Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF8276

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2003
Datum publicatie
11-07-2003
Zaaknummer
R02/082HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF8276
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

11 juli 2003 Eerste Kamer Rek.nr. R02/082HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man],

wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. M.G. Ligthart. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 377
JWB 2003/300

Conclusie

Rekest nr. R02/082HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Parket 18 april 2003

Conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Inleiding

1. Partijen, verder: de man en de vrouw, zijn gewezen echtgenoten. Zij zijn op 1 mei 1953 in gemeenschap van goederen gehuwd; het huwelijk is op 17 mei 1990 ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke stand. Bij echtscheidingsconvenant van 7 mei 1990 zijn partijen onder meer overeengekomen dat de man aan de vrouw ter voorziening in haar levensonderhoud een bedrag betaalt ter grootte van de pensioenuitkering die is gesloten bij Delta Lloyd en die f 45.300,- per jaar bedraagt; partijen hebben in hun convenant over een weer afstand gedaan van hun recht om op enigerlei grond ontbinding van de overeenkomst te vorderen.

2. In dit geding vordert de man wijziging van het echtscheidingsconvenant op de grond dat deze overeenkomst ten gevolge van een wijziging in de omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven dan wel is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij zich bij het echtscheidingsconvenant, op 65-jarige leeftijd, heeft verbonden om (vrijwel) zijn gehele pensioeninkomen aan de vrouw te betalen zonder dat daarvoor een redelijke grond bestond en voorts dat hij - inmiddels ongeveer tien jaar woonachtig in Thailand en aldaar 1992 hertrouwd met zijn huidige echtgenote met wie hij tezamen met hun twee zonen een gezin vormt - niet meer in het levensonderhoud van hemzelf en zijn gezin kan voorzien nu hij zijn vermogen heeft "opgesoupeerd", hij van het uit zijn vermogen resterende bedrag van f 250.000,- een huis heeft laten bouwen waar hij met zijn gezin woont en hij in verband met zijn gezondheid hoge medische kosten heeft.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Betogende dat de man zijn inkomenspositie niet inzichtelijk heeft gemaakt, heeft de vrouw bij gebrek aan wetenschap ontkend dat sprake zou zijn van een wijziging van omstandigheden die meebrengt dat ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet zou kunnen worden gevergd; voorts heeft zij ontkend dat het echtscheidingsconvenant is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven dan wel dat partijen zich naar die wettelijke maatstaven hebben willen richten.

3. De Rechtbank heeft het verzoek van de man afgewezen, daartoe overwegende dat niet is gebleken dat het convenant met grove miskenning van de wettelijke maatstaven is aangegaan en dat de man volstrekt onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn huidige inkomsten, zijn huidige lasten en zijn huidige vermogen.

4. De man heeft in het door hem ingestelde hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd. Hij heeft voorts betoogd - zowel in zijn appelschrift als tijdens de mondelinge behandeling - dat hij zich destijds niet voldoende realiseerde wat hij ondertekende aangezien hij en de vrouw samen een advocaat hadden; bij de mondelinge behandeling heeft de man bovendien de behoefte van de vrouw betwist, aanvoerende dat de vrouw daaromtrent niets heeft gesteld, noch in eerste aanleg noch in appel.

De vrouw heeft haar verweer gehandhaafd en voorts aangevoerd - onder verwijzing naar de bij haar verweerschrift in appel overgelegde "voorlopige mondelinge visie" d.d. 18 februari 1990 van de belastingadviseur die de man bijstond - dat de man kennelijk over een eigen pensioenvoorziening beschikte naast de pensioenvoorziening bij Delta Lloyd en voorts dat de man, ook als zulks niet het geval zou zijn, bij zijn emigratie naar Thailand over aanzienlijke gelden uit vermogen beschikte en dat dit vermogen mede als pensioenvoorziening diende te worden aangewend. Bij de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw betwist dat de man niet wist wat hij tekende, daarbij aanvoerende dat destijds door de man wel degelijk langs de zijlijn juridisch advies is ingewonnen; hij heeft voorts betoogd dat hij over de behoefte van de vrouw nooit eerder iets heeft gesteld aangezien de advocaat van de man pas bij de mondelinge behandeling voor het eerst de behoefte van de vrouw aan de orde heeft gesteld.

