Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF8840

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2003
Datum publicatie
03-10-2003
Zaaknummer
C02/105HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF8840
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

3 oktober 2003 Eerste Kamer Nr. C02/105HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. de vennootschap onder firma DOUBLE SUPER, gevestigd te Rotterdam, 2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats], 3. [Eiser 3], wonende te [woonplaats], 4. [Eiser 4], wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [Verweerder],

wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt. 1. Het geding in feitelijke instanties

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 489
JWB 2003/371
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C02/105

Mr. Keus

Zitting 16 mei 2003

Conclusie inzake

1. de vennootschap onder firma DOUBLE SUPER

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

4. [eiser 4]

(hierna: Double Super c.s. of: Double Super en de [eisers])

tegen

[verweerder]

(hierna: [verweerder])

1. Feiten en procesverloop

1.1 [Verweerder] heeft de v.o.f. die hij samen met de [eisers] was aangegaan, opgezegd. In cassatie is onder meer aan de orde of deze opzegging vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid en of de v.o.f. per datum opzegging ook is ontbonden.

1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan(1).

(a) Op 28 maart 1995 zijn de [eisers] met [verweerder] overeengekomen gezamenlijk een onderneming aan te gaan onder de naam Double Super.

(b) Double Super is vervolgens als v.o.f. in het handelsregister ingeschreven. De in het handelsregister ingeschreven naam van het bedrijf is gewijzigd in Double Super B.V. i.o.. Een akte van oprichting als bedoeld in art. 22 WvK is niet opgemaakt.

(c) [Verweerder] heeft bij de oprichting zijn gehele tot dan toe voor eigen rekening gedreven computerbedrijf Superleaders ingebracht. Superleaders hield zich uitsluitend met de groot- en kleinhandel in computerhard- en software en aanverwante zaken bezig.

(d) [Eiser 4] heeft hij de oprichting zijn gehele tot dan toe voor eigen rekening gedreven onderneming Interieurbouw Superieur ingebracht. Interieurbouw Superieur hield zich uitsluitend bezig met interieurbouw, waarbij de nadruk lag op het leveren van in het Chinees opgemaakte reclameborden en -kasten aan de in hoofdzaak in Rotterdam gevestigde Chinese gemeenschap.

(e) Bij brieven van 1 juli 1996 heeft de raadsman van [verweerder] aan elk van de [eisers] als volgt bericht:

"(...) Cliënt heeft met U en twee broers van U een maatschap in de vorm van de vennootschap onder firma Double Super.

Namens cliënt zeg ik aan U en Uw twee broers de maatschap op tegen 1 augustus 1996.

De reden voor de opzegging is gelegen in het feit, dat is gebleken, dat U en Uw twee broers niet de inbreng in de vennootschap leveren, die daar van mag worden verwacht en dat bovendien een ernstige onoverkomenlijke incompabilité d'humeurs tussen U, Uw twee broers en cliënt is ontstaan, welke er zelfs toe heeft geleid, dat U heeft gemeend cliënt in rechte te moeten betrekken.

Deze opzegging betekent, dat de maatschap per 1 augustus 1996 is ontbonden en vereffening daarvan dient plaats te vinden. (...)"

1.3 De onder 1.2(e) genoemde brieven heeft de raadsman van [verweerder] geschreven nadat Double Super en de [eisers] bij dagvaarding van 24 juni 1996 het onderhavige geding voor de rechtbank Rotterdam hadden ingeleid. Double Super c.s. hebben (in conventie) - na wijziging van eis bij conclusie van repliek in conventie - gevorderd:

a. de overeenkomst tussen Double Super c.s. en [verweerder] vanwege wanprestatie van [verweerder] (c.q. onrechtmatige daad) partieel op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen toekomstig tijdstip te ontbinden;

b. [verweerder] in de schade te veroordelen welke Double Super c.s. als gevolg van de wanprestatie (c.q. onrechtmatige daad) van [verweerder] hebben geleden, door de rechtbank in goede justitie te bepalen(2);

c. dat Double Super B.V. i.o. door de [eisers] zonder [verweerder] kan worden voortgezet;

d. dat Double Super B.V. i.o. c.q. de [eisers] na ontbinding of na uittreding in alle rechten treden van de vier vennoten die oorspronkelijk in Double Super samenwerkten; en dat Double Super B.V. i.o. mitsdien de bestaande huurovereenkomst voortzet;

dit alles met veroordeling van [verweerder] in de buitengerechtelijke kosten alsmede in de proceskosten(3).

