken en pas hulp te willen zoeken als hij denkt dat het nodig is. De rechtbank heeft de voorlopige machtiging verleend.

1.4. Tegen deze beschikking heeft betrokkene - tijdig(1) - cassatieberoep ingesteld.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel I, kort samengevat, klaagt dat uit de bestreden beschikking niet blijkt voor welk gevaar t.a.v. betrokkene door de rechtbank wordt gevreesd, noch waarom het gevreesde gevaar door de rechtbank zo ernstig wordt geacht dat het moet leiden tot vrijheidsontneming.

2.2. De rechtbank heeft volstaan met een standaardoverweging waarin slechts het wettelijk criterium wordt herhaald en in algemene termen wordt verwezen naar de geneeskundige verklaring en de toelichting van de behandelende arts ter terechtzitting. Naar vaste rechtspraak(2) kan met een dergelijke standaardmotivering worden volstaan in gevallen waarin uit de onderliggende stukken voldoende duidelijk is wat de rechter hierbij voor ogen heeft gestaan. Waar het op aan komt is, of uit de stukken naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat in de beschikking zelf met een summiere motivering wordt volstaan. Wanneer er sprake is van een concreet verweer, dient de rechter ervan blijk te geven dat hij dit verweer onder ogen heeft gezien en zal uit de motivering moeten blijken om welke reden de rechter tot een andersluidend oordeel is gekomen.

2.3. In dit geval blijkt uit de medische rapportage dat ten aanzien van betrokkene op grond van "paranoïde waanvorming, associatiezwakte tot incoherent denken en middelenmisbruik" de diagnose is gesteld: "paranoïde psychose, zeer waarschijnlijk schizofrenie". Het oordeel dat betrokkene lijdt aan een geestelijke stoornis wordt, als zodanig, in cassatie niet bestreden. Het gevaar moet volgens de geneeskundige verklaring worden gezocht in de dreigende/geladen houding van betrokkene en in verbale agressie naar anderen, hetgeen bij anderen weer agressie kan oproepen (rubriek 5 geneesk. verkl.). De verbale agressie is niet door De Haan zelf waargenomen, maar is hem medegedeeld door een collega. Zij wordt ook niet gepreciseerd.

2.4. Namens betrokkene is ter terechtzitting bestreden dat er sprake is van het vereiste gevaar, waarbij als onder meer als argument naar voren is gebracht dat het gevreesde gevaar (in de geneeskundige verklaring) te weinig concreet is aangeduid. In antwoord daarop heeft dr. Hoekstra slechts aangegeven dat er op dit moment geen gevaar is (betrokkene zat ten tijde van het verhoor in het Huis van Bewaring) en dat hij het gevaar pas ziet komen wanneer betrokkene buiten komt: "Dat hij dan het idee krijgt dat de hele wereld over hem heen dondert. Ik ziet het voor mij dat wanneer hij nu naar buiten gaat en hij het zelf allemaal moet uitzoeken, dat het met zijn psychische toestand achteruit gaat". Verder is ter zitting alleen gesproken over de mogelijkheid van ambulante behandeling met een zgn. paraplu-machtiging(3). De rechtbank heeft zich niet nader geïnformeerd over de aard en ernst van het gevaar. In het inleidende verzoek van de officier van justitie wordt hieromtrent niets gesteld.

2.5. De enkele omstandigheid dat betrokkenes toestand achteruit gaat wanneer hij zich zonder machtiging staande moet zien te houden levert nog geen "gevaar" op in de zin van de Wet Bopz. In de gedingstukken en ter zitting worden de aard en ernst van het gevaar niet nader aangeduid. Zelfs is onduidelijk of de rechtbank zich volledig aansluit bij het antwoord van dr. Hoekstra dan wel een eigen voorstelling van het te vrezen gevaar heeft gehad. De motivering van de beschikking geeft evenmin inzicht in welke aangeduide categorie het gevreesde gevaar zou moeten worden gezocht, in gevaar voor anderen of voor hemzelf. In art. 1, lid 1 onder f, Wet Bopz worden diverse categorieën gevaar onderscheiden. De beschikking is op dit punt niet naar behoren met redenen omkleed en kan daarom niet in stand blijven; ik wijs er nog maar eens op dat de beschikking vrijheidsbeneming gedurende 6 maanden inhoudt.

2.6. Bij gegrondbevinding van onderdeel I behoeft onderdeel II geen bespreking meer. Het onderdeel keert zich tegen het oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Wanneer niet duidelijk is om welk gevaar het gaat, komt ook de grond te ontvallen aan het oordeel omtrent de wijze waarop het gevaar kan worden afgewend.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Binnen de termijn van drie maanden: art. 426, eerste lid, Rv, zoals gewijzigd ingaande 1 januari 2002.

2 Zie o.m.: HR 25 oktober 2002, NJ 2002, 599 (BJ 2002, 45); HR 1 maart 2002, BJ 2002, 21; HR 6 oktober 2000, NJ 2000, 716; HR 17 maart 2000, NJ 2000, 312; HR 1 oktober 1999, NJ 1999, 779, HR 16 mei 1997, NJ 1998, 221 m.nt. JdB en HR 4 oktober 1996, NJ 1997, 359, m.nt. JdB; losbl. De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, W. Dijkers en T.P. Widdershoven, aant. 3.3 op art. 2.

3 Op blz. 2 van het proces-verbaal heeft betrokkene zelf ook nog iets gezegd over agressief worden, maar dat is nogal vaag; in elk geval heeft de rechtbank de machtiging niet (mede) op die uitlating gegrond.