Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF9418

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-10-2003
Datum publicatie
10-10-2003
Zaaknummer
C02/078HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF9418
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

10 oktober 2003 Eerste Kamer Nr. C02/078HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman, t e g e n 1. [Verweerder 1], wonende te [woonplaats],

2. N.V. MAATSCHAPPIJ VAN ASSURANTIE, DISCONTERING EN BELEENING DER STAD ROTTERDAM, voorheen N.V. Verzekeringsmaatschappij Koning & Boeke van 1819, gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad, VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand. 1. Het geding in feitelijke instanties

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 509
JWB 2003/378
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C02/078HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 16 mei 2003

conclusie inzake

[Eiser]

tegen

1. [Verweerder 1]

2. N.V. Maatschappij van Assurantie, Discontering en Beleening der stad Rotterdam anno 1720

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de toepassing van art. 6:101 BW ("eigen schuld") in verband met de aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van een aanrijding tussen twee personenauto's.

2. De feiten waarvan in cassatie uitgegaan dient te worden, treft men aan in r.o. 1 van het vonnis van de Rechtbank (zie r.o. 3 van het arrest van het Hof). Zij komen op het volgende neer.

(i) De aanrijding heeft plaatsgevonden op woensdag 28 juli 1993 omstreeks 2.30 uur in de ochtend op de kruising A 10 (de Ringweg) en de Jan van Galenstraat te Amsterdam.

(ii) Bij de aanrijding waren betrokken een personenauto van het merk Ford, type Sierra, met kenteken [00-AA-00], bestuurd door thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], en een personenauto van het merk Alfa Romeo, type 33, met kenteken [00-BB-00], bestuurd door thans verweerder in cassatie sub 2, hierna: [verweerder 1]. In deze auto bevond zich tevens als passagier [betrokkene 1].

(iii) De genoemde kruising is gelegen op het viaduct boven de Ringweg, waar de afritten van en de opritten naar de Ringweg en Jan van Galenstraat kruisen. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 50 km per uur. De Jan van Galenstraat is ten opzichte van de A 10 een voorrangsweg. Dit wordt aangegeven door de borden B1 en B6 van Bijlage I van het RVV 1990; tevens staan op het wegdek van de A 10 zgn. "haaietanden". De kruising wordt door verkeerslichten geregeld. Deze verkeerslichten waren ten tijde van het ongeval in werking. Het zicht goed en het wegdek was droog.

(iv) [Eiser] reed op de Jan van Galenstraat in de richting van de Slotermeerlaan met de bedoeling om de Ringweg in de richting van Den Haag op te rijden. [Verweerder 1] reed over de Ringweg en heeft deze via de afrit Geuzenveld verlaten met de bedoeling om het kruispunt met de Jan van Galenstraat over te steken om via de oprit weer op de Ringweg terug te keren. Op het kruispunt van deze oprit met de Jan van Galenstraat zijn beide auto's tegen elkaar aangebotst.

(v) De Gemeentepolitie te Amsterdam heeft van het ongeval een proces-verbaal opgemaakt.

(vi) [Eiser] heeft als gevolg van de aanrijding ernstig lichamelijk letsel opgelopen.

(vii) Ten tijde van het ongeval was de Alfa Romeo all risk verzekerd bij (de rechtsvoorgangster van) thans verweerster in cassatie sub 2, hierna: de verzekeraar.