1.4 [Verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en in reconventie - na wijziging van eis bij conclusie van repliek in reconventie - een verklaring voor recht gevorderd dat de v.o.f. Double Super B.V. i.o. op 1 augustus 1996 is ontbonden. [verweerder] heeft voorts veroordeling van de [eisers] gevorderd om binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis over te gaan tot vereffening van de op 1 augustus 1996 ontbonden maatschap de vennootschap onder firma Double Super onder leiding van de heer M. Hamilton als vereffenaar, en bij gebreke daarvan over te gaan tot scheiding en deling van het vennootschappelijke vermogen van voornoemde vennootschap onder aanwijzing van de heer M. Hamilton als vereffenaar althans onder aanwijzing van een door de rechtbank aan te wijzen andere persoon tot vereffenaar alsmede met de benoeming van zoveel onzijdige personen als noodzakelijk is volgens de wet indien de gebroeders niet vrijwillig aan de scheiding en deling meewerken. Tevens heeft [verweerder] veroordeling van de [eisers] in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie gevorderd(4).

1.5 Tegen de vordering in reconventie hebben de [eisers] gemotiveerd verweer gevoerd.

1.6 Bij tussenvonnis van 14 oktober 1999 heeft de rechtbank in conventie alle vorderingen van Double Super c.s. afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de v.o.f. Double Super B.V. i.o. op 1 augustus 1996 is ontbonden. Met het oog op de verdeling van de vennootschappelijke gemeenschap na ontbinding heeft de rechtbank een (mede tot het beproeven van een minnelijke regeling bestemde) comparitie van partijen gelast, omdat "(h)et (...) de rechtbank niet duidelijk (is) of partijen hebben beoogd op de voet van artikel 3:185 BW te vorderen dat de rechtbank de wijze van verdeling van de gemeenschap gelast en/of de verdeling zelf vaststelt of dat zij wensen dat eerst een vereffenaar wordt benoemd".

Voorzover van belang heeft de rechtbank het volgende aan haar oordeel ten grondslag gelegd.

"7.4 De vorderingen van Double Super weergegeven onder a., c. en d. kunnen in elk geval niet worden toegewezen. Voor de vordering onder a. geldt dat ontbinding van een vennootschap onder firma slechts door (één van) de vennoten kan worden gevorderd; voor de vorderingen onder c. en d. geldt dat de vennootschap hierbij geen belang heeft, doch uitsluitend de betrokken vennoten. De hier genoemde vorderingen zullen dan ook aan Double Super worden ontzegd.

(...)

7.8 De vaststelling dat de overeenkomst per 1 augustus 1996 is ontbonden, staat aan toewijzing van (de conventionele vordering onder a; LK) (...) in de weg. (...)

7.9 Partijen zijn het erover eens dat de onverdeelde vennootschappelijke gemeenschap na ontbinding verdeeld moet worden. De wijze waarop en door wie is nog in discussie. (...)

7.10 De vordering van de [eisers] (...) sub d (...) inhoudende dat Double Super B.V. i.o. "de bestaande huurovereenkomst voortzet" begrijpt de rechtbank aldus dat deze ziet op voortzetting van de huurovereenkomst betreffende het adres [adres] te [plaats]. Dit onderwerp valt ook onder de noemer: verdeling van de gemeenschap (...).

7.11 (...) De vordering tot schadevergoeding (de conventionele vordering onder b, LK) wordt afgewezen. Double Super c.s. hebben gevorderd schade die zij hebben geleden als gevolg van wanprestatie of onrechtmatige daad van [verweerder], door de rechtbank in goede justitie te bepalen. Zij hebben echter nagelaten deze schade cijfermatig te onderbouwen of anderszins aanknopingspunten te geven aan de hand waarvan of met behulp waarvan de rechtbank in goede justitie de omvang van de eventueel geleden schade vast zou kunnen stellen."

1.7 Tegen dit (tussen)vonnis hebben Double Super c.s. hoger beroep ingesteld bij het hof 's-Gravenhage.

[Verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.8 Bij arrest van 27 november 2001 heeft het hof het tussenvonnis vernietigd voorzover daarbij de vordering van Double Super c.s. tot veroordeling van [verweerder] in de schade welke Double Super c.s. als gevolg van de wanprestatie (c.q. onrechtmatige daad) van [verweerder] hebben geleden, is afgewezen. Het hof heeft het vonnis voor het overige bekrachtigd en de zaak ter verdere behandeling naar de rechtbank Rotterdam verwezen.