5. Het Hof heeft de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd. Met betrekking tot de behoefte van de vrouw overwoog het Hof dat deze behoefte onverminderd bestaat nu de man de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud niet gemotiveerd heeft betwist. Het betoog van de man dat het echtscheidingsconvenant op de voet van art. 1:401 lid 5 BW moet worden gewijzigd omdat het met grove miskenning van de wettelijke maatstaven is aangegaan, verwierp het Hof met de overweging dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant "onopzettelijk door onjuist inzicht of uitgaande van onjuiste gegevens voor hem zodanige verplichtingen met betrekking tot het levensonderhoud van de vrouw en de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijksgemeenschap zijn ontstaan, dat daarbij sprake was van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven". Nu niet aannemelijk is dat de man - destijds een succesvol ondernemer met een eigen bedrijf - zich niet heeft laten bijstaan op financieel en juridisch gebied, moet zijn stelling te dezen worden verworpen, aldus het Hof. Het Hof overwoog met betrekking tot het verzoek van de man tot wijziging van het echtscheidingsconvenant op grond van wijziging van omstandigheden dat dit verzoek slechts kan worden toegewezen op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan zijn verplichting mag worden gehouden doch dat van een zodanige wijziging het Hof onvoldoende is gebleken nu de man weliswaar enig inzicht heeft gegeven in zijn inkomenssituatie maar onvoldoende met betrekking tot de volledigheid daarvan, tot de levensstandaard in Thailand en tot zijn vermogenspositie. Het Hof overwoog in dat verband dat de man naast het feit dat zijn persoonlijke omstandigheden zijn veranderd en dat dit een toename van kosten tot gevolg heeft, gewezen heeft op het feit dat ten gevolge van de op 1 januari 2000 in werking getreden Wet Beperking Export Uitkeringen, zijn uitkering per 1 januari 2003 zal worden verlaagd en dat hij een toeslag en het recht op kinderbijslag verliest, doch dat hij geen bewijsstukken heeft overgelegd.

6. De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en verzocht het beroep te verwerpen.

Het cassatiemiddel

7. Het middel bevat onder de nrs. 2.1-2.5 een aantal klachten die naar mijn oordeel alle moeten worden verworpen.

8. Middelonderdeel 2.1 klaagt dat onbegrijpelijk is 's Hofs overweging dat de behoefte van de vrouw onverminderd bestaat nu de man deze niet gemotiveerd heeft betwist; geklaagd wordt dat immers door of namens de vrouw juist niet is gesteld dat zij ook thans nog (onverminderd) behoeftig is.

9. Het middelonderdeel ziet reeds eraan voorbij dat het op de weg van de man lag gemotiveerd te stellen dat de vrouw niet langer behoeftig was en niet op die van de vrouw om te stellen dat zij nog (onverminderd) behoeftig is nu immers de man wijziging van het echtscheidingsconvenant heeft verzocht en voorts dat het Hof kennelijk het hiervoor onder 4 weergegeven betoog van de vrouw ter zitting aldus heeft uitgelegd - een uitleg die niet onbegrijpelijk is - dat zij bedoelde te stellen dat zij nog (onverminderd) behoeftig is. Dit alles nog daargelaten de vraag welke betekenis partijen aan de behoeftigheid van de vrouw hebben willen toekennen bij het opstellen van het echtscheidingsconvenant waarmee zij mochten afwijken van de wettelijke maatstaven.

10. Middelonderdeel 2.2 klaagt dat het Hof in het kader van de beoordeling van het verzoek van de man tot wijziging van het echtscheidingsconvenant wegens grove miskenning van de wettelijke maatstaven, ten onrechte niet heeft getoetst aan de "grondnorm" of de omvang van de door de man bij het echtscheidingsconvenant op zich genomen alimentatieverplichting in overeenstemming is met het bedrag dat de man naar de wettelijke maatstaven verschuldigd zou zijn geweest en dat de rechter zou hebben opgelegd.

11. Dit middelonderdeel ziet eraan voorbij - wat er overigens ook zij van de door het middel bedoelde "grondnorm" - dat van een wijziging van een overeenkomst betreffende levensonderhoud op de in art. 1:401 lid 5 BW voorziene grond dat zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, gelet op HR 15 november 1974, NJ 1976, 122, m.nt. EAAL, slechts sprake kan zijn ingeval partijen zich in hun convenant op de wettelijke maatstaven hebben willen richten, doch als gevolg van een onjuist inzicht in de maatstaven of omdat zij uitgingen van onjuiste of onvolledige gegevens tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe toepassing van die maatstaven zou hebben geleid; zie Asser-De Boer, 2002, nr. 641 en voorts HR 23 oktober 1987, NJ 1988, 438, m.nt. EAAL. Met zijn overweging dat onvoldoende is aangetoond dat "onopzettelijk" voor de man zodanige verplichtingen met betrekking tot het levensonderhoud van de vrouw zijn ontstaan dat daarbij sprake was van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat art. 1:401 lid 5 BW geen toepassing kan vinden ingeval partijen bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. Door na te gaan of door de man voldoende is aangetoond dat bij het sluiten van het echtscheidingsconvenant "onopzettelijk door onjuist inzicht of uitgaande van onjuiste gegevens voor hem zodanige verplichtingen met betrekking tot het levensonderhoud van de vrouw en de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijksgemeenschap zijn ontstaan, dat daarbij sprake was van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven", heeft het Hof de juiste maatstaf aangelegd.

