Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AG2651

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-2003
Datum publicatie
14-10-2003
Zaaknummer
02417/02 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AG2651
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Gevolgen van onjuiste aanduiding van het adres van het gerecht in de oproeping. 2. Geen vervangende hechtenis bij ontneming. Toepassing nieuw art. 577c.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 258
Wetboek van Strafvordering 412
Wetboek van Strafvordering 511g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 526
NJ 2004, 588
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02417/02 P

Mr. Vellinga

Zitting: 17 juni 2003

Conclusie inzake:

[veroordeelde=betrokkene]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft het door de veroordeelde door - kort gezegd - uit gewoonte een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, terwijl hij weet dat de toegang wederrechtelijk is, meermalen gepleegd, verkregen voordeel vastgesteld op f. 73.138,- en de aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van f. 73.138,- subsidiair 280 dagen hechtenis.

2. Namens veroordeelde heeft mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt over schending van art. 258 Sv en wel omdat het Hof de ontnemingszaak bij verstek heeft behandeld, hoewel in de oproeping voor het hoger beroep een onjuist adres van het Hof was opgegeven.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 28 augustus 2001 houdt het volgende in:

"De raadsman van de veroordeelde mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, is ter terechtzitting aanwezig.

Hij verklaart niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd. Hij merkt voorts op dat hij onlangs contact heeft gehad met verdachte en dat deze hem heeft meegedeeld heden bij de behandeling van de ontnemingszaak aanwezig te willen zijn.

De voorzitter deelt mede dat een medewerker van de rechtbank te Amsterdam telefonisch heeft meegedeeld dat veroordeelde zich aldaar had vervoegd en op weg is naar het gerechtshof.

Het hof onderbreekt daarop het onderzoek ter terechtzitting tot na de lunch om de veroordeelde in de gelegenheid te stellen bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn.

Na deze onderbreking wordt het onderzoek ter terechtzitting voortgezet.

De veroordeelde is niet verschenen.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen veroordeelde en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan."

5. Op 4 juli 2001 is een 'oproeping van verdachte/veroordeelde in hoger beroep' om op dinsdag 28 augustus 2001, te 11.25 uur te verschijnen ter terechtzitting van het Hof te Amsterdam aangeboden op het adres [a-straat 1], [woonplaats]. Op deze oproeping wordt als adres van het Hof vermeld: 'Amsterdam , Prinsengracht 434-436'. Omdat deze oproeping op het adres [a-straat 1], [woonplaats] niet kon worden uitgereikt, is deze uiteindelijk op 11 juli 2001 uitgereikt aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, die deze oproeping dezelfde dag per gewone brief zond naar laatstgenoemd adres.

6. Door de ambtenaar bij het Parket van de Procureur-Generaal te Amsterdam is op 11 juli 2001 nagegaan of veroordeelde (nog) in het bevolkingsregister was ingeschreven op het adres '[a-straat 1]'. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat veroordeelde niet langer woonachtig was op dat adres, maar woonde op het adres '[b-straat 1], [postcode] [woonplaats]'.

7. Vervolgens is een 'oproeping van verdachte/veroordeelde in hoger beroep' om op dinsdag 28 augustus 2001, te 11.25 uur te verschijnen ter terechtzitting van het Hof te Amsterdam aangeboden op het adres [b-straat 1], [postcode] [woonplaats]. Omdat deze oproeping op het adres [b-straat 1], [postcode] [woonplaats] niet kon worden uitgereikt is deze op 27 juli 2001 uitgereikt aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, die deze oproeping dezelfde dag per gewone brief zond naar laatstgenoemd adres.

8. Op deze laatste oproeping wordt als adres van het Hof vermeld: Amsterdam, Parnassusweg 220. Dit is echter niet het adres van het Hof maar het adres van de Rechtbank te Amsterdam.

9. Op een adresverificatie d.d. 27 augustus 2001 blijkt dat verdachte op 27 augustus 2001 ingeschreven stond op het adres [b-straat 1], [postcode] [woonplaats].

10. Het voorgaande brengt mee, dat het ervoor moet worden gehouden dat veroordeelde op zijn woonadres alleen een oproeping heeft ontvangen met als - onjuist - adres van het Hof Parnassusweg 220. Dat wordt nog eens bevestigd door het feit dat veroordeelde, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof, zich ook op dat adres heeft gemeld. Van daaruit is veroordeelde naar het Gerechtshof vertrokken, maar daar niet (op tijd) aangekomen, waarna de zaak verder bij verstek behandeld is.

11. Een dagvaarding om te verschijnen in hoger beroep informeert de veroordeelde waar en wanneer de zaak tegen hem wordt behandeld. Hij moet in staat worden gesteld bij die behandeling aanwezig te zijn. Het ontbreken of het onjuist vermelden van tijd of plaats van de terechtzitting, leidt in beginsel tot nietigheid (vgl. Cleiren/Nijboer, T & C Strafvordering, art. 258 Sv, aant. 3a; HR 7 februari 1984, NJ 1984, 518; HR 2 april 1991, NJ 1991, 650, 25 januari 2000, LJN ZD1688). Voor een oproeping geldt hetzelfde. Deze heeft immers dezelfde functie.

12. Het is de vraag of in de onderhavige zaak het niet vermelden van het juiste adres genoemde consequentie moet hebben. Immers, nadat een medewerker van de Rechtbank telefonisch aan het Hof had meegedeeld dat veroordeelde op weg was naar het Hof, heeft het Hof het onderzoek ter terechtzitting tot na de lunch onderbroken om de veroordeelde in de gelegenheid te stellen bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn. Zoals inmiddels bekend, is de veroordeelde aldaar niet (op tijd) verschenen en heeft het Hof de behandeling voortgezet.

13. Aangenomen moet worden dat verdachte er niet van op de hoogte was dat zijn zaak was aangehouden om hem de gelegenheid te geven alsnog de zitting van het Hof te kunnen bijwonen. Noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting noch anderszins blijkt immers dat hem is meegedeeld dat met de behandeling van zijn zaak gewacht zou worden totdat hij zou arriveren. Daarom valt niet uit te sluiten dat verdachte niet is verschenen omdat hij ervan is uitgegaan dat hij niet meer tijdig ter terechtzitting van het Hof kon verschijnen.

14. Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden aangenomen dat de verdachte door de foutieve aanduiding van de plaats van de terechtzitting niet in zijn belangen is geschaad(1). In die omstandigheden kan de nietigheid van de oproeping niet voor gedekt worden gehouden.

15. Het middel slaagt.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de oproeping van veroordeelde in hoger beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dat was anders in HR 25 januari 2000, LJN ZD1688, maar daar was uit de tekst van de dagvaarding op te maken dat de vermelding dat verdachte voor de kinderrechter moest terecht staan op een vergissing berustte. Bovendien was daar de plaats waar het gerecht gevestigd was wel goed aangegeven.