1.9 Tegen het arrest hebben Double Super c.s. tijdig(5) beroep in cassatie ingesteld. Nadat tegen [verweerder] verstek was verleend heeft [verweerder] bij gelegenheid van de schriftelijke toelichting het verstek gezuiverd en alsnog geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, waarna Double Super c.s. nog hebben gerepliceerd.

1.10 Het bestreden arrest is gewezen vóór inwerkingtreding van de wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 580, tot herziening van het procesrecht in burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg. Op grond van art. VII lid 2 van die wet blijft ten aanzien van de mogelijkheid van het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een beslissing die voor de datum van inwerkingtreding is tot stand gekomen, het recht zoals het gold vóór de datum van inwerkingtreding van toepassing. Het verbod van tussentijds cassatieberoep (art. 401a lid 2 (nieuw) Rv) is in het onderhavige geval derhalve niet van toepassing.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 Double Super c.s. hebben drie middelen van cassatie aangevoerd.

2.2 Het eerste middel is gericht tegen de rov. 3.1-3.3, houdende de beslissing van het hof op de tweede grief van Double Super c.s.. Die tweede grief luidt als volgt:

"De rechtbank stelt in overweging 7.4 van haar vonnis ten onrechte dat de vorderingen van Double Super onder a, c en d in elk geval niet kunnen worden toegewezen, hoegenaamd omdat de onder a gevraagde ontbinding slechts door een van de vennoten kan worden gevraagd, en omdat Double Super bij de onder c en d gevraagde voortzetting etc. geen belang heeft. De rechtbank geeft er hier blijk van de vordering van [eisers] en Double Super beperkter te lezen dan de vordering gesteld is. Niet alleen Double Super is immers eisende partij, maar ook de [eisers]."

Op deze grief heeft het hof als volgt beslist:

"3.1 Grief twee heeft betrekking op de overweging sub 7.4 van de rechtbank dat de vorderingen van Double Super sub a, c en d in elk geval niet kunnen worden toegewezen. Blijkens de toelichting betogen Double Super c.s. dat de rechtbank daarmee impliciet ook de vorderingen van [eiser] c.s. heeft afgewezen. Voorts stellen Double Super c.s. dat Double Super en [eiser] c.s. groot belang hebben bij de voortzetting van de vennootschap.

3.2 Deze grief slaagt evenmin. De rechtbank heeft de vordering van [eiser] c.s. sub a in de overwegingen 7.7 en 7.8 en de vordering sub d in rechtsoverweging 7.10 apart behandeld en de overige beslissingen aangehouden. Dat de rechtbank in rechtsoverweging 7.4 de vorderingen sub a, c en d van [eiser] c.s. impliciet zou hebben verworpen berust dan ook op een verkeerde lezing van het vonnis.

3.3 Niet valt in te zien dat een vennootschap onder firma, die geen rechtspersoonlijkheid bezit en een samenwerkingsverband is van haar vennoten een eigen belang zou hebben bij het voortbestaan van dat samenwerkingsverband. De afwijzing door de rechtbank van de vordering van Double Super B.V. i.o. sub c behoefde dan ook geen nadere motivering."

2.3 Onderdeel 1.1 bevat slechts een inleiding en behoeft geen afzonderlijke bespreking.

2.4 In onderdeel 1.2 lees ik de klacht dat het hof zou hebben miskend dat de rechtbank met de afwijzing van de vorderingen onder a, c en d van Double Super noodzakelijkerwijze ook een oordeel heeft gegeven over de overeenkomstige vorderingen van de [eisers]. Volgens het onderdeel werden de [eisers] door de afwijzing van de betrokken vorderingen van Double Super geraakt, zowel direct als indirect in verband met hun deelgerechtigdheid in die vennootschap.

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. Naar het hof in rov. 3.2 terecht heeft overwogen, heeft de rechtbank de betrokken conventionele vorderingen van de [eisers] apart behandeld dan wel een beslissing daarop aangehouden, hetgeen impliceert dat naar het oordeel van de rechtbank die vorderingen het lot van de overeenkomstige vorderingen van de v.o.f. niet noodzakelijkerwijs delen. Kennelijk was de rechtbank van oordeel dat de betrokken rechtsvorderingen niet aan de v.o.f., maar slechts aan de [eisers] toekomen, bij welke stand van zaken een afwijzing van de vorderingen van Double Super de overeenkomstige vorderingen van de [eisers] inderdaad onverlet laat.