12. Middelonderdeel 2.3 betoogt dat 's Hofs oordeel dat niet aannemelijk is dat de man zich niet heeft laten bijstaan op financieel en juridisch gebied onbegrijpelijk is aangezien de man zodanige bijstand uitdrukkelijk heeft ontkend en de vrouw zonder enige nadere concretisering bij de mondelinge behandeling heeft betoogd dat de man destijds wel degelijk langs de zijlijn juridisch advies heeft ingewonnen.

13. Deze klacht ziet eraan voorbij dat de vrouw ook reeds in haar verweerschrift in appel heeft betoogd dat de man zich destijds door zijn belastingadviseur bij de echtscheidingsprocedure liet bijstaan en dat de vrouw in dat verband ook de "voorlopige mondelinge visie" van deze belastingadviseur d.d. 18 februari 1990 als productie heeft overgelegd, terwijl de man van zijn kant heeft volstaan met de blote ontkenning dat hij bijstand genoot.

14. De middelonderdelen 2.4 en 2.5 komen op tegen 's Hofs oordeel dat het verzoek van de man tot wijziging van de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen alimentatieverplichting op grond van wijziging van omstandigheden moet worden verworpen omdat de man weliswaar enig inzicht in zijn inkomenssituatie heeft gegeven maar onvoldoende met betrekking tot de levensstandaard in Thailand en tot zijn vermogenspositie, terwijl de man geen bewijsstukken heeft overgelegd van het door hem aangevoerde feit dat ten gevolge van de op 1 januari 2000 in werking getreden Wet Beperking Export Uitkeringen zijn uitkering per 1 januari 2003 zal worden verlaagd en hij een toeslag en het recht op kinderbijslag verliest. Middelonderdeel 2.4 klaagt dat de inhoud van de Wet BEU "onmiskenbaar is", zodat het Hof tenminste diende te onderkennen dat ingevolge die wet de inkomenspositie aan de zijde van de man van rechtswege veranderde en in casu verslechterde, ongeacht het concrete bedrag en/of de precieze mate van terugval of verlies, zodat van de man niet behoeft te worden verlangd dat hij bewijsstukken overlegt terwijl voorts geldt dat de vrouw niet de feitelijke financiële gegevens aan de zijde van de man betwist doch slechts de door hem gestelde wijzigingen. Middelonderdeel 2.5 betoogt - in het verlengde van middelonderdeel 2.4 - dat de gegevens betreffende de inkomenssituatie van de man, de levensstandaard in Thailand en de vermogenspositie van de man reeds door de vrouw waren "geduid cq bevestigd", en dat slechts de gewijzigde omstandigheden aan de orde waren.

15. Het Hof heeft in rechtsoverweging 3.3 vooropgesteld dat partijen in het echtscheidingsconvenant over en weer afstand hebben gedaan van hun recht op enigerlei grond ontbinding van de overeenkomst te vorderen om vervolgens te overwegen dat "ingevolge het vorenstaande" de overeenkomst slechts kan worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan zijn verplichting mag worden gehouden; het Hof heeft daarmee ter beoordeling van het wijzigingsverzoek van de man de maatstaf van art. 1:159 lid 3 BW aangelegd die geldt voor overeenkomsten waarbij een beding van niet-wijziging is gemaakt. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat het Hof het in het echtscheidingsconvenant opgenomen beding dat partijen over en weer afstand doen van het recht ontbinding te vorderen, heeft opgevat als een beding dat de overeenkomst niet zal worden gewijzigd. Hoe dit verder zij, het middel bestrijdt de door het Hof gehanteerde maatstaf op zichzelf niet. Zie over de maatstaf die moet worden aangelegd ter zake van een verzoek tot wijziging van een overeenkomst tot levensonderhoud wegens wijziging van omstandigheden Asser-de Boer, 2002, nr. 640-642, die aantekent - onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis en naar HR 12 november 1982, NJ 1983, 81 - dat doorbreking van een beding van niet-wijziging ingevolge art. 1:159 lid 3 BW slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan plaatsvinden en dat zulks zware eisen stelt aan de stelplicht van degene die wijziging verzoekt, en die voorts - aan de hand van HR 23 oktober 1987, NJ 1988, 438, m.nt. EAAL - ingaat op de vraag wat rechtens is ingeval geen beding van niet-wijziging is gemaakt doch partijen bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.

De middelonderdelen falen: het Hof heeft terecht verlangd dat de man zijn inkomens- en vermogenspositie door middel van bewijsstukken inzichtelijk maakte en in dat verband ook bewijsstukken overlegde met betrekking tot zijn stelling over de betekenis van de Wet BEU voor zijn inkomenspositie, nu de vrouw zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft betwist dat sprake was van een wijziging van omstandigheden die meebrengt dat ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet zou kunnen worden gevergd. Dit geldt overigens onverschillig of het wijzigingsverzoek moet worden beoordeeld naar de maatstaf van art. 1:159 lid 3 BW dan wel naar die van art. 1:401 BW. Het middel lijkt voorts te miskennen dat de vrouw zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft betoogd dat de man zijn inkomenspositie niet inzichtelijk heeft gemaakt.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden