Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF9462

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2003
Datum publicatie
31-10-2003
Zaaknummer
C02/281HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF9462
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

31 oktober 2003 Eerste Kamer Nr. C02/281HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK "IJSSELMOND" U.A., gevestigd te Kampen, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, t e g e n ALDI OMMEN B.V., gevestigd te Ommen, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 561
NJ 2004, 490
JWB 2003/417
JOR 2004/25
Verrijkte uitspraak

Conclusie

nr. C02/281HR

Mr. Hartkamp

Zitting 20 juni 2003

Conclusie inzake

Coöperatieve Rabobank "IJsselmond" U.A.

tegen

Aldi Ommen B.V.

Feiten en procesverloop

1) In cassatie zijn de volgende feiten van belang (zie r.o. 1.1-1.6 van het vonnis d.d. 26 januari 2000 van de Arrondissementsrechtbank te Zwolle). Coöperatieve Rabobank "IJsselmond" U.A. (hierna: de bank), eiseres in cassatie, heeft met [betrokkene 1] een financieringsovereenkomst gesloten tot zekerheid waarvan [betrokkene 1] bij pandakte van 7 december 1994 onder meer zijn (toekomstige) vorderingen op derden stil heeft verpand. [Betrokkene 1] heeft zich hierbij tevens verbonden om vorderingen op derden die na ondertekening van de pandakte zullen ontstaan, en vorderingen die rechtstreeks zullen worden verkregen uit rechtsverhoudingen die na ondertekening van de pandakte zullen ontstaan, door middel van pandlijsten aan de bank te verpanden. De pandakte is op 11 januari 1995 geregistreerd.

In de periode mei-juni 1998 heeft Codis C.V. (hierna: Codis) namens [betrokkene 1] onderhandeld met Aldi Ommen B.V. (hierna: Aldi), verweerster in cassatie, over de overname van het bedrijf dat [betrokkene 1] destijds onder de naam "Volume-Markt" exploiteerde. [Betrokkene 1] heeft hiertoe op 9 juni 1998 een volmacht verleend aan Codis.

Codis en Aldi zijn overeengekomen dat de overnamesom voor de Volume-Markt ƒ 450.000,-- bedraagt. Op 16 juni 1998 heeft Aldi dit bedrag aan Codis betaald.

Op 18 juni 1998 heeft [betrokkene 1] door middel van het overleggen van een pandlijst zijn vordering à ƒ 450.000,-- op Aldi aan de bank verpand. De akte van deze verpanding is op 19 juni 1998 geregistreerd.

De bank heeft de akte met pandlijst bij deurwaardersexploot van 26 juni 1998 aan Aldi betekend.

[Betrokkene 1] is vervolgens in gebreke gebleven met het nakomen van zijn aflossingsverplichtingen jegens de bank. De bank heeft daarop de financieringsovereenkomst opgezegd. De vordering van de bank op [betrokkene 1] bedraagt circa ƒ 700.000,--. Bij brief van 22 december 1998 heeft de bank Aldi verzocht om aan haar te betalen ƒ 450.000,-- nu [betrokkene 1] zijn vordering op Aldi aan haar heeft verpand. Aldi heeft dit geweigerd.

2) Bij exploot van 1 februari 1999 heeft de bank Aldi gedagvaard voor de Arrondissementsrechtbank te Zwolle. De bank heeft, voorzover in cassatie van belang, gevorderd Aldi te veroordelen om aan haar te betalen de somma van ƒ 450.000,--. Aan deze vordering heeft de bank ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat zij als pandhoudster van de vordering van [betrokkene 1] op Aldi, na mededeling van het pandrecht aan Aldi en nu [betrokkene 1] tekort is geschoten in zijn verplichtingen uit de financieringsovereenkomst, bevoegd is tot inning van die vordering.

Aldi heeft verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld, zakelijk weergegeven, dat zij door aan Codis te betalen reeds op 16 juni 1998 bevrijdend heeft betaald aangezien Codis door [betrokkene 1] (tevens) was gevolmachtigd om de koopsom in ontvangst te nemen, althans omdat Aldi erop mocht vertrouwen dat de volmacht zich (ook) daartoe uitstrekte, met als gevolg dat de vordering van [betrokkene 1] op Aldi teniet is gegaan en niet aan de bank kon worden verpand.