2.5 Onderdeel 1.3 verwijt het hof (in rov. 3.3) te hebben miskend, dat, waar [eiser] c.s. hun belang bij het voortbestaan van de v.o.f. hebben gesteld, aan de v.o.f., die niet slechts een samenwerkingsverband belichaamt maar ook een doelvermogen impliceert, (in verband met de conventionele vordering onder c) een voldoende eigen belang bij haar voortbestaan toekomt.

Anders dan kennelijk aan het onderdeel ten grondslag is gelegd, impliceert het gegeven van een afgescheiden vermogen niet dat de v.o.f. naast haar vennoten een (van dat van haar vennoten te onderscheiden) eigen belang bij haar voortzetting zou hebben. Het afgescheiden vermogen dient immers slechts als bijzonder verhaalsobject voor de schuldeisers van de vennootschap(6).

2.6 Het tweede middel is gericht tegen de rov. 4.1-4.3, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

"4.1 De derde grief betreft het standpunt van de rechtbank dat Double Super per 1 augustus 1996 ontbonden is. Double Super c.s. betogen dat de rechtbank daarbij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat de opzegging door [verweerder] een reactie op de dagvaarding van Double Super c.s. was. Door uit te gaan van de ontbinding komt de rechtbank ten onrechte niet toe aan een oordeel over de door Double Super c.s. gestelde wanprestatie van [verweerder]. Voorts stellen Double Super c.s. dat de rechtbank de opzegging door [verweerder] ten onrechte niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft geacht.

4.2 Ook deze grief gaat niet op. De door Double Super c.s. gevorderde ontbinding van de vennootschap heeft, wanneer deze zou worden toegewezen, geen terugwerkende kracht en zou dus eerst effect kunnen sorteren vanaf de datum van de uitspraak van de rechter. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de vennootschap per 1 augustus 1996 als gevolg van de opzegging door [verweerder] ontbonden was. Double Super c.s. zijn niet opgekomen tegen de overweging van de rechtbank dat vaststaat dat tussen partijen zodanige verschillen van mening zijn gerezen dat voortzetting door de vier vennoten gezamenlijk uitgesloten moet worden geacht. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat opzegging door [verweerder], ook ingeval die verschillen van mening in belangrijke mate aan [verweerder] zouden zijn toe te rekenen, niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

4.3 Nu ervan dient te worden uitgegaan dat de vennootschap per 1 augustus 1996 is ontbonden, behoeft de beoordeling van de vordering tot ontbinding van Double Super c.s. (tegen een later tijdstip) niet meer plaats te vinden. Dat wil echter niet zeggen dat daarmee ook de door Double Super c.s. gestelde wanprestatie van [verweerder] en de daarop gebaseerde vordering tot schadevergoeding buiten behandeling blijft. Blijkens rechtsoverweging 7.11 heeft de rechtbank dat ook niet gedaan."

2.7 Onderdeel 2.1 bevat geen klacht. De onderdelen 2.2-2.5 zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat de vennootschap door de opzegging van [verweerder] per 1 augustus 1996 is ontbonden.

2.8 Onderdeel 2.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat [verweerder] de vennootschap in verband met het bepaalde in art. 7A:1686 lid 2 BW niet kon opzeggen. Deze klacht faalt omdat in de feitelijke instanties niet is vastgesteld en Double Super c.s. evenmin hebben aangevoerd dat de vennootschap voor bepaalde tijd of voor een bepaald werk was aangegaan. Weliswaar is art. 7A:1686 lid 2 BW genoemd in een op 2 mei 1996 (en derhalve vóór de opzegging door [verweerder]) gedateerde brief van de advocaat van Double Super c.s. aan [verweerder](7) (overgelegd bij akte houdende overlegging van producties van 4 juli 1996), maar Double Super c.s. hebben zich in de ná deze brief gestarte procedure niet op een voor een bepaalde tijd of voor een bepaald werk aangegane vennootschap beroepen.