3. Bij exploit van 10 oktober 1997 heeft [eiser] [verweerder 1] en de verzekeraar gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd een verklaring voor recht dat [verweerder 1] voor 100%, althans voor een in goede justitie te bepalen percentage aansprakelijk is en veroordeling van [verweerder 1] en de verzekeraar van tot vergoeding van de volledige, althans een redelijk percentage van de geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat. Daartoe heeft [eiser] aangevoerd dat [verweerder 1] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door zijn rijgedrag en rijsnelheid niet voldoende aan de verkeerssituatie aan te passen. Volgens [eiser] heeft [verweerder 1] gereden met een snelheid tussen 67 en 96 km per uur - en dus hoger dan de toegestane snelheid van 50 km per uur - en is hij - al pratend met zijn passagier [betrokkene 1] - zonder zijn rijgedrag aan te passen aan de verkeerssituatie door het voor hem rode licht gereden, nadat het verkeerslicht op de Jan van Galenstraat op groen was gesprongen en [eiser] net was opgetrokken. De aansprakelijkheid van de verzekeraar grondt [eiser] op art. 6 WAM.

4. [Verweerder 1] en de verzekeraar hebben verweer gevoerd. Zij hebben gesteld dat [verweerder 1] de kruising met een snelheid van ongeveer 50 km per uur heeft genaderd en dat hij niet behoefde af te remmen omdat het verkeerslicht in zijn richting op groen stond. [Eiser] moet volgens [verweerder 1] en de verzekeraar door rood licht zijn gereden.

5. De Rechtbank heeft bij vonnis van 15 september 1999 [verweerder 1] voor 100% aansprakelijk gehouden voor de door [eiser] ten gevolge van het ongeval geleden en nog te lijden schade en de vorderingen van [eiser] in hun primaire variant toegewezen. Naar het oordeel van de Rechtbank is gelet op het proces-verbaal van de politie voldoende aannemelijk dat [eiser] is opgetrokken nadat het stoplicht op groen is gesprongen en dat [verweerder 1] zijn rijgedrag en zijn rijsnelheid niet heeft aangepast aan de situatie ter plaatse (r.o. 5).

6. [Verweerder 1] en de verzekeraar zijn van het vonnis van de Rechtbank in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te Amsterdam. Hun grieven richtten zich tegen hetgeen de Rechtbank heeft overwogen en beslist in r.o. 5 van haar vonnis.

7. Bij tussenarrest van 29 november 2001 heeft het Hof overwogen dat aan [eiser]s vordering de stelling ten grondslag ligt dat - kort gezegd - [verweerder 1] met een te hoge snelheid door rood licht heeft gereden; aangezien [verweerder 1] c.s. deze stelling gemotiveerd hebben weersproken, rust naar het oordeel van het Hof op [eiser] de bewijslast van zijn stelling (r.o. 4.7). Daaraan heeft het Hof het volgende toegevoegd (r.o. 4.8):

"Indien zou komen vast te staan dat [verweerder 1] door rood licht is gereden, is daarmee zijn aansprakelijkheid gegeven. Indien dit echter niet komt vast te staan, moet ervan uitgegaan worden dat [verweerder 1] door groen reed en [eiser] door rood, nu tussen partijen vaststaat dat de verkeerslichten ter plaatse juist functioneerden. [Verweerder 1] kan dan niet aansprakelijk worden gehouden voor de schade die [eiser] door het ongeval heeft opgelopen.

In dat geval moet worden aangenomen dat de fout van [eiser] (het door rood licht rijden) in overwegende mate de schade heeft veroorzaakt. Voorzover de gestelde fouten van [verweerder 1] (niet voldoende opletten, met een te hoge snelheid rijden en gas geven in een situatie waarin gevaar dreigt) ook aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen, geldt dat zulks dan slechts in geringe mate het geval is. Naar het oordeel van het hof is in dat geval de verwijtbaarheid van [verweerder 1] zoveel geringer dan die van [eiser], dat op grond van de billijkheid de schade geheel voor rekening van [verweerder 1] (het Hof bedoelt klaarblijkelijk: [eiser], A-G) dient te blijven. Daar doet niet aan af dat [eiser] ten tijde van het ongeval op een voorrangsweg reed en [verweerder 1] niet, daar vaststaat dat het verkeer ten tijde van het ongeval werd geregeld door middel van verkeerslichten."