3) Bij vonnis van 26 januari 2000 heeft de rechtbank, voorzover in cassatie van belang, de vordering van de bank toegewezen, daartoe overwegende dat Aldi niet bevrijdend heeft betaald door de overnamesom aan Codis te betalen, dat derhalve de vordering van [betrokkene 1] op Aldi niet teniet was gegaan en daarop een pandrecht ten behoeve van de bank kon worden gevestigd (r.o. 4.2) en dat Aldi, na de mededeling van het pandrecht aan haar op 26 juni 1998, slechts bevrijdend kon betalen aan de bank, hetgeen Aldi niet heeft gedaan (4.3).

4) Aldi is onder aanvoering van twee grieven tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem. Grief I keerde zich tegen het hierboven (onder 3) weergegeven oordeel van de rechtbank, onder andere met het (eerst in appel gevoerde) betoog dat [betrokkene 1] door Aldi's betaling aan Codis is gebaat in de zin van art. 6:32 BW.

Bij (tussen)arrest van 3 april 2001 heeft het hof, voorzover in cassatie van belang, Aldi toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt a) dat Codis bevoegd was tot het in ontvangst nemen van de koopprijs, en b) dat en in hoeverre [betrokkene 1] is gebaat door Aldi's betaling van

ƒ 450.000,-- aan Codis op 16 juni 1998 (r.o. 5.5, 5.8 en 6). Voor het geval Aldi niet zou slagen in de bewijsopdracht sub a en zou moeten worden aangenomen dat Codis niet tot inontvangstname van de koopprijs bevoegd was, heeft het hof geoordeeld dat Aldi niet redelijkerwijze heeft mogen aannemen dat Codis (wel) een toereikende volmacht bezat (r.o. 5.6).

Vervolgens heeft het hof bij arrest van 4 juni 2002 het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van de bank alsnog afgewezen (r.o. 3). Het hof heeft daartoe overwogen dat Aldi in het kader van haar bewijsopdracht heeft verwezen naar het overzicht van vorderingen en schulden van Codis op respectievelijk aan [betrokkene 1], getiteld "Stand van zaken [betrokkene 1] IJsselmuiden per 01-sep-98" (r.o. 2.4). Het hof heeft vervolgens overwogen:

"2.4 (...) Naar het oordeel van het hof heeft Aldi met dit - door de bank niet gemotiveerd bestreden - overzicht aangetoond dat de door Aldi aan Codis betaalde koopsom van f. 450.000,--, deels door rechtstreekse betalingen aan [betrokkene 1] en deels door middel van verrekeningen, volledig in het vermogen van [betrokkene 1] is gevloeid. Dit betekent dat is voldaan aan het in artikel 6:32 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen criterium dat [betrokkene 1] door de betaling is gebaat en dat Aldi bevrijdend aan Codis heeft betaald. (...)"

Of Codis bevoegd was de koopprijs in ontvangst te nemen, oordeelde het hof daarom niet meer van belang zodat het het daartoe aangedragen bewijs onbesproken heeft gelaten (r.o. 2.4, slot).

5) De bank is tijdig van de arresten van het hof in cassatie gekomen. Daartoe heeft zij een middel van cassatie geformuleerd dat bestaat uit vijf onderdelen. Vervolgens heeft de bank haar stellingen schriftelijk toegelicht. Tegen Aldi is verstek verleend.

De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

6) Het middel voert geen klachten aan tegen het tussenarrest van 3 april 2001 en is dus in zoverre niet-ontvankelijk.

Bespreking van het cassatiemiddel

7) Het cassatiemiddel keert zich tegen de hierboven (onder 4) weergegeven r.o. 2.4 en 3 van 's hofs eindarrest. Het neemt tot uitgangspunt dat Aldi uitsluitend bevrijdend heeft betaald voorzover het aan Codis betaalde bedrag van ƒ 450.000,-- in het vermogen van [betrokkene 1] is gevloeid vóór de mededeling van het pandrecht van de bank aan Aldi op 26 juni 1998; ná deze mededeling kon Aldi slechts bevrijdend betalen aan de bank.