2.9 De onderdelen 2.3 en 2.4, die op onderdeel 2.2 voortbouwen, moeten in het lot daarvan delen.

2.10 Onderdeel 2.5 is gericht tegen het oordeel dat opzegging door [verweerder], ook ingeval de ten processe vaststaande verschillen van mening in belangrijke mate aan hem zouden zijn toe te rekenen, niet met de redelijkheid en billijkheid in strijd is.

In de feitelijke instanties hebben Double Super c.s. aangevoerd dat de opzegging door [verweerder] vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (art 7A: 1686 lid 1)(8). De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de opzegging door [verweerder] gezien de meningsverschillen tussen hem en de [eisers] niet met de redelijkheid en billijkheid in strijd was, welk oordeel het hof in rov. 4.2 heeft onderschreven. Kennelijk waren rechtbank en hof van oordeel dat de tussen partijen ontstane meningsverschillen, ongeacht aan wie zij moeten worden toegerekend, van dien aard waren dat voortzetting van de vennootschap in redelijkheid niet van [verweerder] kon worden gevergd. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting(9) en is evenmin onbegrijpelijk.

2.11 Onderdeel 2.6, dat is gericht tegen rov. 4.3 en met de klacht dat van een rechtsgeldige ontbinding (door opzegging) per 1 augustus 1996 geen sprake kan zijn, op de voorgaande onderdelen voortbouwt, kan evenmin als die voorgaande onderdelen tot cassatie leiden.

2.12 De klacht van onderdeel 2.7 houdt in dat het hof, als ervan moet worden uitgegaan dat de opzegging per 1 augustus 1996 niet rechtsgeldig is geschied, ten onrechte niet op alle in hoger beroep gehandhaafde vorderingen van Double Super c.s. heeft beslist. Het onderdeel noemt hier met name de vordering tot (bedrijfs-)voortzetting.

Waar het hof terecht van een ontbinding van de vennootschap door opzegging per 1 augustus 1996 is uitgegaan (zie art. 7A:1683 sub 3 BW), behoefde het op de vordering tot (bedrijfs-)voortzetting niet meer in te gaan. Zoals Maeijer(10) heeft geschreven "(brengt) (o)ntbinding van de vennootschap als geheel (...) in beginsel haar liquidatie met zich." Alleen als partijen bij het aangaan van de vennootschap voortzettingsbedingen zijn overeengekomen, kan de vennootschap na de opzegging worden voortgezet(11).

2.13 Het derde middel is gericht tegen de rov. 5.2-5.3, waarin het hof het volgende heeft overwogen:

"5.2 Voor zover Double Super c.s. tevens bedoeld hebben te stellen dat sprake is van andere dan de hiervoor genoemde gedragingen van [verweerder] die wanprestatie dan wel een onrechtmatige daad opleveren, waardoor zij schade hebben geleden acht het hof deze stellingen onvoldoende feitelijk onderbouwd. Double Super c.s. hebben een grote hoeveelheid stukken in het geding gebracht zonder duidelijk aan te geven wat de relevantie daarvan is en zonder voldoende concreet aan te geven wat [verweerder] nu feitelijk wordt verweten en op welke wijze zij door die andere gedragingen schade zouden kunnen lijden.

5.3 De hiervoor sub 5.1 genoemde wanprestatie wordt door [verweerder] betwist. Naar het oordeel van het hof komt de onder 5.1 omschreven handelwijze van [verweerder] er op neer dat [verweerder] zich ten onrechte heeft gedragen alsof de verdeling of vereffening reeds had plaatsgevonden. Bij gelegenheid van de verdeling dan wel de vereffening kan naar het oordeel van het hof aan de hand van de stukken die daarbij zullen worden betrokken zowel worden vastgesteld of [verweerder] zich heeft gedragen alsof de scheiding en deling reeds had plaatsgevonden als wat de financiële gevolgen daarvan voor [eiser] c.s. zijn geweest. Nu vaststaat dat de vennootschap per 1 augustus 1996 is ontbonden dient die datum het uitgangspunt te zijn voor de verdeling. Aangezien niet is gesteld of gebleken dat [eiser] c.s. als gevolg van de gestelde wanprestatie nog andere schade hebben geleden dan die welke bij de verdeling dan wel de vereffening kan worden vastgesteld, volgt uit het vorenstaande dat met de verdeling/vereffening de door [eiser] c.s. gestelde schade tussen partijen zal zijn verrekend. De vraag of sprake is geweest van wanprestatie behoeft derhalve geen beantwoording."