Van oordeel zijnde dat [eiser] vooralsnog niet is geslaagd in zijn bewijs dat [verweerder 1] door rood licht is gereden (r.o. 4.13) heeft het Hof, alvorens verder te beslissen, [eiser] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [verweerder 1] door rood licht is gereden.

8. [Eiser] is tegen het tussenarrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel dat door [verweerder 1] en de verzekeraar is bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

9. De zaak is in cassatie aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 februari 2002, derhalve ná 1 januari 2002, zodat het nieuwe procesrecht van toepassing is. Ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in cassatie in te stellen tegen het tussenarrest van het Hof is echter het oude procesrecht van toepassing; het bestreden arrest is immers op 29 november 2001 uitgesproken en derhalve tot stand gekomen vóór 1 januari 2002 (art. VII lid 2 van de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 581, tot herziening van het procesrecht in burgerlijke zaken). Het cassatieberoep stuit derhalve niet af op het voorschrift van art. 401a lid 2 Rv.

10. Het middel keert zich met twee klachten tegen hetgeen het Hof heeft overwogen en beslist in de zojuist aangehaalde r.o. 4.8.

11. In die rechtsoverweging spreekt het Hof zich uit over het lot van de vordering van [eiser] zowel voor het geval [eiser] slaagt in het hem opgedragen bewijs als voor het geval [eiser] daarin niet slaagt. Het middel keert zich tegen de beslissingen van het Hof met betrekking tot het laatstbedoelde geval. Gelet op de door het Hof gekozen bewoordingen meen ik - evenals kennelijk partijen - dat het hier gaat om uitdrukkelijk en zonder voorbehoud door het Hof gegeven beslissingen, zodat [eiser] in het middel kan worden ontvangen.

12. De eerste klacht van het middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat, indien als vaststaand heeft te gelden dat [eiser] door rood licht is gereden, de gestelde fouten van [verweerder 1] (het niet voldoende opletten, het met een te hoge snelheid rijden, het geven van gas in een situatie waarin gevaar dreigt) slechts in geringe mate aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen. Volgens het middel is dit oordeel onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd.

13. De rechtsklacht komt mij niet aannemelijk voor. Het Hof heeft kennelijk afgewogen in welke mate - aangenomen dat [eiser] door rood licht is gereden - de gedragingen over en weer van [eiser] en [verweerder 1] het gevaar voor het ontstaan van de aanrijding in het leven hebben geroepen. Dat is in overeenstemming met de (primaire) maatstaf van art. 6:101 BW. Zie bijv. HR 5 december 1997, NJ 1998, 400 nt. JH. Zie voorts Schadevergoeding, losbl., art. 101, aant. 16 (R.J.B. Boonekamp); J. Spier, Schadevergoeding: algemeen, deel 3, Mon. Nieuw BW B-36, blz. 8 e.v.; Asser-Hartkamp 4-I, 2000, nr. 450. Dat het Hof bij deze causaliteitsafweging het negeren van rood licht door [eiser] zo gewichtig heeft geoordeeld dat deze gedraging moet worden geacht in overwegende mate de schade te hebben veroorzaakt en dat, voor zover de gestelde fouten van [verweerder 1] (het niet voldoende opletten, het met een te hoge snelheid rijden, het gas geven in een situatie waarin gevaar dreigt) ook aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen, zulks dan in geringe mate het geval is, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel dat de waarschijnlijkheid dat door rood licht rijden leidt tot ongelukken aanmerkelijk veel groter is dan de waarschijnlijkheid dat met groen licht een kruising met een te hoge snelheid oprijden tot ongelukken leidt, is niet in strijd met het hier toepasselijke causaliteitsbegrip van art. 6:98 BW.