Onderdeel a van het cassatiemiddel klaagt erover dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven indien het heeft geoordeeld dat Aldi bevrijdend heeft betaald, ongeacht of Codis de betreffende bedragen voor of na de mededeling van het pandrecht aan [betrokkene 1] heeft doorbetaald.

Onderdeel b strekt ten betoge dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van de stukken van het geding, indien het hof heeft geoordeeld dat Codis vóór de mededeling van het pandrecht op 26 juni 1998 aan [betrokkene 1] heeft doorbetaald.

8) Het middel gaat er terecht vanuit dat indien op de vordering van [betrokkene 1] op Aldi een pandrecht ten behoeve van de bank is komen te rusten, het antwoord op de vraag of Aldi bevrijdend heeft betaald ervan afhangt of Codis vóór het moment van mededeling van het pandrecht heeft doorbetaald aan [betrokkene 1]. Dit volgt uit hetgeen is bepaald in de artt. 3:246 lid 1, tweede zin, en 6:32 BW in verband met Parl. Gesch. Boek 6, p. 159, waar wordt opgemerkt dat de schuldenaar pas bevrijd is wanneer het betaalde in het vermogen van de werkelijk gerechtigde is gevloeid. Is de vordering voor dat tijdstip verpand (en heeft de mededeling van de verpanding voor dat tijdstip de schuldenaar bereikt), dan is de schuldenaar (wel tegenover de schuldeiser, maar) niet tegenover de pandhouder bevrijd. Na mededeling van het pandrecht is de schuldeiser immers onbevoegd de betaling te ontvangen; de betaler zal opnieuw, thans aan de pandhouder, moeten betalen en heeft verhaal op de schuldeiser (art. 6:33 BW).

9) 's Hofs opvatting op dit punt is uit zijn arresten niet af te leiden. Het heeft immers alleen onderzocht óf [betrokkene 1] is gebaat door de betaling aan Codis, maar niet wanneer dat is gebeurd. Het heeft in zijn eindarrest de vraag of [betrokkene 1] is gebaat, bevestigend beantwoord, op grond van het feit dat Codis aan [betrokkene 1] rechtstreekse betalingen heeft gedaan en er verrekeningen hebben plaatsgevonden, maar het hof heeft niet beslist wanneer die betalingen en verrekeningen zijn gedaan resp. hebben plaatsgevonden, noch, wat de verrekeningen betreft, of het gaat om verrekening door verklaring (art.6:127) of van rechtswege (art. 6:140).

Nu zulks ook uit de stukken (zie het overzicht "Stand van zaken [betrokkene 1] IJsselmuiden per 01-sep-98", gehecht aan het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 22 november 2001) niet met voldoende duidelijkheid valt op te maken en partijen aan deze vraag geen aandacht hebben besteed,(1) dient het arrest, dat hetzij op een onjuiste rechtsopvatting berust, hetzij aan een motiveringsgebrek lijdt, te worden vernietigd en de zaak voor verder feitelijk onderzoek te worden verwezen.

10) In verband met het voorgaande behoeven de onderdelen c en d geen behandeling.

11) Onderdeel e betoogt naar mijn mening terecht dat het oordeel van het hof dat de ƒ 450.000,-- deels door verrekeningen volledig in het vermogen van [betrokkene 1] is gevloeid, onvoldoende is gemotiveerd aangezien het hof voorbij is gegaan aan de herhaalde stelling van de bank dat Codis een niet-opeisbare vordering op [betrokkene 1] had van ongeveer ƒ 80.000,-- (zie conclusie van repliek onder 15, memorie van antwoord onder 47 en 53 en memorie na enquete zijdens geïntimeerde onder 37 en 59). Deze stelling had het hof niet onbesproken mogen laten, omdat de niet-opeisbaarheid van een vordering aan de verrekeningsbevoegdheid in de weg staat (art. 6:127 lid 2 BW).

Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring voor zover het cassatieberoep is gericht tegen het tussenarrest van het Gerechtshof te Arnhem 3 april 2001; tot vernietiging van het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 4 juni 2002; en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Waarbij ik opmerk dat partijen de rechtsstrijd op dit punt kennelijk niet hebben willen beperken tot louter de vraag óf er baattrekking heeft plaatsgevonden.