2.14 Onderdeel 3.1 bevat geen klacht en behoeft geen afzonderlijke bespreking.

2.15 De klacht van onderdeel 3.2 is tweeledig. Volgens het onderdeel hebben Double Super c.s. meer en andere schadecomponenten gesteld dan het hof (meer in het bijzonder in rov. 5.1, tweede volzin) in zijn beschouwingen heeft betrokken. Voorts klaagt het onderdeel dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat Double Super c.s. bij een oordeel over door [verweerder] gepleegde wanprestatie geen belang hebben.

2.16 De eerste klacht mist feitelijke grondslag. In de aangevochten overwegingen (en meer in het bijzonder in rov. 5.1, tweede volzin) is (in de woorden van het middel) niet (althans niet in de eerste plaats) aan de orde "dat en welke schadecomponenten zich hier voordoen", maar welke gedragingen van [verweerder] wanprestatie opleveren.

In dit verband verdient het opmerking dat het hof een andere benadering heeft gevolgd dan de rechtbank. In rov. 7.11 van haar vonnis oordeelde de rechtbank dat de vordering van Double Super c.s. tot schadevergoeding vanwege "- kort gezegd - het vanaf maart/april 1996 (door [verweerder]; LK) eenzijdig onttrekken van de computertak en de bijbehorende opbrengsten aan Double Super" diende te worden afgewezen. Volgens de rechtbank hadden Double Super c.s. nagelaten hun schade cijfermatig te onderbouwen of anderszins aanknopingspunten voor een vaststelling daarvan te bieden. Tegen dat oordeel kwamen Double Super c.s. op met hun vierde grief:

"Ten onrechte wijst de rechtbank de vordering tot schadevergoeding af omdat [eisers] en Double Super nagelaten hebben deze schade cijfermatig te onderbouwen, of anderszins aanknopingspunten te geven. [Eisers] hebben aan de rechtbank gevraagd hun schade in goede justitie te bepalen. Als er onduidelijkheden waren over de zeer omvangrijke schade van [eisers], had het - gelet op de gevraagde "goede justitie" - op de weg van de rechtbank gelegen hierover ter comparitie nadere informatie te vragen.".

Het hof heeft deze grief gegrond geoordeeld, in die zin, dat de vordering van Double Super c.s. ook naar het oordeel van het hof "niet wegens onvoldoende onderbouwing voor onmiddellijke afwijzing gereed ligt" (rov. 6). Om die reden heeft het hof het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd. Aan die gedeeltelijke vernietiging heeft het hof echter niet een oordeel over de gewraakte gedragingen van [verweerder] en een verwijzing naar de schadestaatprocedure verbonden. Naar het oordeel van het hof zal de schade die Double Super c.s. als gevolg van de gewraakte gedragingen van [verweerder] hebben geleden, bij de verdeling dan wel de vereffening (kunnen en moeten) worden verrekend. Volgens het hof is immers "niet (...) gesteld of gebleken dat [eiser] c.s. als gevolg van de gestelde wanprestatie nog andere schade hebben geleden dan die welke bij de verdeling dan wel de vereffening kan worden vastgesteld (...)" (rov. 5.3, vijfde volzin).

Ook als de klacht aldus moet worden begrepen dat zij in het bijzonder is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.3, vijfde volzin, kan zij niet tot cassatie leiden. Op de in het onderdeel aangegeven plaatsen in de processtukken betrekken Double Super c.s. weliswaar stellingen met betrekking tot de door hen geleden schade, maar deze stellingen betreffen niet de door het hof van belang geachte (on)mogelijkheid van verrekening in het kader van de verdeling dan wel de vereffening, terwijl ook het onderdeel zelf de implicaties van de bedoelde stellingen voor die (on)mogelijkheid niet verduidelijkt.

2.17 Voor zover zij op de eerste klacht voortbouwt, kan de tweede klacht van onderdeel 3.2 evenmin tot cassatie leiden.

2.18 Onderdeel 3.3 klaagt, met een beroep op de door Double Super c.s. gestelde schadecomponenten, over de slotzin van rov. 5.2. Rov. 5.2 betreft echter niet de vraag of en zo ja, in welk opzicht, maar door welke gedragingen van [verweerder] Double Super c.s. schade hebben geleden.