14. Ook de motiveringsklacht is m.i. ongegrond. De afweging in concreto van de wederzijdse causaliteit is een beslissing van feitelijke aard die is voorbehouden zijn aan de feitenrechter en waaraan, nu zij veelal slechts kan berusten op intuïtief inzicht, slechts beperkte motiveringseisen kunnen worden gesteld. Zie o.m. HR 1 juni 1990, NJ 1990, 578 en HR 31 december 1993, NJ 1997, 592 nt. CJHB. Dit in aanmerking genomen, is het oordeel van het Hof inzake de causaliteitsafweging in het onderhavige geval niet onbegrijpelijk. Het oordeel voldoet ook overigens aan de daaraan te stellen motiveringseisen. Al aangenomen dat [verweerder 1] met een snelheid van (aanmerkelijk) meer dan 50 km per uur de kruising is opgereden, zoals het middel bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag wil aannemen, dan nog is immers niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat de kans dat dit gedrag tot ongelukken leidt veel geringer is dan de kans dat het negeren van rood licht daartoe leidt; door rood licht een kruising oversteken is vragen om ongelukken, juist ook omdat - naar de ervaring leert - andere weggebruikers op zodanig rijgedrag niet bedacht plegen te zijn.

15. De tweede klacht van het middel neemt stelling tegen het oordeel van het Hof dat, indien als vaststaand heeft te gelden dat [eiser] door rood licht is gereden, de verwijtbaarheid van [verweerder 1] zoveel geringer is dan die van [eiser], dat op grond van de billijkheid de schade geheel voor rekening van [eiser] dient te blijven. Het middel acht dit oordeel onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd.

16. De grond waarop het middel de rechtsklacht doet steunen, is mij niet geheel duidelijk geworden. Voor zover het middel wil betogen dat, nu ook [verweerder 1] een verwijt voor zijn rijgedrag treft, het Hof niet tot het oordeel had mogen komen dat de schade geheel voor rekening van [eiser] dient te blijven, ziet het eraan voorbij dat bij de toepassing van de zgn. billijkheidscorrectie rekening moet worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder met name ook de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, en dat toepassing van deze correctie ertoe kan leiden dat, ook al heeft de aangesprokene een fout gemaakt waarvan hem een verwijt kan worden gemaakt, de vergoedingsplicht geheel vervalt. Zie Schadevergoeding, losbl., art. 101, aant. 17.7 (R.J.B. Boonekamp) en de aldaar vermelde rechtspraak. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat, aangenomen dat [eiser] door rood licht is gereden, in de gegeven omstandigheden de ernst van de fout van [eiser] en het verwijt dat hem daarvan gemaakt kan worden zoveel groter is dan de fout en de verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerder 1], dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van [verweerder 1] geheel vervalt. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van de billijkheidscorrectie. Is de verwijtbaarheid van de aangesprokene zo gering dat deze in het niet valt bij die van de benadeelde, dan mag daarvan worden geabstraheerd. Zie bijv. HR 1 oktober 1993, NJ 1993, 761.

17. De motiveringsklacht kan evenmin slagen. Het oordeel van het Hof dat de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de door [eiser] en [verweerder 1] gemaakte fouten en de mate van verwijtbaarheid van de gemaakte fouten eist dat de vergoedingsplicht van [verweerder 1] geheel vervalt, is sterk verweven met feitelijke waarderingen die aan het Hof als feitenrechter zijn voor behouden. Zie bijv. HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592 nt. CJHB. Niet onbegrijpelijk is dat het Hof de fout en de verwijtbaarheid van [eiser] veel ernstiger heeft ingeschat dan die van [verweerder 1]. Het negeren door [eiser] van het rode stoplicht bij het oversteken van de kruising is als een zware verkeersovertreding aan te merken terwijl door [eiser] zijn geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die kunnen meebrengen dat hem van deze ernstige verkeersfout geen of slechts in verminderde mate een verwijt kan worden gemaakt. Dat het Hof in vergelijking daarmee de snelheidsovertreding van [verweerder 1] en het verwijt dat [verweerder 1] daarvan kan worden gemaakt, veel minder ernstig heeft geoordeeld, is - ook zonder nadere motivering - niet onbegrijpelijk.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,