2.19 Onderdeel 3.4, dat meer in het bijzonder tegen rov. 5.3 is gericht, kan niet tot cassatie leiden, omdat het onderdeel het voortbestaan van de v.o.f., ook na 1 augustus 1996, tot uitgangspunt kiest. De door het onderdeel ten onrechte veronderstelde voortzetting van de v.o.f., óók na 1 augustus 1996, ligt mede ten grondslag aan het door het onderdeel gemaakte onderscheid tussen "de feitelijke schade vanwege de gestelde wanprestatie, en die vanwege de ondervonden problemen in en bij de bedrijfsvoortzetting, de of hun continuering van de vennootschap als zodanig", welke laatste schade zich naar haar aard niet voor verrekening in het kader van verdeling of vereffening zou lenen.

2.20 Ook onderdeel 3.5 faalt voor zover het tot uitgangspunt neemt dat de v.o.f. niet door opzegging per 1 augustus 1996 is ontbonden. Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat in het kader van een verdeling of vereffening de aanspraken van de [eisers] die van [verweerder] mogelijk zullen overtreffen, wordt het tevergeefs voorgesteld. Aan de gedachtegang van het hof doet immers niet af, dat een verdeling of vereffening mogelijk per saldo in een aanspraak van de [eisers] op [verweerder] zal resulteren. Weliswaar heeft het hof, zoals het onderdeel aanvoert, niet onderzocht of [verweerder] voor een dergelijke aanspraak verhaal zal bieden, maar dat dit laatste in mindere mate het geval zou zijn dan in het geval dat [verweerder] (zoals gevorderd) tot schadevergoeding zal worden veroordeeld, valt niet, althans niet zonder meer, in te zien.

2.21 Onderdeel 3.6 klaagt dat het hof in rov. 5.3 ten onrechte heeft nagelaten de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van wanprestatie. Het onderdeel bouwt voort op de eerdere onderdelen en moet het lot daarvan delen.

2.22 Onderdeel 3.7 is gericht tegen rov. 6. Het onderdeel verwijt het hof de zaak ten onrechte niet naar de schadestaatprocedure te hebben verwezen, na het vonnis van de rechtbank te hebben vernietigd op de grond dat de vordering van Double Super c.s. niet wegens een onvoldoende onderbouwing daarvan voor onmiddellijke afwijzing gereed ligt. Waar ook onderdeel 3.7 op de eerdere onderdelen voortbouwt, moet het in het lot daarvan delen.

4. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie rov. 1 van het bestreden arrest in samenhang met rov. 2 van het tussenvonnis van 14 oktober 1999.

2 Bij memorie van grieven hebben Double Super c.s. hun eis gewijzigd, in dier voege, dat de zinsnede "door de rechtbank in goede justitie te bepalen" in "nader te bepalen bij staat" is gewijzigd.

3 Vgl. rov. 3 van het tussenvonnis van 14 oktober 1999.

4 Zie rov. 5 van het tussenvonnis van 14 oktober 1999.

5 Het arrest is gewezen op 27 november 2001, de cassatiedagvaarding is uitgebracht op 27 februari 2002.

6 Asser-Maeijer 5-V (1995), nr. 176 en daar vermelde rechtspraak.

7 Uit die brief (p. 2) citeer ik: "Wij wijzen u er in dit verband op dat u de samenwerking met de [eiser 2 t/m 4] niet hebt opgezegd, althans niet op formele of legitieme wijze, overeenkomstig art. 7:1686 lid 1 van het BW. Zou de opzegging hebben plaatsgehad dan is deze nietig, op grond van art. 1686 lid 2 BW."

8 Zie laatstelijk de memorie van grieven onder "argumentatie" bij grief III.

9 Vgl. HR 20 november 1970, NJ 1971, 64. Zie over opzegging in strijd met de redelijkheid en billijkheid voorts Asser-Maeijer 5-V (1995), nr. 227, en A.L. Mohr, Van maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap (1998), p. 261. Ook aan het bij Koninklijke Boodschap van 24 december 2002 aan de Tweede Kamer gezonden wetsvoorstel 28 746 tot vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek ligt ten grondslag dat vennoten die niet langer met elkaar kunnen samenwerken, vrij moeten zijn huns weegs te gaan; zie de toelichting op het voorgestelde art. 820, Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28 746, nr. 3, p. 32: "Vennoten moeten niet tot samenwerking gedwongen blijven indien zulks redelijkerwijs niet meer van hen kan worden gevergd."

10 Asser-Maeijer 5-V (1995), nr. 238.

11 Zie ook Mohr, a.w. (1998), p. 209 e.v..